9.
E. Laurillard translation
Kwartiermaan is ’t. Op veld en wei
Ligt de avonddauw, als witte sprei,
Beschenen door haar glans. En ’t meer
Geeft spieg’lend zóó haar beelt’nis weêr,
Alsof zij in den held’ren plas
Een vlottend gouden bootje was.
En òm het bootje klonk geklater,
En òm het bootje klonk gesnater,
Want de oude kikkerzanger zat
Nog op zijn waterlelieblad,
En zong dit lied, uit breeden mond,
In ’t stille van den avondstond:
„Nat, Nat,
Nat is het water.
’t Droge heeft geen lief’lijkheden;
Hier, hier zijn wij ’t best tevreden;
Geen kat en geen kater
Heeft met ons te maken;
Hier kunnen wij kwaken en kwaken en kwaken.”
En nu valt heel de kikkertroep
Den zanger bij met blij geroep:
’t Is goed hier in ’t water;
Geen kat en geen kater
Heeft met ons te maken;
En de ooievaar bespiedt ons niet,
En de ooievaar bedreigt ons niet;
Vrij kunnen wij kwaken en kwaken en kwaken.”
En uit de diepte van den plas
Roept nog een drom van ’t kikk’renras:
„Kom onder! Kom onder! Een koningskind
Is hier voor veel jaren verdronken;
Op den bodem, daar zit zij, daar zit zij en spint,
Wij hebben ons rijk haar geschonken.
Daar zit zij in doeken;
En wie haar wil zoeken,
Die kan haar hier vinden, hier, diep op den grond;
Maar drukke dan moedig een kus op haar mond.”
En dóór dat kwaken, hard en zacht,
Door avonddauw en voorjaarsnacht,
Schalt nog een lied in volle pracht.
Aanvank’lijk trilt het fijn en zwak,
Als de eerste ster aan ’t hemeldak,
Bij winteravond; maar het breidt
Zich uit met stille majesteit,
Gelijk bij zomeravondstond
De volle maan, zoo hel en rond;
En eind’lijk schiet het schoon geluid,
Als ’t ware, zonnestralen uit.
’t Klinkt als een kus en ’t maakt gezond
Denzelfden boezem, dien ’t verwondt,
Dat is de zoete nachtegaal,
Die in zijn oude en schoone taal,
Een teed’ren zang zingt van de beiden,
Die treuren om de smart van ’t scheiden:
„Vaarwel! vaarwel! Gij blijft mij bij,
Al zie ik u niet meer.
Vaarwel! vaarwel! Maar denk aan mij;
’k Bemin u toch zoo teêr.
En keeren uw broeders eens weêr, eens weêr,
Met groeten van u nog voor mij;
Misschien lig ik in ’t graf ter neêr,
En gij zijt niet er bij.”
„Hoor toch,” zegt Jochem, „hoor eens aan!
Wat kan dat ding toch heerlijk slaan,
Dat kleine ding, dat grauwe ding;
’t Is waarlijk een verlustiging;
En, ’k moet maar zeggen, hij is gaar;
Hij heeft steeds daad’lijk ’t antwoord klaar.
Van avond was ’k bij Jochem Smidt,
Voor ’t huis; en peinzend zat ik daar
Op ’t hek, en dacht aan dat en dit;
Toen kwam hij bij me en zei: „Haha!
Zie ’k u hier, Jochem? Kom, dat ’s goed;
’k Ben weer terug uit Afrika.”
„Wel zoo!” zei ’k toen, „maar, je moet
Je wijden aan bedaarder leven,
En niet zoo her- en derwaarts zweven;
Mijn Lotje kan je een voorbeeld geven,
Die al op ’t tweede broedsel broedt.”
Maar ’t antwoord was: „Mijn goeje man!
Jou Lotje is wel een ord’lijk wijf;
En kousen breien, eten koken,
En zulke dingen meer, en dan
Soms dagen lang, onafgebroken,
Met ei’ren zitten onder ’t lijf,
Ja, dat is ook een tijdverdrijf.
Maar wij, die in de poëzij
Ons bloemen en ook lauw’ren gâren,
Wij, zangers, dichters, kunstenaren,
Wij doen heel and’re dingen, wij.
Doch eenmaal, na het laatste lied,
Als stem en zangstof ons ontvliedt,
En zich een gunstig uitzicht biedt
Dan zijn wij zoo afkeerig niet …
Genoeg,—gij zult mij wel verstaan,
Ik weet, iets geniaals hebt gij.
Maar, wilt gij nu eens met mij gaan,
Hier in den els? Hoor dan van mij
Een stukje schoone poëzij.”
Doch nauw’lijks gingen wij, of, zie!
Daar stond Fiek Smidt; gij weet wel, die
De kleine Poedel wordt geheeten.
Haar oogen waren roodgekreten,
En over hare wangen vloog
Een hooge gloed, terwijl ze aanschouwde
Johan, die naar den vreemde toog.
Zoo stond ze en keek hem na, en vouwde
Haar handen vroom, weemoedig, stil;
Zij had iets, wat haar deed gelijken
Naar eene duif, die vliegen wil,
Wegvliegen van hare enge til,
Om ergens anders neêr te strijken.
O! ’k voelde veel, heel veel voor haar,
Terwijl zij aan een boom daar leunde,
En zachtkens, maar verstaanbaar, kreunde:
„Wat ben ik vreemd! Wat ben ik naar!”
Toen riep haar moeder: „Fiek dan toch!
Pas op, of Karel tuimelt nog
Den put in!”—En op éénmaal gaf
Haar dat een schok; nu sprong ze toe
En trok het kind van ’t water af:
Maar zat toen neder, droef te moe,
Haar broertje in d’arm, en langs haar wang
Sloop telkens weer een dikke traan;
Dat weenen duurde voort, zoo lang,
Tot moeder ernstig deed verstaan,
Dat dit zoo langer niet kon gaan;—
En toen, toen was het ook gedaan.”
„Dat’s ’t zenuwstelsel; ’t arme schaap!”
Zoo antwoordt Lot: „En ze is zoo goed;
Voor jaren greep in euv’len moed
Haar broeder Frits, een stoute knaap,
Mij aan; maar Fieken kwam er bij,
En ’t lieve meisje redde mij.
Toen heb ’k een duren eed gedaan,
Dat ’k, waar ik kon, haar bij zou staan;—
En, och, nu moet het zóó haar gaan!
O! trek, mèt mij haar lot u aan!—
Maar, zeg eens, wie is die Johan?”
„Kent gij hem niet? Wil even dan
Naar buiten zien; daar ligt de man!”
„Ah! is het die? Ja wel, die kwam
Hier aan, en at zijn boterham;
Dat zag ik wel. Nu, maar die moet
Een domkop zijn, een hals, een bloed,
Dat hij een engeltje, zoo zoet,
Zoo maar gedachteloos verlaat,
En dan ver-weg aan ’t zwerven gaat.”
„Ja!” antwoordt Jochem, „slim is ’t niet.
Maar ’t is een stijfhoofd: hij wil voort.—
Vergetend, wat hij achterliet,
Wordt hij misschien eens nog bekoord
Door de eene of and’re vreemde vrouw,
Die goed was, als een tuinmansbaas
Een pop in de erwten zetten wou.
Hij is een Klaas en blijft een Klaas!”
En toen dit woord gesproken was,
Bewoog zich iets, dáár, in het gras:
’t Is Hanne Nüte die ontwaakt.
„Wie? Wat? Dat woord heeft mij geraakt,”
Zoo spreekt hij. „Vreemd! Daar, uit dien boom,
Die stem! Of, was ’t misschien een droom?—
Ja! ’k voel het nu, ik ben een bloed,
Een Klaas. Wat was zij lief en goed!
Wat keek zij door de rasters henen
Tot ’k uit haar oogen was verdwenen,—
En ’k merkte niets;—nu merk ik wat,
Mijn kleine Fiek, mijn lieve schat!
Was ’t jou stem, die me in ’t harte drong,
En mijn gevoel daar wakker zong?”
En aanstonds klonk, diep uit het hout,
Het nachtegalenlied door ’t woud:
„Vaarwel! Vaarwel!
Keer spoedig, spoedig weer!
Er is een hart, dat voor u slaat,
Dat vol van u is, vroeg en laat.
Zoo zoet, zoo zacht, zoo teêr.
Keer spoedig, eer dat hartje breekt,
Waar zooveel trouw en liefde in spreekt;
Keer spoedig, spoedig weêr!”
En al de kikkers gaan aan ’t kwaken:
„Waartoe zult gij toch het u moeilijk gaan maken
Wat geeft toch zoo’n leven
Van zwerven en zweven?
Kom! doe als de rest,—
Want dat is het best.
Dans met vlugge beenen,
Huppel op de teenen,
Trippel op de hakken,
Laat je koeken bakken;
En loop telkens naar het vat;
Vreugde bloeit eerst recht in ’t nat.
In het nat, ja! nat, nat, nat!
Op geen bruiloft mist men dat!”
En tusschen ’t oude kikkerkoor
Galmt, diep en zwaar, de zangtoon door:
„In zwachtels en in doeken
Een schat op ’s harten grond;
En wie met vrucht wil zoeken,
Die moet zich maar verkloeken,
En kussen het meisje op den mond.”
En Hanne neemt zijn stok; zijn jas
Werpt hij zich om, en ook zijn tas.
Hij luistert onder ’t verder gaan
En blijft gedurig weer eens staan,
En denkt er met verwond’ring aan,
Hoe ’t komt, dat hij den nachtegaal
Begrijpen kan, en dat de taal
Der kikkers, in den groenen poel,
Beteek’nis heeft voor zijn gevoel,
En tegelijk in zijn gemoed
Iets lief’lijks en iets pijnlijks voedt.
Wat was dat toch, daar, bij dien boom?
Zag hij een engel in zijn droom?
Ontsloot hem die het hart en de ooren?
Deed die in zijne borst een schat
Van zilver, goud en paarlen gloren,
Waarvan hij niet geweten had?
Riep die hem wakker, met een stem,
Zoo tooverachtig week en warm?
Sprak die hem toe, met kracht en klem,
En toch zoo vriend’lijk tegelijk:
„Behoudt ge uw schat, dan blijft gij arm;
Maar deelt ge er van, dan wordt gij rijk!
Ja, haar wil hij er deel aan schenken,
Vol zuiv’ren gloed en reinen glans;
Aan haar wil hij steeds blijven denken,
Altijd aan haar,—voortaan als thans.
En zoo vervolgt hij nu zijn tocht,
Totdat hij aankomt bij een bocht,
Waar ’t pad door ’t bosch naar onder gaat.
Daar staat hij nog eens stil, en slaat,—
Dat is nu voor den laatsten keer,—
Een blik naar achter, zwaait den hoed,
En spreekt met hoogen zielegloed:
„Ja, nachtegaal! eens kom ik weêr:
En ’k breng mijn goud en edelsteen
Naar mijne kleine Fieken heen,
En werp ’t haar alles in den schoot.
Een trouwe liefde en ’t daag’lijksch brood,
Dat is de schat van onzer één.—
En, zit ze omwikkeld en verholen,
En in de diepte weggescholen,
Ik haal haar van den diepsten grond,
En kus haar op den rooden mond,
En maak haar, met een blijden zin,
Mijn heil, mijn kroon, mijn koningin!
En, als ik ooit dien eed verbreek,
Dan, meester Mosch, dan zeg ik: spreek
Van mij als van een Klaas niet meer,
Maar noem me een kerel zonder eer!”
En zoo trekt Hanne verder weêr.
„Wel, dat is mooi!” zegt Jochem, „hij
Heeft ieder woord van u en mij
Gehoord, en ook den zin gevat.”
„Och!” antwoordt Lotje, „meen je dat?
Geen mensch, die onze taal verstaat.”
„Mijn kind!” spreekt Jochem, „wordt niet kwaad,
Maar dat is waarlijk domme praat.
Hoor! Vroeger,—’t was heel lang voor dezen,—
Toen kon de menschheid ons verstaan,
Ja, zelfs in de gesternten lezen;
Maar deze kunst moest ondergaan.
Waarom? De menschheid werd te wijs;
Zij las heel veel, gedrukt, geschreven,
En stelde dat op hoog’ren prijs,
Dan ’t geen haar onze taal kon geven,
Of ’t schitt’rend sterrenschrift haar bood.
Wel zegt men, dat in verre streken,
Onnoem’lijk verre hier vandaan,
Nog enkl’en door hun wijsheid groot,
De talen, die wij, voog’len, spreken,
En ook het sterrenschrift verstaan;
En dat ook hier een en’kle dweeper,—
Althans, zoo wordt hij dan genoemd,—
Of ook een enk’le grijze scheper,
Zich op ’t bezit dier kunst beroemt;
Maar ’k heb er toch nog geen gevonden,
Want dit vermogen is verbonden
Aan velerlei. Vooreerst al dit:
Wie deze schoone gaaf bezit,
Moet rein van hart zijn, en geboren
Des Zondags, tusschen twaalf en één,
Terwijl een goed gesternte scheen.
Voorts moet hij eene maagd bekoren,
Maar zonder dat hij ’t zelf nog weet;
Die moet, met zalig zieleleed,
Zeer diep, zeer diep in ’t hart hem dragen,
Reeds sinds haar vroegste lentedagen.
Voorts moet hij, in den avondstond
Van d’eersten Mei, in zijnen mond
Een dikke boterham vermalen,—
Waarna hij alle zielekwalen
Vergeten moet, en, bij een boom,
Waar lang een aardig paartje in lag
Niet verre van den donk’ren zoom
Eens wouds, dat eens een gruwel zag,
Moet hij dan zacht in sluim’ring vallen,
Terwijl der voog’len lied’ren schallen;
’t Moet bovendien kwartiermaan zijn,
En scheem’rig moet die maneschijn
Hem spelen om ’t gelaat;—en dan,
Maar anders niet, is hij de man,
Die onze taal begrijpen kan.
Maar deze kunst begeeft hem weêr,
Wanneer hij zelf voor d’eersten keer
In eigen borst de liefde ontdekt.
Geen hopen, wenschen, treuren wekt
Die kracht meer op. Die blik in ’t leven
Is weg. Dat effen spiegelglas
Blijft niet zoo effen meer, als ’t was;
En al zijn denken, doen en streven
Kookt in een kroes en bruist en ziedt
De vroeg’re vorm is dan verbroken,
En wat eens ’t hart heeft toegesproken,
Dat spreekt daarbinnen langer niet.
Het oude moet gansch ondergaan;
Iets nieuws moet in zijn plaats ontstaan.
Gelukkig is de mensch gewis,
Die daar en dan een kunst’naar is.”
„Och, Heer!” spreekt Lotje nu, „die menschen!
Wat maken zij ’t bestaan zich zuur!
’t Is altijd zorgen, streven, wenschen,
En alles is zoo kort van duur!
Nu, ’t zij zoo.—Maar nog eens, die beiden,
Die moeten wij behoeden,—wij;
Wij moeten hun geluk bereiden;
En zoo ’t gebeurt, dat zij of hij
Soms leed ontmoet, wij moeten zorgen,
Maar altijd stil en in ’t verborgen,
Dat de uitkomst toch ten goede zij.
’k Heb mij dit vast in ’t hoofd gezet,
’k Wil mijn erkent’lijkheid betoonen;
Want eens heeft Fieken mij gered:
Ik moet haar liefdedaad beloonen.”
„Ja,” antwoordt Jochem haar, „mijn popje!
Zet gij u eens zoo iets in ’t kopje,
Dan ware er geen verand’ren aan,
Al zou ik òp mijn kop gaan staan;
Dus, ’t is mij wèl.—Nu goeden nacht!”
En weldra slaapt hij, en met kracht
Gonst zijn gesnork in ’t rond. Maar zij
Blijft peinzend nog een poosje waken;
Zij heeft huishoudelijke zaken:
De dag van ’t doopmaal is nabij.
[
Inhoud
]