19.
E. Laurillard translation
Bij Keulen ligt, aan d’oeverrand
Des Rijns, een steenblok in het zand;
En daarop zit, in diepen rouw,
Van dag tot dag een Joodsche vrouw.
Vol rimpels in haar oud gezicht;
Het matte hoofd naar de aard gericht,
En aan haar holle en donkere oogen,
Beschaûwd door witte wenkbrauwbogen,
Ontschiet een somber flikk’rend licht.
Steeds tuurt zij naar het oosten heen,
Met diep gezucht en stil geween;
Zij weent haar handen nat, die krom
En lam zijn, door den ouderdom.
Dáár toog hij heen, haar eenig kind,
Haar zoon, door haar zoozeer bemind,
Haar Izaäk, zoo sterk en schoon,
Haar levensvreugd, haar moederkroon!
Hier, bij dien steen, op deze plek,
Hier was de plaats van zijn vertrek;
Hier had zij hem voor ’t laatst gekust,
Hier ’t laatst vaarwel hem toegesproken;
Hier had zij ook den ring gebroken,
Waarvan de helft nog, met een band
Omstrikt, op haren boezem rust,
En de and’re helft— —in moord’naars hand!
Hier zit ze nu al jaar en dag,
En klaagt haar eind’loos wee en ach;
Bij winterkoû en zomergloed
Blijft steeds één wond in haar gemoed.
En, gaat zij huiswaarts, vol verdriet
Lispt dan haar stem: „Hij kwam nog niet;”
En, legt zij op haar bed zich neder,
Dan zegt ze: „Morgen ga ik weder.”
Geen mensch is bij haar. De oude weêuw
Heeft slechts één huisgenoot: een spreeuw,
Die langs haar heen en weder sluipt
En onder kast en kisten kruipt.
Dat dier had,—’t was al lang geleden,—
Zich laten vangen, en men had
Hem toen den tongriem losgesneden.
Wat hij nu dikwijls hoorde, dat
Herhaalde hij. Zoo riep hij ’t woord
Zeer dikwijls uit: „De moord! de moord!
En klaagde ook somtijds, dof en zwak:
„Mijn Izaäk! Mijn Izaäk!”
En riep dan weer, met luid misbaar:
„Vloek! Driemaal vloek den moordenaar!”
Dat beest is alles, wat zij heeft,
En wat die vogel hooren laat,
Is echo, die steeds wedergeeft
Wat haar door ’t hoofd en ’t harte gaat.—
En, naast haar stille en somb’re kamer
Hanteert Johan den grooten hamer,
Met ruime borst en forschen arm,
En werkt zich lustig moe en warm.
Het zwaarste werk is steeds voor hem;
En komt er iets, wat niemand kan,
Dan hoort men dra des meesters stem:
„Gaat weg maar, jelui!” Roept Johan!
Doch in de werkplaats niet alleen
Was hij geacht; maar evenzeer
Ook in de herberg; steeds, wanneer
Daar Hanne was, was iedereen
Recht goed geluimd; men hield er vreê;
Hij deelde aan allen vreugde meê.
Alleen als de oude smidsgezel,
Die booswicht, zich daarbij bevond,
Dan voelde zich zijn hart niet wèl,
Dan wou geen liedjen uit zijn mond.
Eens, toen hij nog wat buiten stond,
Nadat hij, om dien man te ontwijken
’t Gelagvertrek was uitgegaan,
Kwam wagg’lend een jodin daar aan;
Oud was ze en scheen haast te bezwijken;
Aamechtig blijft ze een wijle staan,
En grijpt een deurpost. Met een lach
Vol hoon en smaad komt nu de smid,
De dronken woest’ling, voor den dag,
Van uit het raam, waarbij hij zit,
En, met een schor en scherp geluid,
Jouwt hij haar onbarmhartig uit.
En de oude vrouw verneemt die stem
En kijkt naar ’t raam; daar ziet zij hem,
Hem met dat leelijk, boos gezicht,
Dat zij al kent, dat op den duur
Haar voorzweeft, ook in ’t nacht’lijk uur,
Als ze op haar eenzaam leger ligt.
Dat is de ellendeling, wiens beeld
Haar allen zielenvrede ontsteelt,
Dat is de satan, voor wien zij
Eenmaal een voetval heeft gedaan,
Om toch te weten,— — —„ja!” ’t is hij,
Die eens dien doodslag heeft begaan.
Gelijk een spook, een graf ontstijgend,
Richt zij zich voor hem op; en hijgend
En bleek breidt zij haar handen uit,
Die nu van zwakte en woede trillen;
En, op een toon, om van te rillen,
Vervloekt zij, aak’lig schril en luid,
Met alles, wat de menschenspraak
Ooit uitvond, om er vloek en wraak
En helleweeën meê te noemen,
Den snoodaard. Maar bij dat verdoemen,
Door vuur’gen haat haar hart ontlokt,
Vergaat haar laatste kracht, en stokt
Haar oude stem; en, diep geschokt,
Zinkt zij in onmacht neêr, maar toch,
Een vloek zweeft op haar lippen nog.
Johan, die alles heeft gezien,
Schiet toe, om bijstand haar te biên;
En tilt haar hoofd op, en hij legt
Het medelijdend in zijn arm.
Dat ziet de booswicht aan en zegt:
„Hoe heerlijk, jongenlief! hoe warm
En innig rust je schatje daar!
Je bent zoo saâm een aardig paar!”
En hiermeê slaat hij ’t venster dicht.
En Hanne, verontwaardigd, richt
Met luider stem nog ’t woord daarheen:
„Ja, schurk! Mijn arm zal haar beschermen;
Als hier geen mensch zich ging erbarmen,
Er kwam erbarming in een steen!”
Hij brengt haar bij: en nu, hij wacht
Een poosje nog, tot weêr haar kracht
In staat haar stelt, om voort te gaan;
Biedt op zijn arm een steun haar aan,
Terwijl hij vriendelijk en zacht
Haar toespreekt; en zoo gaat hij voort
Tot ze is, daar waar zij t’huis behoort.—
Daar had hij lang reeds, af en aan,
Haar daag’lijks in en uit zien gaan.—
Bij ’t binnentreden klinkt de schreeuw,
Zoo droevig-klagend, somber-zwak,
Hem tegen van den ouden spreeuw:
„Mijn Izaäk! Mijn Izaäk!”
Nu legt hij haar op ’t leger neder,
En aanstonds klinkt het woord daar weder,
Al krijschend, maar volkomen klaar:
„Vloek! Driemaal vloek den moordenaar!”
En de oude slaakt een bang gesteen;
Een huiv’ring siddert door haar leên;
De vogel klaagt en scheldt dan weêr;
En grauw valt de avondscheem’ring neêr,
En schaduwbeelden, op den duur
Steeds zwarter, sluipen langs den muur.
’t Is Hanne nu, of de oude dingen,
Die aan de wanden staan, rondom,
Zich om hem henen samendringen,
Herschapen tot een spokendrom;
’t Is Hanne nu, of voor en na,
Een deksel hier, en daar een lâ
Zich opent, zonder menschenhand,
En of daaruit dan schimmen kijken,
En rits’lend door de kamer strijken,
En zwervend dolen langs den wand,—
Ontstegen aan hun donk’re hoeken,
Om zuchtend eene daad vol schand’
En ongerechtigheid te vloeken.
Maar toch verliest hij niet den moed,
Verzorgt de grijze trouw en goed,
En als zij ’t oog soms opwaarts slaat,
Vraagt hij deelnemend, hoe ’t haar gaat.
Zij beurt ter helft zich op en legt
Haar hand hem op het hoofd, en zegt
Daarbij iets, wat hij niet verstaat;
Het is een taal, die hij niet kent.
