2.
E. Laurillard translation
Die Hanne was een een’ge zoon
Van Snoet, den smid, van ’t dorp Gallin
Doch Hanne noemde men niet Snoet;—
’t Is immers gansch niet ongewoon,
Maar ’t wordt bij dorpers veel gezien,
Dat men een naam verand’ren doet:—
Men noemde in ’t eerst den jongen Snüte,
En dezen naam moest hij behouden,
Al was ’t eene ergernis voor de ouden;
Vooral voor moeder, die, wanneer
Ze op straat dat Nüte weer moest hooren,
Van de achterkamer kwam naar voren,
En spijtig riep: „Wat hoor ik weer?
Altijd dat Nüte! ’t Is niet goed:
Hij heet niet Nüte, hij heet Snoet.”
Maar vader zei haar dan toch vaak:
„Och, kom! wat doet de naam ter zaak?
Als hij maar voortmaakt met zijn leeren,
En eens zijn ambacht goed verstaat,
En dan daarop aan ’t reizen gaat,
Wat kan hem dan die naam nog deren?
Dan gaat het hem toch zeker goed,
’t Zij dat men Nüte zegge of Snoet.”
Ook Poedel had,—wie kon daartegen?—
Op zulk een wijs haar naam gekregen.
Haar ware naam was Fieken Smidt.
Maar in het dorp Gallin was dit
De naam ook van twee and’ren nog;
En daar men ’t drietal meisjes toch
Behoorlijk diende te onderscheiden,
Gaf men òns Fieken en die beiden
Een bijnaam. De eene sprak wat zwaar,
En werd toen Stotter-Fiek geheeten.
Van de and’re was de gang wat raar,
Ze liep wat traag en afgemeten,
En werd Pantoffel-Fiek genoemd.
En ònze Fieken was beroemd
Om haar zoo mooien krullekop:
Daar zag die naam van Poedel op.
In ’t eerst had zij er hinder van,
Wanneer die naam haar werd gegeven,
En klaagde er over t’huis; maar dan
Zei moeder: „Kind! wees in je leven
Iets beters dan een poedel is,
En dan zal jou die naam gewis
Geen leed of schade kunnen doen.”
Dan gaf zij ’t kind een flinken zoen,
En sprak: „Gij zijt mijn beste meid;
Mijn oudste; en als ge in deugdzaamheid
Een voorbeeld zijt voor de and’re negen,
Dan treden die op goede wegen
Jou, net als schapen, achterna.
Maar als ge ooit slecht mocht worden, ja,
Dan zou ’k je lang niet malsch betalen.—
Kom! ga nu heen; ga groente halen.”
En Fiek groeide op, en evenzeer,
Met haar, die kring van de and’re negen;
En vaak moest zij dien ganschen zegen
Des huizes hoeden en verplegen,
Omdat de moeder meen’gen keer
Door and’ren arbeid was bezet.
En schoon het stellen van de wet,
En daarmeê ook het klappen geven,
Aan moeders wijsheid was verbleven,
Door Fiek moest worden opgelet,
Dat Doortje toch niet vallen mocht,
Of Karel met de bijl ging spelen,
Dat Frits met Lodewijk niet vocht,
Dat Jochem met de karrezelen
Van vader zich niet mocht bezeeren.
Dat Kris niet trachtte zich te scheren,
En dat zich Rika niet mocht branden,
Noch Hendrik op de smalle randen
Zich wagen van den waterput.
Zoo was zij van veelzijdig nut,
En groeide bij den arbeid op,
Frisch als een roos, rank als een pop;
Het hoofdje vroeg reeds vol van zorgen,
’t Hart helder als een lentemorgen,
De hand vereelt, de ziele zacht,
Aan deugden rijk, maar arm aan kleêren;
Zoo was zij, toen, in ’t huis des Heeren,
Haar vader haar voor ’t outer bracht.
Daar had ze een eereplaats, want zij
Stond bovenaan daar, in de rij.
De leeraar immers had gedacht,
Daar kwam geen stand of geld te pas,
Maar meer de vraag, wie ’t knapste was.
En toen zij stil en vroom daar stond,
Armoedig, maar toch rein en net,
Liep in de kerk ’t gefluister rond:
„Kijk! Fiek is bovenaan gezet.”
Maar Boldt, een rijke pachter, sprak:
„Moet dàt vooraan?—zoo’n bedelpak?”
En toen de kerk was uitgegaan,
Toen zei een haat’lijk boerenwijf:
„Wel, wel! dat heeft geen hemd aan ’t lijf,
En dat moet vóór al de and’ren staan!”
„Nu,” zegt smid Snoet, „dat is met recht;
Flink heeft zij alles opgezegd,
En vlug weet zij met alles raad,
Wat in den katechismus staat;
Die rijke boerendochters stonden
Daar als toegelakte monden;
Maar gijlui ziet maar op het geld
En dat wordt toch,—hoe men ’t begeere,
En hoe men den bezitter eere,—
Door God niet bovenaan gesteld.”
