Note 41 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
7b. Ook het inwerking ondergaan is niet eenvoudig, maar het eene is een zekere vernietiging door zijn tegendeel, het andere veeleer een bestendiging van het in mogelijkheid zijnde door het in werkelijkheid zijnde en dat zoo eraan gelijk is als mogelijkheid zich verhoudt tot werkelijkheid; want dat wat de kunde heeft wordt kennisnemend, wat òf geen verandering is (immers de toename is tot eigen voleinding en tot werkelijkheid) òf een ander soort van verandering. Daarom moet men niet zeggen dat het denkende in het denken verandert evenmin als de bouwmeester wanneer hij bouwt. Wat nu tot werkelijkheid voert uit hetgeen in mogelijkheid is moet betreffende het denken en beseffen niet leering heeten maar anders; maar wat uit den staat van mogelijkheid leert en kennis krijgt door wat in werkelijkheid en onderwijzend is, daarvan moet men niet zeggen dat het lijdt of twee wijzen aannemen van verandering, de verandering tot de ontstentenis en die tot de gesteldheid en wezenlijkheid. Voor het gewaarwordingsvermogen is de eerste verandering door het verwekkende, wanneer het verwekt is, verhoudt het zich reeds als kunde en het gewaarworden41. En het gewaarworden in bedrijvigheid wordt gezegd evenals het kennisnemen, maar het verschilt doordat bij het gewaarworden de oorzaken van de bedrijvigheid van buiten komen, het zichtbare en het hoorbare, en eveneens de overige waarneembaarheden. De oorzaak hiervan is dat de gewaarwording in werkzaamheid de enkele dingen betreft, de kunde de algemeenheden; deze laatsten zijn op zekere wijze in de ziel zelf. Daarom staat het denken in eigen macht wanneer men wil, gewaarworden niet in eigen macht; immers het is noodig dat het waarneembare aanwezig is. Hetzelfde is het geval met de wetenschappen betreffende de waarneembaarheden en door dezelfde oorzaak, omdat de waarneembaarheden zijn de enkele dingen van buiten.