Maar na dat vreemde momp’len wendt
Zij andermaal zich heen tot hem,
En spreekt met goed verstaanb’re stem:
„Ja, tand om tand, en oog om oog!
Zoo zeeg’ne God u van omhoog!
Gij stond mij in mijn jammer bij:
De God van Vader Abram zij
Uw schild, en zeeg’ne uw levenslot!
Zoo doe Jehovah-Zebaoth!”—
Nu, zegt zij, kan hij henengaan.
Hij gaat, maar ’t is hem vreemd om ’t hart;
Het is, als grijpt hem duiz’ling aan;
Hij heeft vandaag in menschensmart
Voor ’t eerst een held’ren blik geslagen;
Voor ’t eerst gezien de hel vol plagen,
Waar de een den and’re in nederstoot;
Het is, of een gewicht van lood
Hem drukt op ’t hart, en of zijne oogen
Van zware neev’len zijn omtogen;
Het is, of hij ook zit gesnoerd
Aan ’t koord van zonde en van ellende,
Dat hij zóó vroeger nog niet kende,
En op en neêr wordt meêgevoerd.— —
En sinds dien dag kwam meer en meer
Iets sombers in hem; en wanneer
De rust van d’avond ’t werk verving,
Bezocht hij de oude, telkens weêr,
Om te onderzoeken hoe ’t haar ging,
Hij sprak haar dan vertroostend aan;
Hij haalde water, hakte hout,
En al wat zij, zoo zwak en oud,
Niet kon, dat werd door hem gedaan.
Zoo kwam hij bij haar alle dagen,
En wist toch niet, waarom hij ’t deed;
’t Was meer dan deernis met haar leed;—
Die scheen ze ook niet van hem te vragen;—
’t Was meer ook dan nieuwsgierigheid:
Den sluier, op dien moord gespreid,
Kon zij, zoo min als hij, doen scheuren;—
Toch trok ’t hem aan, met haar te zijn.
En met en nevens haar te treuren,
Met weêrpijn van haar hartepijn.
’t Was of een vreemde tooverkracht
Gedurig weêr hem tot haar bracht.
En als hij daar niet wezen kon,
Dan stond hij dikwijls en verzon,
Of hij toch ’t middel niet kon vinden,
Om van ’t geheim den knoop te ontbinden.
Verloopen was het tweede jaar,
Vertrokken was weêr de ooievaar,
Vertrokken was de nachtegaal,
De lijster en een gansche stoet,
Maar geen had toen voor hem een taal,
Geen had voor hem een vriendschapsgroet.
Geen vogel hoort de werkman zingen,
Die bij den fellen, laaien gloed
De tang hanteert en zwenkt den hamer;
En tot de duist’re jodenkamer
Vermag ook ’t lied niet door te dringen,
Slechts de ooievaar had hem zien staan,
Bij ’t overvliegen van den Rijn,
En was hoofdschuddend voortgegaan,
En had daarbij toen dit gezegd:
„Hoe kunt ge zoo kleinmoedig zijn?
De zaak, die gij zoo overlegt,
Is ònze zaak, en komt terecht.”
Maar ook zijn makkers schudden ’t hoofd:
Hij was gansch anders dan voorheen,
Hij was van vreugd en fleur beroofd,
En leefde voor zich zelv’ alleen.
Zijn arbeid deed hij, als weleer,
Maar ook niets anders, en niets meer;
Geen grap, geen scherts, geen jokkernij:
Dat was voorbij, geheel voorbij
Zij lieten hem een poos begaan,
Maar spoedig ving het plagen aan;
Eerst fiuist’rend nog, maar dra ook luid.
Kwam toen de dart’le spot er uit.
Of hij misschien die oude vrouw
Tot echtvriendin zich kiezen zou,
Of enkel van haar erven wou.
