← Table of contents
Hanne Nüte en de kleine Poedel

21.

E. Laurillard translation

Intusschen woonde reeds de muis,

Met zijne vrouw, in ’t bakkershuis.

Hij had, op last van d’ooievaar,

Zich aangemeld bij Krisje, aldaar,

En toen die niet heel vriend’lijk was,

Had hij zoo ernstig en zoo kras

Zich op ’t bevel, hem voorgeschreven,

Beroepen, dat dan toch in ’t end

In ’t hol, aan Krisje alleen bekend,

Hem vrije toegang werd gegeven.

De muis, verzeld van zijn gezin,

Trok vroolijk die verblijfplaats in.

„Kijk!” sprak hij, „’t is hier waarlijk lief;

Een mooie plek en vol gerief;

Alleenlijk zou ik nog begeeren

’t Getal der deuren te vermeêren;

Kom, moeder! met me aan ’t werk gegaan!

Kom, kindren! ook je best gedaan!”

Nu, dat was koren op hun molen,

En onder muur en vloer verscholen,

Ging de familie fluks aan ’t knagen,

Aan ’t breken, krabben, schrappen, zagen:

Een tweede deur kwam in den vloer,

En, om den wille van het voêr,

Nog twee ook op den korenzolder.

Ze werkten flink; het steengruis rolde er

Al links en rechts door naar beneên.

En Krisje dacht: „Waar moet dat heen?

Ik woonde vroeger hier alleen,

Maar nu, zoo’n troep hier bij elkaâr;

Mij dunkt, dat geeft nog al bezwaar.”

De winter komt. Maar de oude muizen,

En ook de jongen, die daar huizen,

Zijn al zoo menigmaal verheugd

Door ’t zoet genot van oudervreugd,

Dat lang reeds de familiekring

Den omvang van een staat ontving,

Maar die van rooven samenhing.

En de oude muis, ’t hoofd van den stam,

Was daar bestuurder, en hij nam,

Tot meer gezag en waardigheid,

Een titel aan van „Majesteit,”

Het goed, door Krisjen eens beheerd,

Werd nu door hem geannexeerd;

En als de dag gezonken was,

En Kris zat in de bruine jas,

Dan werd hij dra door jong en oud

Daaruit, en uit het gat verdreven;

Dan zat hij daar, dan was hij koud,

En onder ’t huiv’ren en het beven,

Verlangde hij naar ’t lenteweêr.

En ’s morgens vroeg kwam, keer op keer,

Zijn vader door de vensterruiten,

En riep: „Och, Krisje, kom eens hier!

Uw lieve vader staat hierbuiten:

Wij hebben weêr geen brood, geen zier;

Geef mij een stukje, door dien kier;

Want dankbaarheid is eere en sier

Der kind’ren: wil die deugd betrachten,

Wanneer uwe ouders bijstand wachten.”

„Ach!” zei dan droef de kleine Kris,

„’k Erken, dat dit betaam’lijk is;

Maar vaderlief! hoe wil ik geven?

Zelf weet ik niet, waar ’k van moet leven:

Dat muizentuig hier, in den grond,

Neemt mij het brood ook uit den mond.”

En dan riep Jochem, gansch verwoed:

„Dat rooversvolk! Dat dievengoed!

Maar, wacht! is eens de lente daar,

Dan zien wij weer den ooievaar,

Die zal de rekels duchtig nijpen,

Die zich aan and’rer goed vergrijpen.”

Maar heden hielp dat niet. Het ras

Der muizen stelde driest zich aan,

Of ’t liev’ling van den hemel was,

En zorgeloos zijn gang kon gaan.

Ze leefden lui, ze maakten pret,

En sliepen warm in Krisje’s bed;

Maar Jochem en zijn arme vrouw

Bedreigde schier de hongerdood;

En kleine Kris had ook zoo’n nood,

En leed zoo bitter van de kou.

Eens zat hij erg zich te vervelen,

O! had hij thans dien halven ring!

Dat was zoo’n mooi en glinst’rend ding,

Zoo aardig, om er mee te spelen.

Hij sluipt nu naar het muizengat,

En tuurt, en, zie! wat treft hij dat!

Geen is er t’huis. Hij kruipt in ’t hol,

En spoedig brengt hij, vreugdevol,

Den halven ring er uit, en zit

Er mee te spelen.—„Wat is dit?”

Zoo hoort hij nu door vader muis,

Die in dien tusschentijd weêr t’huis

Gekomen is, zich vragen.—„Och!”

Zegt Kris verstoord, „bemoei je toch

Niet met mijn zaken; ’t is mijn ring.”

„Jou ring? Heb ’k ooit zoo iets gehoord?

Hier, zeg ik! toe! geef hier dat ding.”

Maar Krisje maakt er zich mee voort,

Vliegt op en zet er zich meê neêr

Op Fieken’s kist. En Fieken komt.

De muis keert naar zijn schuilplaats weêr,

Maar ziet Kris nog eens aan, en bromt:

„Als zij maar eerst is weggegaan,

Dan zal ik jou wel nader spreken.”

En Fiek, ontstemd en aangedaan,

En vol, alsof haar hart zal breken,

Zegt weenend,—maar het zacht geluid

Nog smorend van haar bang geween:—

„Neen! ’k houd het langer hier niet uit;

Ik moet, ’k moet naar mijne ouders heen.”

Ze ontsluit de kist, krijgt haar japon,—

Haar eenige, die heeten kon

Een voegzaam kleed;—en, kleine Kris,

Die weder opgevlogen is,

Werpt, eer zij ’t deksel vallen doet,

Den ring de kist in, tusschen ’t goed.

„Zie zoo! ’k Wil wel aan Fiek hem geven;

Maar aan de muis nooit van mijn leven!”

Zoo zegt hij bij zich zelven; maar,

Dat hij hem had geworpen daar,

En dat de ring toen naar beneden,

Tot op den bodem, was gegleden,

Daarvan werd Fieken niets gewaar.

Alzoo, zij sloot toen weêr haar kist,

Terwijl ze van dien ring niet wist,

En ging,—’t was Zondag,—naar Gallin,

Om haar familie weêr te zien.—

„Kijk!” roept vrouw Smidt, „mijn droom komt uit!

Zeg niet, dat droomen niets beduidt!

Heb ik van nacht niet liggen droomen,

Dat Fieken kwam?—Nu zie ’k haar komen!—

Maar, meidlief! zeg, wat scheelt er aan?

’t Gezicht moet niet zoo droevig staan.”

Smidt zelf heeft ’t werk op zij gelegd,

En komt nu ook er bij, en zegt,

Terwijl hij haar in de oogen ziet:

„Wat is het, Fiek? Je huilt toch niet?”

„Neen, vader! maar bedrukt, bevreesd,

Ben ’k al dien tijd al weêr geweest:

De bakker wil geen rust mij laten,

En ’k vind zoo iets in al zijn praten …”

Hier stamelt ze, en een bloedkleur slaat

Daarbij op eens haar door ’t gelaat.

„Kom, Fiek! spreek voort!” zegt nu haar vader,

Zijn voorhoofd fronsend; „kom! je ziet,

Ik wacht er op; verklaar je nader.”

„Och!” spreekt zij, „’t is mijn schuld toch niet;

Maar nog van morgen klopte hij

Aan mijne deur, en riep hij mij.

Ik kwam, en wou aan d’arbeid gaan;

Hij zei: ik moest dat laten staan;

Hij wou geen bezem in mijn hand

Meer zien, zoo zei hij; dat was schand’;

Voor mij was ’t schande, zei hij, want

Als ik ook wilde wat hij wou,

Dan kon ’k bevelen daar als vrouw.”

Zij sloeg de hand zich voor ’t gezicht.

„Welnu,” roept moeder, „Fiek! wellicht”— —

„Stil, vrouw!” zegt Smidt: „zwijg stil; aan mij

Is ’t woord; dus eerst spreek ik, dan jij.

Nu, kind! wat verder?”—„Wel, hij nam

Mij meê naar binnen; toen ’k daar kwam,

Ontsloot hij voor mijn oog een kast,

Waarin veel geld lag opgetast,

Verschrikk’lijk veel; hij zei: dat geld,

En huis en erf en tuin en veld,

Dat werd op éénmaal alles mijn,

Indien ik zijne vrouw wou zijn.”

„En toen? Wat was jou antwoord toen?”

„Ik zei hem, dat hij wél zou doen,

Wanneer hij mij met vrede liet;

Dat deed hij toen ook; maar daarbij

Sprak hij de woorden: „weiger vrij,

Eenmaal behoort ge toch aan mij,

Hoor, Fieken! jij ontgaat mij niet;

Ik zal eens bij je vader komen.”

En als nu Smidt dit heeft vernomen,

Ziet hij zijn dochter aan, maar zwijgt,

En zet zich neder, en hij krijgt

Zijn werk weer. Maar zijn vrouw bevroedt,—

Zij kent haar echtgenoot zoo goed,—

Dat zij nu verder ’t woord doen moet;

Daar heeft zij lang reeds op gewacht:

Nu is zij dan ook in haar kracht:

„Wel, wat ben jij een domme meid!

Daar zit je voor ons en je schreit;

De domste ben je van den troep!

Als ’k onze Riek of Heintje roep,

Die zóóveel jonger zijn, en ’k vraag,

Of zij ’t niet hadden aangenomen,

’k Wed, dat ze zeggen: „Nou! wat graag!”

Hoe kan ’t jou in je hersens komen,

Om zóó iets, zóó iets, af te slaan?

Of denk je, dat ze twee, drie keeren,

Met bakkershuizen voor je staan,

En vragen: wilt ge er nu soms aan?—

Gelijk wij koffie presenteeren?—

Je moet terug, op staanden voet;

En maken je verzuim weêr goed;

Niet preutsch zijn, en niet mal verlegen,

Maar zeggen: „’k Ben er gansch niet tegen,

En dat ik zoo niet daad’lijk sprak,

Dat kwam doordien ’t me aan moed ontbrak;”

En zeggen, dat ik zelf nog heden

Je na zal komen,—maar, ’t is waar,

Voor uitstel is volstrekt geen reden,”—

En aanstonds heeft ze bij elkaâr

Haar kap en doek;—„zie zoo; ’k ben klaar!”

„Neen! jij blijft t’huis,” zegt nu de man;

„’k Moet toch naar ’t bosch nog; dus, ik kan

Een eind haar brengen.”—Kort en goed,

Hij haalt zijn jas af en zijn hoed

En kleedt zich daarmeê op, en doet

Vervolgens ook zijn wanten aan:

„Kom, Fieken! ik zal met je gaan.”

Zoo gaan die beiden samen voort,

Hij spreekt tot haar geen enkel woord,

Totdat ze komen dicht bij ’t bosch;

Daar laat hij toch een woordje los,

En spreekt op zijn bedaarde wijs:

„Kijk, Fiek! daar staat mijn bezemrijs;

De boschbaas heeft mij toegestaan

Het daar te plaatsen. Nu, vaarwel,

Mijn kind! Dat God u vergezell’!”

En Fieken kijkt hem treurig aan.

„Neen, lieve kind! ’k ben niet in staat,

Te helpen thans; de nood is groot;

Wij teren van ons laatste brood.

Maar neem mijn raad in acht, en laat

Je van den duivel niet verstrikken;

Dan zal zich alles nog wel schikken.

In elk geval, en hoe het ga,

Gij hebt toch niet te zeggen: „ja!”—

Hij uit nog eens zijn afscheidsgroet,

Terwijl hij zijne hand, bewogen,

Op haren schouder rusten doet:

„Dag, Fieken! hou mijn raad voor oogen;

Verdraag, wees sterk, houd moed, blijft goed!”

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings