Note 52 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
Elke waarneming nu betreft het voorwerpelijke waarneembare en is aanwezig in het zintuig als zoodanig en beoordeelt de onderscheiden van het voorwerpelijke waarneembare, b.v. wit en zwart het gezicht, zoet en en bitter de smaak enz. Daar wij ook het witte en het zoete en iedere andere waarneembaarheid met iedere andere vergelijken, waardoor dan nemen wij hun onderscheid waar? Noodwendiglijk door waarneming, aangezien het waarneembaarheden zijn. Hieruit blijkt ook dat het vleesch niet het eigenlijke zintuig is; want dan zou noodzakelijkerwijze het vergelijkende het ding zelf moeten aanraken. Maar het is ook niet mogelijk met afzonderlijke zintuigen te oordeelen dat het zoete iets anders is dan het witte, maar noodzakelijk moeten beiden voor één enkel (zintuig) duidelijk zijn. Want anders zou ook indien ik het eene en gij het andere zoudt waarnemen, duidelijk zijn dat de beide voorwerpen verschillend zijn. Maar het ééne moet zeggen dat het iets anders is; want het zoete is iets anders dan het witte. Het is blijkbaar hetzelfde, wat zoo zegt en zooals het zegt, zoo ook denkt het en wordt het gewaar. Het blijkt dus nu dat het niet mogelijk is met verschillende zintuigen de verschillende waarneembaarheden te oordeelen; dat het evenmin mogelijk is in verschillende tijden, blijkt hieruit. Zooals namelijk hetzelfde zegt dat het goede iets anders is dan het kwade, zoo ook wanneer het zegt dat het eene en het andere iets anders zijn, is het „wanneer” geen bijkomstigheid, d.w.z. dat ik nu zeg, dat het iets anders is, maar niet dat het nu iets anders is; maar nu zegt men dat het zoo is en dat het nu zoo is, dus tegelijk. En dus ongescheiden en in ongescheiden tijd. Evenwel het is onmogelijk dat hetzelfde tegelijk tegengestelde bewegingen ondergaat als ongedeeld en in ongedeelden tijd. Want iets zoets brengt deze beweging in de gewaarwording of het denken, het bittere de tegengestelde en het witte een andere. 427a. Is dus niet het oordeelende tegelijkertijd en in getal ongedeeld en onscheidbaar, maar in begrip onderscheiden? Dan is het dus eenerzijds het gedeelde dat de gedeelden waarneemt, anderzijds zooals het als ongedeeld is; immers in begrip gedeeld, naar plaats en getal ongedeeld. Is dit wel mogelijk? Immers in mogelijkheid zijn de tegendeelen hetzelfde en ongedeeld (ofschoon niet in het begrip), maar in werkzaamheid gedeeld en het is niet mogelijk dat iets tegelijk wit en zwart is, dus ook niet dat iets de vormen daarvan opneemt, als dat waarnemen en denken is. Maar dit verhoudt zich zooals wat sommigen het punt noemen, het eene als twee en in zooverre gedeeld. In zoover nu het ongedeeld is, is het oordeelende een en tegelijkertijd, in zoover het gedeeld is, is het niet één; immers men gebruikt twee keer hetzelfde punt tegelijk; in zoover men nu het grenspunt als twee gebruikt, zijn het twee die oordeelen en gescheiden als met in zekeren zin gescheiden waarneming; in zooverre het punt één is, oordeelt men met één en tegelijk52. Over het principe nu volgens hetwelk het levend wezen gewaarwording heeft, mogen zulke bepalingen gelden.