← Table of contents
Hanne Nüte en de kleine Poedel

10.

E. Laurillard translation

Dien avond, in den maneschijn,

Kwam Hanne in ’t stadje Stavenhagen,

En dacht, hij moest vóór alles vragen,

Waar daar voor hem logies mocht zijn.

Men wijst hem dan een herberg aan

Hij gaat er binnen, en blijft staan

In ’t zijvertrek, en roept: „Mag ’k weten,

Is dit hier ’t smeden-logement?”

Maar niemand, die zich tot hem wendt.

„Is heer noch vrouw, hoe die mag heeten,

Is niemand hier? Geen zoon of knecht?”

Maar niemand, die daar iets op zegt.

„Nu,” spreekt hij, „als geen mensch mij hoort,

Dan richt ik tot de banken ’t woord,

En tot de tafel; of die dan

Mij en mijn ransel kunnen wachten,

En of ik hier ook mag vernachten,

En morgen verder reizen kan.”

En met één worp, heel flink en vlug,

Gooit hij zijn ransel van den rug,

En gaat weêr bij de deurpost staan,

En vangt nog eens met vragen aan.

„Zijn soms ook and’re smeden hier?”

En nu bewoog zich toch een gast

Die in een hoek zat; schoof zijn bier

Een eind terug; en, met een zwier,

En een’ge stappen! zeer onvast,

Kwam hij van zijne zitplaats af.

Een smid, maar zonder arbeid, was ’t

Die nu de vraag tot antwoord gaf:

„Met uw verlof, van waar zijt gij?”

En ging zoo voort, en vroeg daarbij,

Waar Hanne had in dienst gestaan,

Wanneer hij was van huis gegaan,

En wat hij zoo al had gedaan.

En Hanne noemt hem dorp en land,

Van waar hij komt, en geeft bescheid,

Beleefd, maar flink en bij de hand,

Op elke vraag, hem voorgeleid.

Nu vraagt de dronken smidsgezel:

„Zijt gij de zoon ook van een smid?”

Johan zegt: „Waarom vraagt gij dit?

Maar, als gij ’t weten wilt, ja wel;

Dat ben ik. Wat ik weet en kan,

Daar heeft mijn vader de eere van.

En stond soms iemand in den waan,

Dat zulk een leer niet goed kan gaan,

Dat ik te zwak behandeld ben,

Dien wil ik toonen, wat ik ken

Van ’t vak;—en wie dan lust nog heeft

Tot spot, dien zal ’k voldoening vragen,

Die kan iets voelen van de slagen,

Waar vader onderricht in geeft.”

De smidsgezel, wiens lodd’rig oog

Een vuur’ge nevel overtoog,

Van ’t bier en van den brandewijn,

En die daarbij,—óók niet heel fijn,—

Wat pruimtabak ten bodem spoog,

Werd boos en honend. Van zijn kant

Kreeg Hanne een kitt’ling in de hand;

En ’t was hem, of, in moed en kracht,

Die ééne dag, die was verstreken,—

Er was zooveel gebeurd dien dag!—

Hem jaren verder had gebracht.

En als nu de and’re smaad gaat spreken

Van Hanne’s ouders, valt een slag

Hem op den neus, waarbij zijne ooren

’t Gedreun van honderd klokken hooren,

En al de sterren van de transen

Hem voor zijne oogen staan te dansen.

Toch houdt hij zich nog op de been.

Nu komen and’ren om hen heen,

En roepen: „Toe maar, dapp’re smeden!

Maar naar den regel!” En Johan

Schreeuwt wild: „Ja wel, daar houd ik heden,

Daar hou ’k in alle dingen van:

Steeds naar den regel,—zonder streken!”

En de andere, achteruit geweken,

Rolt op den grond. „Zeg! wil je zwijgen?”

Roept Hanne. „Of wil je meer nog krijgen?”

„’k Wil vrede,” is nu zijn antwoord, „vrede!”

Hij richt zich op; Johan helpt mede;

En beiden zetten zich den hoed

Weêr op; en de beschonk’ne doet

Zich hooren: „Smid! ik wil je vragen,

Of ’t jou, als mij, ook kan behagen,

Verzoend te zijn?”—„Ja,” zegt Johan,

Maar goed en naar den regel dan.”

De smidsgezel kijkt om zich heen,

En vraagt dan: „Is er uwer geen,

Die iets er tegen heeft, dat wij

Verzoenen?” Allen vallen bij.

En hij voegt dit nog daaraan toe:

„Als we ooit elkander weêr ontmoeten,

Dat wij elkaâr als vrienden groeten,

En niemand meer verwijten doe.”

„Dàt afslaan ware zonde en schand’!”

Zegt Hanne, en reikt de vriendschapshand—

Toen nu ’t verbond gesloten was,

Moest, zei men, daar een borrel bij.

Maar Hanne sprak: „Neen, niet voor mij!

Ik drink dat goed niet;” en het glas

Schoof hij dan ook terstond op zij,

En riep: „Hei, moeder! kom eens hier;

Geef liever mij een glaasje bier.”

De herbergierster keek hem aan,

Alsof zij meer hem had gezien,

En vroeg: „Is ’t moog’lijk? Kan ’t bestaan?

Zijt gij niet Snoet, en uit Gallin?”

„Ja,” antwoordt Hanne. „Wel, mijn kind!

Je vader was een goede vrind

Van mijn nu overleden man;

Je moeder ken ik ook sinds jaren;

En ik getuig er gaarne van,

Dat ze altijd brave menschen waren.”

Nu wenkt zij Hanne mee te gaan,

En als ze in haar vertrekje staan,

Ziet zij met strakken ernst hem aan,

En spreekt: „Wat is dat? Vechten? Slaan?

Gij zijt er veel te knap toe, gij,

Om met een kerel, zooals hij,

Een strijd te hebben;—echt gemeen

Is die gezel; en ’t is alleen

Het geld zijns broeders, dat hem nog

Voor spinhuis of gevang’nis spaarde.

Daarom, mijn jongen! schaam u toch,

En heb wat meer gevoel van waarde.”

„Ja moeder!” antwoordt nu Johan,

„’t Is iets, wat ik niet helpen kan.

’k Was nauw’lijks in uw huis getreden,

Of hij kwam op mij af, en ging

Met lagen spot en lastering

En onbeschofte geestigheden

Mijne ouders smaden; en ofschoon

’k Slechts logen vond in al zijn hoon,

Toch scheen ’t mij toe, dat hij hen kende.

Welnu, dat duldde ik niet, en ’k wendde

Een middeltje aan van tucht. Wie ooit

Wil doen, als hij, zal ’t zelfde krijgen;

Bij zulken schimp zal ’k nimmer zwijgen;

Zoo waar ik leef, ik duld dien nooit.”

„Nu, als het zóó is,” antwoordt zij,

„Dan heeft hij zijn pak slaag verdiend.

Maar toch, ik raad u aan, mijn vriend!

Ontwijk dien kerel; hoor naar mij.

Hij en zijn broêr zijn beiden slecht;

Ze zijn bekend, ook bij ’t gerecht;

Ook mompelt men,—ik weet het niet,—

Maar dat een moord eens is geschied,

Voor jaar en dag, diep in het woud,

Alleen door ’t oog van God aanschouwd.

Maar dit is zeker: na dat feit

Zonk deze hier in dierlijkheid,

En evenzeer is dit gewis,

Dat nu zijn broêr, die bakker is,

En op de markt daarginder woont,

Als man van midd’len zich vertoont.”

„Is dat zijn broeder?” zegt Johan,

„Dan vat ik alles nu er van:

De vent heeft vast zich willen wreken,

Omdat ik eens dien broêr van hem

Heb uitgeveegd, nog al met klem,

En flink langs de ooren heb gestreken.”

En nu vertelde hij ’t geval.

„Zoo, zoo? Ja wel: ’k begrijp het al,”

Zei toen de vrouw; „maar nog een keer

Moet ik u tot uw bestwil raden:

Bemoei u met die soort niet meer;

Zij kunnen niets doen, dan u schaden.

Maar, kom, mijn jongen! ga nu mee.”

Zij gaat naar boven met Johan,

En wijst hem daar een legersteê,

Waar hij dien nacht in slapen kan.

„Hier wensch ik, dat ge u neêr zult leggen:

Want niemand zal ooit mogen zeggen,

Dat in mijn huis de zoon van Snoet

Op stroo moest liggen. Slaap nu goed,

En wacht u voor dat laag gebroed.”

En toen Johan op ’t leger lag,

Herdacht hij nog eens weêr den dag.

Wat was er veel dien dag geschied!

Een dag van blijdschap en verdriet

Toen moeders liefde en vaders hand

Hem losmaakte uit den vroeg’ren band

En vrij en frank hem trekken liet,

Toen greep de wereld woest hem aan,

Woest, als een zee, wier wilde baren

Nu schuimend in de hoogte varen,

Dan dwarr’lend naar de diepte gaan.

Geen moeder is hem meer nabij.

Geen vader staat meer aan zijn zij.

Maar zachtkens vloeide een nieuwe min,

Tot hier hem vreemd, zijn boezem in;

En tevens viel de haat hem aan.

Toen zong de wereld in zijne ooren:

„Wat vroeger was, dat is verloren,

De kindsheid is voorbijgegaan.

Ik ben een groot betooverd slot,

En wien ik eenmaal binnenliet,

Die is geen heer meer van zijn lot;

Ik heb hem, en ’k ontsla hem niet;

Wie eens hier is, gaat niet licht voort;

Wie met mij ’t welkom heeft gedronken,

Die is aan mij als vastgeklonken;

Ook gij, Johan! ook gij behoort

Voortaan aan mij; span thans uw krachten,

Blijf nu maar streven, wenschen, trachten,

Of gij misschien het tooverwoord

Kunt vinden, dat van mijne poort

De sterke grendels kan verkrachten.”

Nu wordt het Hanne bang en naar;

Een zweetdrup hangt aan ieder haar;

En velerlei gedachten dringen

Zich in zijn hersens op elkaâr;

En kikkers kwaken, vogels zingen,—

’t Is in zijn hoofd een vreemd misbaar.

En ’t meest wordt hij beangstigd dàn,

Als hij zich vraagt: ben ik de man,

Die ’t groote woord ontdekken moet,—

Waarbij dat slot zich opendoet?—

„Slaap in, Johan! daar zijn er toch,

Die ’t vonden; slaap nu in, mijn kind!”

Zoo hoort hij, en nog eens, en nog;

’t Is, of de ruischende avondwind

Uit moeders mond dien groet hem bracht;—

En rustig sliep hij dòòr, dien nacht.

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings