Note 35 — ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.
J. M. (Jacobus Maurits) Fraenkel translation
412a. Wat de vroegeren omtrent de ziel geleerd hebben, daaromtrent volsta het gezegde; laat ons als van ’t begin af terugkeeren en trachten de ziel te bepalen en de algemeenste definitie er van op te geven. Wij noemen dan een kategorie der dingen de substantie en van deze spreken wij eenerzijds als stof, wat op zichzelf niet iets bepaalds is, anderzijds als vorm en gestalte, naar welke eerst van iets bepaalds sprake is; als derde noemen we wat uit beiden voortkomt. De stof is mogelijkheid, de vorm werkelijkheid35 en dat in tweevoudigen zin, deels zooals de kennis, deels zooals het studeeren. Substanties in den eigenlijksten zin zijn de lichamen en van deze de natuurlijke; want die zijn de Principes van de anderen. De natuurlijke lichamen zijn levend of levenloos; leven is zelfonderhouding, groei en afname. Dus is elk natuurlijk, levend, lichaam substantie en wel als de samengestelde. Daar nu ook van een zoodanig geheel, nl. een levend lichaam, sprake is, is het niet het lichaam dat de ziel is; want het lichaam is geen op een voorondersteld iets betrokken zijn, maar verhoudt zich veeleer als vooronderstelde en stof. Derhalve moet de ziel substantie zijn als vorm van een natuurlijk lichaam, dat naar mogelijkheid leven heeft. Die substantie is werkelijkheid. De ziel is dus van een zoodanig lichaam de werkelijkheid. Deze is tweevoudig, deels zooals de kennis, deels zooals het studeeren. Blijkbaar dus zooals de kennis; want in ’t aanzijn van de ziel is én slaap én waken; het waken is overeenkomstig met het uitoefenen, de slaap met het bezitten zonder werkzaamheid; als verschijnsel is bij den enkeling de kennis voorafgaand. Derhalve is de ziel de eerste werkelijkheid van een natuurlijk lichaam dat naar mogelijkheid leven heeft. Een zoodanig lichaam is dat, wat bewerktuigd is. Organen zijn ook de deelen der planten, maar gansch eenvoudige: zoo is het blad omhulsel van de vruchtwand, de vruchtwand van de vrucht; de wortels zijn overeenkomstig met den mond, want beiden nemen het voedsel op. 412b. Moet men dus een voor alle ziel gemeenschappelijke definitie geven dan is zij de eerste werkelijkheid van een natuurlijk, bewerktuigd, lichaam. Daarom moet men ook niet vragen of de ziel en het lichaam één is, evenmin als van de was en de figuur of in ’t algemeen van de stof van elk ding en datgene waarvan de stof grondslag is. Want terwijl men van „één” en „zijn” spreekt in verscheiden zin, is het eigenlijke de werkelijkheid.