En, was eens Hanne niet er bij,
Dan gaf de booze smidsgezel
Steeds voedsel aan die spotternij.
En in de smederij, zoowel,
Als in de herberg,—allerwegen
Kwam hem geplaag en schimpscheut tegen.
Zijn meester spreekt hem ernstig toe:
„Hoe zijt ge zoo,—ik weet niet hoe,—
Zoo vreemd, zoo anders dan weleer?
Gij waart zoo opgeruimd voorheen,
En hadt ook vreê met iedereen;
Maar dat is nu al lang niet meer;
Hoe kwam daar zoo’n verand’ring in?
Wat hebt gij toch met die Jodin?”
„Niets heb ik met haar,” zegt Johan;
„Niets, wat een ander aangaan kan.
Gij echter, die mij al den tijd,
Dien ’k bij u heb in dienst gestaan,
Een trouwe vriend gebleven zijt,
En immer mij hebt goed gedaan,
Gij zijt bevoegd, er naar te vragen:
Die oude vrouw had zware slagen;
’k Beklaag het arme mensch; dat is ’t.”—
„Arm is zij niet; in kast en kist
Heeft ze,—ieder weet het,—geld en goed
En kostbaarheên in overvloed.
Maar zie toch in, dat zij, gewis,
Voor jou geen goed gezelschap is.
’t Verkeer met haar kan slechts je schaden;
Dus, wees voorzichtig; laat je raden;
Zoek haar niet meer zoo op; men zegt
Veel leelijks en veel laags van haar;
Ga,—dan komt alles weêr terecht,—
Weêr naar de herberg heen, alwaar
Gij de oude en u bekende vrinden
Gedurig weder saâm kunt vinden;
Doe daar weêr vroolijk met hen meê,
En wees geen uil meer bij de kraaien;
Zaai vreugd en gij zult vreugde maaien.”
Wat hem zijn meester hooren deê,
Dat bleef, bij ’t heengaan, in zijn ziel.
Toen hij de werkplaats intrad, viel
Zijn oog wel op den smidsgezel,
Die heimlijk-sluipend, maar toch snel,
Er uit ging; maar dat was wel meer
Gebeurd, en dus ook dezen keer
Dacht daar Johan niet verder aan.
Doch toen hij aan zijn werk wou gaan,
Zocht hij zijn hamer vruchteloos;
Den hamer, dien hij nog altoos
Op ééne plaats leî bij de hand,
En waar een kruis stond ingebrand,
Van acht’ren in den steel. Met wrevel
Rukt hij zich ’t schootsvel af, en zegt;
„Ik zie den hamer niet; en, evel,
Ik heb hem gist’ren hier gelegd;
Nu, goed! Wanneer hier alle zotten
Het eens zijn, om mij te bedotten,
Daar ligt de boêl!”—En hij gaat heen.
Zijn makkers lachen; maar van één
Dier makkers wordt het woord vernomen:
„Snoet! gaat gij Maandag-houden heden?
Wacht even; wij ook zullen komen,
En dan u leeren, wat den leden
Van ’t vak betaamt.” En bij dat woord
Voegt Hanne nog den spreker toe:
„Wij zullen zien,” en hij gaat voort.
Maar onderweg bedenkt hij, hoe
Het was bedoeld. Ja, wel, ’t is waar,
’t Is Maandag juist: en de ambachtslieden
Vergaad’ren heden met elkaâr;
En voor hetgeen daar moet geschieden
Staat in de herberg ook reeds klaar
De kist van ijzer, die den schat
Der akten van het gild bevat.
„Dat komt me intijds nog voor den geest,”
Denkt Hanne; „zou die kerel meenen,
Dat ’k bang ben? Neen, ik ga er henen;
Ik ben nog nooit bestraft geweest
Vanwege ’t gild, en nooit bekeurd;
’k Wil wel eens zien, wat nu gebeurt.”
[
Inhoud
]