← Table of contents
Aristoteles' Zielkunde

Note 47 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.

J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation

Dit zij nu omtrent geluid vastgesteld. De stem is een bepaald geluid van het bezielde; want van het onbezielde heeft niets een stem, maar men spreekt in beeld van de stem van fluit b.v. en lier en de andere onbezielde dingen die volume, toon en voordracht hebben; want het lijkt dat ook de stem die heeft. Vele dieren hebben geen stem, zooals de bloedelooze en van die bloed hebben de visschen. Dit heeft ook zijn grond, daar immers het geluid een bepaalde beweging van de lucht is. Maar die naar men zegt stem hebben, zooals de visschen in den Acheloûs, maken geluid met hun kieuwen of iets anders zoodanigs. Stem is het geluid van een dier, niet elk47 en niet met een willekeurig lichaamsdeel. Maar daar alle geluid ontstaat doordat iets slaat tegen iets en in iets en dat is de lucht, kan met reden alleen datgene stem uitten dat de lucht opneemt. Immers de lucht bij de ademhaling gebruikt de natuur op dit punt voor twee verrichtingen, evenals de tong voor den smaak en het spreken, van welke de smaak is iets noodzakelijks, (die daarom ook bij meerderen aanwezig is) terwijl de spraak voor het hoogere is. Zoo gebruikt zij ook de adem voor de inwendige warmte als iets noodzakelijks (de oorzaak zal elders ter sprake komen) en voor de stem opdat het hoogere aanwezig zij. Het orgaan voor de ademhaling is de luchtpijp; waarvoor dit lichaamsdeel ook is, dat is de long, want in dit lichaamsdeel hebben de landdieren het meeste warmte van allen. Ook de hartstreek heeft in de eerste plaats de ademhaling noodig. Daarom is het noodzakelijk dat door de inademing de lucht binnen komt. Dus is de stoot van de ingeademde lucht bewerkt door de ziel in die deelen tegen de zoogenaamde luchtpijp, de stem. Want zooals wij zeiden is niet ieder geluid van een dier stem (want men kan met de tong geluid maken en zooals bij hoesten), maar het stootende moet bezield zijn en vergezeld zijn van eenige voorstelling, want de stem is een geluid met beteekenis; en de stem is niet ’t geluid van de ingeademde lucht, zooals de hoest, maar daarmede stoot men de lucht in de luchtpijp tegen deze. 421a. Een bewijs is dat men geen stem kan uiten bij in- of uitademing, maar als men den adem inhoudt; want daardoor veroorzaakt die den adem inhoudt de beweging. Ook blijkt waardoor de visschen stom zijn, doordat zij nl. geen luchtpijp hebben. Dat lichaamsdeel missen zij omdat zij de lucht niet opnemen noch inademen. De reden nu waarom dit zoo is, behoort in een andere behandeling.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings