← Table of contents
Hanne Nüte en de kleine Poedel

25.

E. Laurillard translation

Op ’t steenblok aan den groenen Rijn,

Bij Keulen, waar die joodsche vrouw

Placht neêr te zitten met haar rouw,

En waar, met bitt’re zielepijn,

Zij, onder zuchten en geklag,

Gedurig naar het oosten zag,—

Daar zit de spreeuw met mees en specht

Van avond samen. En nu zegt

De mees: „Zal ’t morgen uitspraak wezen?”

„Ja!” zegt de spreeuw, „en anders zou

’t Ook, naar mijn oom zegt, zijn te vreezen,

Dat bij de rechtbank de arme vrouw

Niets meer kon doen; haar kracht vliedt heen;

’t Mensch is niets meer dan vel en been;

En men begeert haar te vertoonen

Johan en dan den boozen knecht.”

„Dat zal de moeite toch niet loonen,”

Hervatten nu èn mees èn specht;

„Ze is zóó verward, dat, wat zij zegt,

Geen licht zal geven aan ’t gerecht.”

„Och!” zegt de spreeuw, „dat weet men niet;

Want somtijds is het wel geschied,

Dat men de zaak van lieverleê

Ontdekte en in het eind ’t geweten

Den moordenaar bekennen deê,

Wanneer hij zag, wat, naar ik meen,

Corpus delicti wordt geheeten.”

„Neen!” spreekt de specht nu, „vrienden! neen.

Dat geeft niet; maar een duchtig pak

Van rottingslagen op het jak

Gaf zeker, dunkt mij, beter baat.”

De spreeuw hernam: „Dat ’s malle praat;

Ze weten zonder dat wel raad.

Ik zal je zeggen, hoe ’k dit weet:

Een sierlijk lid van ons geslacht,—

Een, die kanarievogel heet,—

En aan een raadsheer toebehoort,

Wordt somtijds buitenshuis gebracht;

En ik had de eer, al menig woord

Met hem te wiss’len, als zijn tijd

Dat toeliet;—nu, die is heel gaar,

Is, wat men noemt, van zessen klaar,

En goed in alles ingewijd.

En die zei mij: „De zaak komt uit;

Daar ben ’k moreel van overtuigd;—

Weet jullie wat moreel beduidt?—

Je zult het zien, de kerel buigt

Op morgen voor ’t ontwaakt geweten;

Johan heeft lang genoeg gezeten,

Maar nu is dan toch ook in ’t end

De zaak in ’t stadium getreden,—

Is jullie soms de zin bekend

Van stadium?”—„Neen!” spreekt de specht.

„Die advocaten-fraaiigheden,

Daar kan ik gansch niet meê terecht.”

„Wel, stadium en dan moreel,

Bij overtuiging, zegt zooveel,

Als dat de zaak zoo goed als klaar is,”

Herneemt de spreeuw; „en als dat waar is,

En alles neemt een goeden keer,

Dan heeft Johan zijn vrijheid weêr.”—

„Maar, stel eens even, dat die vent

Halsstarrig blijft en niet bekent.”—

„Och, wat! ze zullen ’t hem wel leeren.”—

„Maar, als ’t niet lukt?”—„Ja, zie je, dan—

Dan zullen wij ons moeten weren;

Want als we ’t niet doen, aan Johan

Geen bijstand biên, en de ooievaar

Krijgt daar, in ’t voorjaar, kennis van,

Hij vreet ons op met huid en haar.

Maar, ’k moet toch nog met oom eens spreken.”—

„Kom, wat zal die? Het is gebleken,

Dat hij half gek is; laat hem maar

Met rust, hem, met zijn vreemde streken.”

En hiermeê gaan zij van elkaâr.—

Den and’ren morgen staat Johan

Voor zijne rechters. Heel een drom

Van menschen staat geschaard rondom,

Zoo dicht gedrongen, als ’t maar kan,

Die naar de zaal zijn heengesneld,

Dewijl ’t hier iets bijzonders geldt,

Het leven van een jongen man.—

Er heerscht een stilte, dof en zwaar;

In ernstig zwijgen zitten daar

Al de gezwoor’nen naast elkaâr,

En voor hen zit de rechterschaar;

Iets plechtigs is er, of de baar

Eens dooden in gereedheid waar’.

En als dan de aanklacht wordt gelezen,

Bonst menig hart zoo angstig snel;

Ook harten, niet gewoon te vreezen,

Gevoelen d’ angst op heden wel.

Men vraagt Johan, of hij de daad

Bekent.—„Onschuldig!” zegt hij zacht;

En heel zijn houding teekent kracht

En ernst; hoewel zijn bleek gelaat

En droeve trek toch ook verraadt,

Dat hij de zwaarte van ’t gewicht

Gevoelt, dat op zijn schoud’ren ligt.

Maar als hij ziet, dat van die schaar

Alle oogen op hem zijn gericht,

Zegt hij nog eens, nu luid en klaar,

En met een blik vol hoogen gloed;

„Onschuldig ben ik aan dit bloed!”

En bij die woorden loopt terstond

Daar, onder ’t volk, ’t gefluister rond:

„Die niet! Die heeft het niet gedaan!”

En allen trok ’t verlangen aan,

Dat hij in vrijheid heen mocht gaan.—

Nu komen de getuigen; en

Het tweetal is ook onder hen,

Dat met hem reisde, hier en daar:

De snijder en de metselaar.

De mets’laar roept: „Het is niet waar!

Die hem beticht, is leugenaar;

Er mochten duizend moorden wezen,

Toch zou het wel niet zijn te vreezen,

Dat ooit of immer één er van

Gepleegd zou zijn door dezen man.

Ik ben geboortig van Malchin,

En ken zijne ouders te Gallin.”

De rechter houdt met vragen aan;

Vergeefs; de mets’laar blijft er bij:

„Hij deed het niet en hij moet vrij!”

De mets’laar kon naar buiten gaan.

Niet anders ging het, toen het woord

Daarop den snijder werd gegeven.

Hij moest verklaren, in wat oord

Hij met Johan had omgegaan,

Hoelang zij hier en elders bleven;

En wat door hen dan was gedaan;

Waarom? en hoe?—en zoo al voort.

„Ik weet,” zoo sprak de bult’naar toen,

„Dat hij het niet heeft kunnen doen;

Maar ’k weet ook even goed, wie wel

Het stuk bedreef; mijn vader zag

Den broeder van den smidsgezel

Eens onderweg, op zeek’ren dag”— —

„Houd stil!” riep hem de rechter toe,

„Geef op de vragen, die ik doe,

Uw antwoord, en niets meer. Waarheen

Zijt gij geweest te zaâm? En hoe?”

„Dat,” zei de snijder, „heeft, naar ’k meen,

Hier geen belang; maar van gewicht

Is ’t, dat die smid hier binnensta;

Dan zeg ik hem vlak in ’t gezicht,

Wie ’t moordstuk heeft bedreven,—ja!

Wie dat alleen heeft kunnen plegen.”

„Ik zeg nog eens: daarvan gezwegen!”

Zoo spreekt hem weêr de rechter aan;

„Alleen geantwoord op mijn vragen!”

Maar ja! dat kreeg hij niet gedaan.

„Johan heeft niet die vrouw verslagen!”

Zoo riep de snijder steeds, met kracht,—

Tot hij ook buiten werd gebracht.

Nu kwam, zeer bang en bleek en bevend,

Het weêuwtje binnen, en zij stond

Daar schaamrood, kijkend naar den grond,

En niet dan stott’rend antwoord gevend.

Zij moet verklaren, hoe en waar

Zij ’t eerst in kennis kwam met Snoet,

En wat en wie hij was voor haar.

Tot in het diepst van haar gemoed

Geeft deze naam een schok.—Zij zegt,

Al staam’lend: hij was bij haar knecht,

En diende haar steeds trouw en goed,

Zoo eerlijk steeds en zoo oprecht!—

Nu ziet zij op, maar al het bloed,

Dat haar door ’t warme hartje vloeit,

Stijgt naar omhoog; haar voorhoofd gloeit:

Daar staat Johan haar voor ’t gezicht,

Die ’t oog vol weemoed op haar richt.

Zij slaat haar blikken neêr, en vindt,

Bedeesd, bedremmeld als een kind,

Geen woorden meer. Zij had haar leven

Wel voor den jong’ling willen geven,

Maar voor hem spreken kan zij niet.

Wat men nog vraag’, zij hoort en ziet

Alleen Johan, Johan alleen,

En in verwarring gaat zij heen.

Helaas! bij haar en zijn twee vrinden

Was weinig baat voor hem te vinden.—

Nu komt zijn baas, een ernstig man,

En rustig; en die antwoordt dan

Met kalmen toon op al de vragen:

Hoe zich Johan wel had gedragen;

Wat hij gezien had in die kamer;

Wat hij kon zeggen van dien hamer,

En wat hij zoo van alles wist.

„Ja, heeren! ja! zijn hamer is ’t”—

Dit woord zegt veel; en ieder hart,

Dat vóór hem klopte, beeft met smart

Terug, nu zich dat woord laat hooren;

Er is voor Hanne veel verloren.—

Zijn baas gaat voort: „Zijn hamer is ’t;

Maar die was reeds door hem gemist,

En ook gezocht, een dag te voren.

Dat zullen u al mijn gezellen,

Als gij het navraagt, ook vertellen.”

En nu die ’t werk’lijk ook verklaren,

Nu is het, of een zonnestraal

Komt glinst’ren in de duist’re zaal;

En fluist’rend gaat het door de scharen:

„Hij heeft het dan toch niet gedaan;

Neen, neen! hij heeft geen schuld er aan.”

En toen de rechter verder vroeg,

Of Hanne ook kennis daarvan droeg,

Hoe ’t met die oude was gesteld,

Dat zij veel goed bezat en geld,

Toen sprak zijn baas, maar ’t wou niet recht

Zijn keel uit: „Ja, dat wist hij wel;

Ik zelf had hem dat eens gezegd.”

En door de zaal loopt nu weêr snel

’t Gemompel rond: „Hij wist het!—Dan,—

Ja, dan kan ’t zijn; hij wist daarvan;—

En ’t geld trekt aan;—die arme jongen!”

En neêrgedrukt werd meen’ge ziel,

Die nog zoo even was doordrongen

Van vreugd. En, ach! zooals ’t nu viel,

Was ’t, of de taal juist van zijn vrinden

Hem vaster in het net moest winden,

Of ieder, die vóór hem wou spreken,

Zijn heil en hoop juist af moest breken.

Johan ziet sidd’rend reeds zijn graf,

Want ook de liefde valt hem af.

Maar, wild bruist in zijn jeugdig bloed

Het leven op;—zoo kan ’t niet enden!

En weder krijgt de hope gloed,—

Want nu kan alles zich nog wenden,—

Nu de oude vrouw wordt ingedragen.

Zij kent hem toch: haar kan men ’t vragen.—

Maar, ach! het mensch herkent hem niet,

Zij is verbijsterd en zij ziet

Met zwervend oog en ongewis

Rondom zich henen, waar zij is;

En zakt weêr moê op ’t leger neêr.

„Ik ben het! Kent gij mij niet meer?”

Zoo roept Johan. Haar maag’re hand

Gaat naar haar hals; zij zoekt den band,

En in verwarring en ontzind

Ontlaat zij ’t woord: „Mijn kind! Mijn kind!”

’t Verandert niet; de wolken blijven

Haar donker voor het zielsoog drijven,

En altijd zwarter, altijd dikker

Wordt steeds zijn wolk ook, waar ’t geflikker

Van bliksemen uit neder slaat.

Zijn harte bidt, zijn harte breekt;—

Er is geen God, die tot hem spreekt.

Ontroerd, in drift, onstuimig, laat

Hij zijn gedachten nog eens gaan

Langs de achter hem gelegen baan:

„Wil God mij dan het jonge leven

Nu reeds, nu reeds niet langer geven?

Mag mijne Fiek mij niet behooren?

Mijn liefde, en alles dan verloren!”

Maar, bij dat denken is het hem,

Als klinkt van verre nog een stem:

„Hou moed, hou moed, mijn zoon Johan!”

En ’t harte komt hem weêr in gloed,

En veêrkracht keert in zijn gemoed:—

„Volharden, ja! zoolang ’t maar kan!”

Zoo spreekt hij nu weêr tot zich zelven:

„Al moet ik ’t onderspit ook delven.”

Ja! moog’ dan alles hem verlaten,

Zijn oude moed keert in hem weêr;

Moog’ liefde of vriendschap hem niet baten,

Zinkt menschenmacht hier machtloos neer,—

Er is toch hulp bij God, den Heer!

De Heere God heeft duizend handen,

Waardoor Hij hem uit nood en banden

Kan redden. En, past in Gods plan

De liefde of vriendschap niet, nu, dàn

Kan ’t kwade zelf, ten top gestegen,

De bron nog zijn van heil en zegen.— —

De smidsgezel wordt voorgeleid,

En trotschheid en vermetelheid

Ligt op zijn aangezicht gespreid;

En welke vragen hij ook hoor,

Hij heeft er steeds een leugen voor,—

Den halven ring had hij van Snoet,

Op diens verlangen, aangenomen;

Hij had hem juist,—als iets maar moet!

Bij die Jodin toen uit zien komen;

En Snoet had hem gevraagd, of hij

Dat ding een poosje wou bewaren,

Maar stil voor zijne kameraads,

Om hem voor hunne plagerij

En voor hun dart’le scherts te sparen;

Ze hadden anders zooveel praats,

Wanneer zij wisten, dat hij ’t ding

Van de oude joodsche vrouw ontving.

Hij had dus ingewilligd, maar

Toen weldra Snoet als moordenaar

Genoemd werd, was hij na gaan denken;

Eerst had hij aan de somb’re faam

Nog geen vertrouwen willen schenken;

Maar toen de gansche stad den naam

Van Snoet bleef noemen,—zie! toen had

De schrik hem in de ziel gevat;

Die halve ring was in zijn handen,

Alsof hij gloeiend was, gaan branden;

En toen, schier zonder zelf te weten,

Waarheen hij vloog en wat hij deed,

Had hij den ring naar ’t raam gesmeten.

Toch was ’t een schuld,—die hij beleed,

En gaarn’ beleed,—van niet terstond

De zaak te hebben uitgebracht;

Maar dit was toch óók waar: hij vond

Daarvoor zijn straf reeds in den kerker;

En als de rechtbank nu bedacht,

Dat immers hij in den bewerker

Van ’t misdrijf eenen landgenoot,

Een vriend had, die hem broeder noemde,

Dan was zijn schuld toch minder groot,

Ofschoon hij haar niet gansch verbloemde,

En dan mocht hij vergeving hopen.

Toen wendde hij zich tot Johan:

„Kom! doe uw oog eens helder open,

En kijk me eens in ’t gezicht; en dan,

Kom! neem dan maar een kloek besluit,

Beken het feit;—het komt toch uit;—

En als je ’t eerlijk hebt gezegd,

Gaat licht genade nog voor recht.”—

Nu loopt weêr ’t stil gefluister voort:

„Die kerel spreekt een dapper woord;

En, flink, dat hij zijn kameraad

Niet wou verklikken, schoon ’t hèm in schaadt.”—

En naar Johan ziet ieders blik,

Maar nu met afkeer en met schrik,

En ieder werpt, met wrang gevoel

En diep vergramd op hem den steen.

Alleen de rechters blijven koel;

En uit hun midden rijst er een

Op eenmaal van zijn plaats, en trekt

Het wijde laken weg, waardoor

De legersteê was overdekt;

Van de oude vrouw;—hij zet er voor

Den smidsgezel, en wijst op haar,

En vraagt: „Kent gij die oude, daar?”

Hij staart haar aan, en hij verschrikt,

Maar houdt zich goed nog en hij blikt

Weêr driest in ’t rond, en antwoordt dan:

„Ik ken haar niet: ’k weet niets er van.”

Hij drukt zijn nagels in zijn handen,

En knarst zijns ondanks met zijn tanden:

„Ik ben hier vreemdeling, hoe zou

Ik kennis hebben aan die vrouw?”—

„Zaagt gij haar voor de herberg niet,

Toen ze op de steenen lag, die oude?

En is het niet eenmaal geschied,

Dat zij voor u de handen vouwde,

U smeekend.”— —Bij die vragen liet

Hij op haar éénen blik weêr vallen,

En ’t was hem, of de zaal, met allen,

Die saâm daar waren, draaien ging;

Een bange huivering beving

Zijn hart, en ’t koude, klamme zweet

Stond op zijn voorhoofd. Maar hij deed

Nog ééne poging. „Satan! red

Mij ditmaal nog; er zijn hierbij

Toch geen getuigen tegen mij.”

Dat is zijn laag en vuil gebed.

En ééns nog geeft hem Satan moed,

En giet hem kracht weêr in het bloed.

En nu spreekt hij nog eenmaal weêr:

„Ik ken haar niet!” en heft zijn hand

Ten hoogen, tot den Hemelheer,

En roept met kracht: „Als ’k in dit land

Of ergens elders in mijn leven

Haar zag, mag God een teeken geven:

Ik zweer ’t bij God en bij Gods woord!”

En onbeschaamd ziet hij in ’t rond,

En eensklaps, op dienzelfden stond,

Wordt daar een rauwe stem gehoord:

„Den moord’naar vloek! De moord! De moord!”—

Den voet vooruit, als moest hij voort,

De handen uitgestrekt, of spoken

Verschenen, om hem te bestoken;

Verglaasd van oog, met stopp’lend haar

De lippen kramperig opéén,—

Zoo stond de lage booswicht daar,

Gelijk een aak’lig beeld van steen.

De bliksem was op hem geschoten,

Het rijk der dooden was ontsloten,

En handen zonder vleesch of huid

Verhieven zich, de graven uit,

En wenkten hem. Ontroerd, vervaard,

Heeft hij die stem nog in zijne ooren,

En,—Satan heeft zijn spel verloren:

De moord’naar zijgt verplet ter aard.

„Dat was die stem!” zoo bromt hij uit,

Terwijl zich nauw zijn mond ontsluit:

„Dat is ze! Ik weet, wat zij beduidt!

Laat af! ’k Wil tot bekentenis komen!

Ik heb ’t gedaan!—En ook heb ik

Dien Jood het levenslicht benomen.”—

Zoo was in éénen oogenblik

De waarheid schitterend gewroken;

En toen het somb’re woord van moord

Daar van dien vogel was gehoord,

Toen had de Heere God gesproken.

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings