26.
E. Laurillard translation
Kris zit voor ’t venster, en hij praat
Heel levendig met zijn papa.
„Ja,” zegt hij opgetogen, „ja!
We zullen, als ’t niet tegenslaat,
En dan is ’t uit met onze zorgen
En nooden, en ons Fieken krijgt …”
Op eenmaal houdt hij op en zwijgt;
’t Is, of daar iemand komt;— —ja wel!
Hij luistert,—’t is zoo!—en heel snel
Vliegt hij van ’t raam af, en hij zet
Zich neder onder Fieken’s bed.
De deur gaat stil en zachtkens open
De bakker komt er ingeslopen.
Hij haalt met spoed een sleutel uit,
Waarmeê hij Fieken’s kist ontsluit;
Werpt iets, wat blinkt en klinkt, daarin,
Sluit weêr de kist, en bromt: „’t is klaar!
Heen wil je? Nu, je krijgt je zin:
Heentrekken zal je ook, zie je?—maar
Den weg zal ik je wijzen;—dáár,
Daarginds, in ’t raadhuis, is een plek,
Waar jij kunt zitten; een vertrek,
Waar stilte en tijd je wordt gegund,
En waar je dus bedenken kunt,
Waarom je mij dorst tegenstaan.”
Hij gaat, en als hij is gegaan,
Komt Kris weêr onder ’t bed vandaan,
En zegt: „Daar heb ’k geen hoogte van!
Wat heeft hij in die kist gesmeten?”
Zijn vader heeft een poos gezeten
Diep in gedachten, en geeft dan
Het antwoord: „’k Wil eens overleggen
Met moeder, wat die wel zal zeggen,
En of die dat verklaren kan,
Althans, er eenig licht in heeft,
Maar dit zeg ik: niet goed kan ’t wezen,
En ’t ergste is voor een elk te vreezen,
Wien Satan zilv’ren lepels geeft.”— —
De burgemeester is aan ’t werk.
Een groot pak acten is gekomen,
En „Keulen” staat er op, als merk,
En als hij ’t heeft uitééngenomen,
Rolt òòk nog een klein pakje er uit.
Hij breekt het lak los, en ontsluit
’t Papier, en vindt een halven ring.
„Hé!” zegt hij, „wat beduidt dat ding?”
Nu neemt hij de acten en vangt aan
Met lezen; diepe frons’len trekken
Zich in zijn voorhoofd, en ze gaan
Al dieper en al vaster staan.
„Is ’t moog’lijk?” roept hij, „dáár te ontdekken,
Wat hier voor jaren is gedaan!”
En weder leest hij verder voort,
En spreekt: „’t Is vreemd! Na zooveel jaren!
En hier een moord en daar een moord!
En juist van hier de moordenaren!
Hij leest ten einde toe, en legt
De kin zich peinzend in de hand,
En denkt zich bijna stomp, en zegt:
„’t Is vreemd! Een wonderbaar verband!
Maar hoe is ’t moog’lijk?—Deze man,
Met wien ik,—hoe ongaarne dan,—
Zoo goed als daag’lijks zaken had,
De rijkste burger van de stad,—
Loopt die zoo lang reeds onvervaard
Hier rond, met zulk een schuld bezwaard?”
Er wordt geklopt.—„Doe open maar!”
De burgemeester ziet, verschrikt,
Dat daar de bakker is, en blikt
Hem aan, alsof ’t een adder waar’,
Die, eer hij ’t wist, reeds giftig beet;
En, blozend, of hij zelf misdeed,
Bedekte hij het actenpak
En stak den ring zich in den zak.—
„Wat wenscht gij?”—„Ja! ik heb een zaak,
Die ’k haast maar liever had gezwegen;
Maar, och! ze komt toch op de spraak,
Wat ’k doe of niet; wie kan daartegen?
Mijn meid gaat uit mijn dienst vertrekken,
En, bij een onderzoek, dat ’k deê,
Moest ’k tot mijn grooten schrik ontdekken.
Ik miste zilv’ren lepels,—twee.
Geef mij, als ’t kan, een dienaar meê,
En laat die in ’t geheim de hoeken
Van hare kleêrkist eens doorzoeken,
Daar in mij de overtuiging leeft,
Dat zij ze mij ontstolen heeft.”
Maar de achtb’re heer heeft zich hersteld:
„Vast! daar dient kennis van genomen,”
Zoo zegt hij; „maar ik zelf zal komen,
En van een raadsheer vergezeld.”— —
Nu, dat gebeurde. En toen ze kwamen,
Toen stonden Fiek en vader Smidt
Verlegen en ontsteld te zamen,
En dachten: „Wat hier achter zit,
Begrijp ik niet; hij heeft gezeid:
Niet heengaan!—en nu de overheid!”
Fiek ziet daarbij haar vader aan,
Zoo angstig en zoo vreemd te moê.
De burgemeester spreekt haar toe:
„Gij hebt uw kist al dichtgedaan,
Maar meisje! die moet nog eens open.”
„Mijn kist? Mijn kist? Maar ’k wil toch hopen,
Dat ik hier niet”— — —en daarop sloot
Zij zich aan vader, bleek van schrik,
En stond daar zoo een oogenblik,
Alsof de bliksem langs haar schoot.
„Wat nu?” zoo vaart haar vader uit,
„Ik weet niet, wat dat hier beduidt!
Wie geeft aan iemand hier het recht,
Om zulke midd’len aan te wenden?
Wie is er, die van haar wat zegt?
Wie is er, die haar naam durft schenden?”
De bakker kan wat in hem spookt,
’t Venijn, dat in hem bruist en kookt,
Niet meer bedwingen, en hij bijt
Den vader toe: „Kom, open maar!
Ik ben mijn zilv’ren lepels kwijt;
En, ’k weet heel goed, die zitten daar!”
„Wat! Lepels?” roept nu Smidt verwoed,
Met beurtelings koud en ziedend bloed.
„Hier, Fiek! je sleutel!” En hij trekt
Den sleutel uit haar zak. „Welaan!
Zoek nu dan maar, of je iets ontdekt,”
Zegt Smidt, en gaat bij ’t venster staan
Met Fiek, en kijkt dan door de ruiten,
Voor de uitkomst niet bevreesd, naar buiten.
En Jochem zit daar voor het glas,
in kijkt nieuwsgierig strak naar binnen,
En roept: „Kom, Krisje, hou je kras!
Nu zal jou groote taak beginnen;
Trek nu één lap eerst van de jas
De kamer in; is dat gemerkt,
Dan zorg je, dat je een tweede stuk
Van uit het hol naar buiten werkt.”—
Inmiddels is men nu al druk
Aan ’t zoeken, en men woelt en wroet
Het klein en schamel beetje goed
Al om en om.—De burgemeester
Ziet steeds den bakker in ’t gezicht
Bij deze hand’ling, en hij leest er
Een blijdschap op, die open ligt,
Ofschoon zij zich te mask’ren tracht.
Ook merkt hij, dat de bakker wacht,
Het oog steeds op één plek gericht.
En, ja! juist op die plek verscheen
Het zilver.—„Hier!” zoo roept er een,
„Hier zijn ze!” En allen staan daar stom;
En vader Smidt ziet haastig om,
En vraagt bestorven: „Zijn ze daar?”
Zijn oogen schieten heen en weêr,
En, ’t hoofd verward, het harte zwaar,
Zinkt hij op ’t bed van Fieken neêr,
En zucht: „Die daad hebt gij begaan!
Kind! hebt gij dat van ons geleerd?”—
En zij, van droefheid overheerd,
Ziet hem zoo bang, zoo smeekend aan
En roept, terwijl zij nederzakt,
En snikkend zijne knieën pakt:
„Neen, vader! ’k heb het niet gedaan!”
En met een blik vol diepe smart
Legt zij zijn hand zich op het hart,
En spreekt: „Leg af dien wreeden waan:
Ik kan voor u en God bestaan!”
Maar ziende op zijn gelaat, als steen
Zoo koud, zoo bleek, wendt zij zich nader
Nu naar den burgemeester heen,
En smeekt: „Och! zeg iets tot mijn vader!
Één woord, mijnheer! één woord alleen!”
Haar oog staat wild, en zwak en zwakker
Slaan hare polsen;—en zij ziet
Verward in ’t rond; zij ziet den bakker,
En gilt: „Weg! Weg! Die kerel niet!”
De burgemeester treedt nu nader
Tot den geschokten, droeven vader,
En troost hem nog, zoo goed hij kan,
En beurt Fiek van den grond, en dan
Geeft hij den oude zijne hand,
Die nu weêr opzit op den rand
Van ’t bed.—„Gij zijt een eerlijk man,”
Zoo spreekt hij vriendelijk hem aan;
„En met uw kind zal ’t ook wel gaan.”
Het arme schaap slaat innig teeder
Haar armen om hem heen, en hij,
Hij fluistert in zich zelv’ daarbij,
En fluistert telkens ’t zelfde weder:
„Neen! neen! zij heeft het niet gedaan!”
En als zij aan zijn boezem rust,
En als, terwijl haar mond hem kust,
Gedurig weêr een heete traan
Op zijne hand valt van haar koon,
Zegt hij op vasten, zeek’ren toon:
„Zij deed het niet! ’t Kan niet bestaan!”
Terwijl de vader zoo in ’t end
Zijn kind weêr in heur waarde erkent,
Heeft nog de assessor rondgevoeld
En in de lappen omgewoeld.
„Zie! ’t is opmerk’lijk!” zegt hij; „zie!
Deez’ lappen hier, en die, en die,
Zijn van een jas;—dat is heel klaar!—
Daar heeft de kraag gezeten,—daar;
Het laken is nog niet gesleten,
Maar is ten deele stukgereten,
Deels van de muizen doorgebeten,
En stoff’rig is ’t;—hoe kreeg zij dit,
En waar vandaan, in haar bezit?
Men vraagt het haar. Zij zegt terstond:
„Ik vond die lappen op den grond.”—
„Op welke plek is dat geweest?”
„Alom; maar bij den schoorsteen ’t meest.”—
De burgemeester ziet haar aan
En twijfelt: „Wil de waarheid zeggen!
Waar kwam hier dan dat goed vandaan?
Wie kwam dat op den vloer hier leggen?”
Maar, zie! de raadsheer heeft al vast
De meeste stukken saâmgepast,
En wijst den kraag ook. „Zulke kragen
Heeft men vóór twintig jaar gedragen,”
Zoo spreekt hij:—„die men heden ziet,
Zijn van de halve grootte niet.”—
De burgemeester staat verslagen
Een bruine jas?— —Voor twintig jaar?— —
Zou ’t moog’lijk zijn?—Maar ’t was toch raar!—
Zou nu nog licht daarover dagen?—
Hij ziet den bakker aan; die staat,
Alsof voor zijn verbijsterde oogen,
Een zwarte wolk wordt opgetogen,
En òm hem alles dwarr’len gaat.
’t Is aak’lig stil. Geen enkel woord
Wordt nu van iemand daar gehoord,
Totdat de burgemeester zegt:
„Laat alles worden neêrgelegd,
Wat in de kist is, op den grond.”
En toen men dat verrichtte, vond
Een dienaar iets, waarbij hij sprak,
Terwijl hij ’t in de hoogte stak:
„Zie hier, mijnheer! een glinst’rend ding!
De helft is ’t van een gouden ring!”
De burgemeester nam het aan.
Hoe is dat toch? Hoe kan ’t bestaan?
Dat stuk lag t’huis toch, bij zijn acten;
Wat wond’ren zijn dan hier geschied?
Hij stond verplet; de handen zakten
Hem neêr bij ’t lijf.—Op eens, daar ziet
Hij licht in die geheimenis:
Dit is de wederhelft gewis!—
Hij vraagt den bakker: „Kent gij niet
Dit stuk?”—Die neemt het in zijn hand,
Maar spreekt, terwijl hij zich vermant:
„Dat heeft zij vast, ik weet niet hoe,
Gestolen; maar ’t komt mij niet toe,”
Nu ondervroeg men Fieken weêr:
„Hoe komt dat ding in uwe kist?”
Haar antwoord was, dat zij ’t niet wist;
Van haar was ’t niet; zij wist niets meer.
Toen zuchtte zij en weende zeer.
Hier werd nu alles duist’re nacht,
Waarin door gissen en door vragen
Geen licht kon worden aangebracht,
Maar nu roept Jochem Krisje zacht,
En spreekt: „Mijn zoon! wil niet vertragen!
’t Is tijd nu! Kom! Aan ’t werk met kracht!”
En Krisje, wakker, vlug en knap,
Sleept uit het hol een bruinen lap.
„Kijk!” roept de raadsheer, „wonderbaar!”
Ziet gij dien bruinen lap weêr daar?
Dat is een and’re; ja, voorwaar!
Want hier, hier liggen bij elkaâr,
Die ’t eerst ons kwamen in de hand;
En niemand onzer is dien kant
Ook uit geweest; en—zie eens!— —weêr
Zoo’n lap daar aan de schoorsteenzij!
Een vogel trekt hem op en neêr.”
Hij loopt en komt er dichter bij,
En bukt, en ziet, dat kleine Kris
Nu met een derden bezig is.
„Kijk!” roept hij, „nòg een! Maar ik vat
Nu niets er van, want ’k zag heel klaar,
Dat deze kleine vogel daar
Hem optrok uit dat muizengat.”—
Verpletterend beroert de schrik
Den bakker in dit oogenblik;
Hij moet zich houden aan den wand,
Hij rilt van koude en klappertandt,
En toch, ten zelfden tijde staat
Het paar’lend zweet hem op ’t gelaat
Geen wolk belet nu meer ’t gezicht,
Op zijne daad; zij treedt in ’t licht,
De burgemeester grijpt hem aan
En vraagt hem: „Wat is hier gedaan?
Weet gij er van, wat dat beduidt?
Spreek op! Wat komt hier onderuit?”
Bang en gejaagd kijkt hij in ’t rond,
En bromt iets binnen in den mond,
En wil de deur uit. „Sta daar, man!
Voegt hem de burgemeester toe;
„Er uit gaan,—neen! daar komt niet van;”
En spreekt dan tot den dienaar: „Doe
Hier aanstonds timmerlieden komen;
De vloer moet worden opgenomen.”—
Ze komen.—„Maakt eens los dien grond!
Het eerst hier, bij dit muizengat.”
Zoo doen de werklui ook terstond;
En één van hen zegt: „’t Schijnt wel, dat
Die planken hier nog wel eens meer
Zijn los geweest.”—Men breekt al weêr,
En zie! toen men iets verder was,
Daar lag een bont en zijden vest,
En daar benevens ook de rest,
De helft nog van een bruine jas.
De burgemeester wendde nu
Zich af en gaf een hand aan Smidt
En zei: „We merken al, hoe ’t zit;
Ik vind geen reden meer, om u
Te houden; gaat naar huis; en dra
Komt, denk ik, Fieken u wel na.—
En gij, kind lief! wees wel te moe;
Uw hand is rein; goed zal ’t u gaan;
Ik zeg u mijn bescherming toe,
En ’k neem in mijnen dienst u aan.”
En na dat goed en vriend’lijk woord
Spreekt hij, met somber, streng gelaat,
Den booswicht toe, die voor hem staat,
En beeft, en de oogen neder slaat:
„U neem ’k in hecht’nis wegens moord!”— —
[
Inhoud
]