„Ja, vader!” zegt de wever Dijk,
„Op dat punt geef ik jou gelijk.”
En de oude schout Vermeulen zegt:
„Ja, meester Snoet! jij hebt het recht;
Zij is een deerntje, kloek en knap.”
De wagenmaker Windelstap
Stemt ook met deze lofspraak in.
En zegt: „Zij heeft zoo’n vromen zin,
En ze is zoo ijv’rig en zoo gauw,
En ze is zoo eerlijk en zoo trouw,
En die haar eenmaal krijgt tot vrouw,
Heeft, denk ik, zeker nooit berouw:
Een mooi gezichtje en ’t hart zoo goed,
Dat is voorwaar!— —maar daar komt de meester;
Ik zou u raden, vrinden! leest er
Hem,—die het immers weten moet,—
Nog eens op na.”—„Ja, vader Snoet!”
Zegt meester Zuur, „’k mag niet verbloemen,
Zij weet nog meer dan uw Johan,
En die is lang niet dom te noemen;
Maar oordeel en begripsvermogen,
Daar heeft hij zóóveel toch niet van
Als Fieken Smidt, wier heldere oogen
Den glans weêrkaatsen van een geest,
Die veelomvattend is en meest
Met fierheid zich verheft ten hoogen.”
„Bedaard!” zei Snoet. „Maak ’t niet te drok!
Maar ’k ben toch blijde er om, dat Smidt
Die met zoo’n bende kind’ren zit,
Op de oudste ’t hoogste nommer trok.”
Smid Snoet ging huiswaarts en vergat,
Door zijn gepeins, het middageten,
Terwijl hij op een plekje zat,
Waar hij al dikwijls had gezeten,
Wanneer hij iets te denken had.—
En daar viel altijd licht hem in.
Daar zat hij nù ook, met de kin
Op zijne handen, de ellebogen
Op zijne knieën, onbewogen.
Want zat hij zóó, en zat hij daar,
Dan kreeg hij ’t met de zwaarste zaken,
Die hem vervulden, eindlijk klaar,
En kon de hardste noten kraken.
Ook thans. Hij komt in huis en zegt:
„Kijk, vrouw! ik heb eens overlegd,
En ’k denk, gij zult gelijk mij geven,—”
En bij die woorden strijkt hij even
Langs hare wangen op en neêr;
Dat deed haar wel een weinig zeer,
Want, ja, haar huid had iets van leêr,
Maar zijne hand iets van een vijl;—
„Mij dunkt dan, lieve vrouw, dewijl
Die Fieken Smidt zoo braaf en knap is,
En ’t bij haar ouders nog al krap is,
Wij moesten, dunkt mij, dit of dat
Hun zenden op dit feestgetij:
Aardappels, meel, en nog zoo wat,
Bij voorbeeld, wat tabak er bij.
Johan kan ’t brengen, en een groet.”— —
„Ja,” zegt de vrouw, „maar, hoor eens, Snoet!
Sta mij dan toe, dat ik hem zeg,
Wat hij daarginder zeggen moet;
Want, zie je? jij kunt niet heel goed
Met complimenten overweg,
En als hij zegt, wat gij hem zegt,
Dan komt er niet veel van te recht;
En schoon ze armoedig zijn bij Smidt,
’k Hou van een groet,—bij wien ’t ook zij,
Die netjes in elkander zit.—
Kom hier, Johannes! hoor naar mij:
Je schiet je vest aan en je buis,
Je haalt de kar hier, en je zet
Daar alles op, en brengt het t’huis
Bij Smidt;—maar ga niet zonder pet.
Dan zeg je: Wel het compliment
Van vader en van moeder Snoet,
En dan was hier een klein present,
Omdat de grootte ’t juist niet doet,—
En dat aan Fieken, heel haar leven,
De Heer dàt alles moge geven.
Wat haar kan nuttig zijn en goed.—
Nu weet je, wat je zeggen moet.”
De jongen weet het en hij gaat,
Zijn vrachtje kruiend, door de straat,
Terwijl het ouderpaar, met vreugd
In ’t oog, hem na te kijken staat.
En de oude Snoet zegt, recht verheugd:
„’t Is toch een jongen, flink en rap:
En ook in ’t ambacht is hij knap.
Gaat hij zoo voort, dan moet hij maar
Ons huis uit, in een volgend jaar,
Om zich al reizend te volmaken
In ’t vak.”—„Nu,” zegt de vrouw, „dan zal
Dat Nüte zeggen, dat ik al
Zoolang zoo laf vond en zoo mal,
Allengs wel uit de mode raken.”
[
Inhoud
]