15.
E. Laurillard translation
Toen ’t rits’len van den najaarswind
Langs ’t stoppelveld zich voortbewoog,
Toen lagen blij en eensgezind
De drie in ’t gras; hun zwervend oog
Keek naar de bergen en de boomen,
Die d’ouden, groenen Rijn omzoomen;
En hun gemengde lied’ren rezen,—
Nu eens van dien en dan van dezen,—
Frisch in de morgenlucht omhoog,
Vervloeiend in d’azuren boog.
En of daarbij het eene lied
Op ’t and’re past, dat deert hen niet:
Elk zingt maar wat hem ’t best bevalt,
Maar zingt van harte, en daardoor schalt
Die toon daar rond, zoo rein en blij,
Die dàn slechts klinkt, als ’t hart nog vrij
Zich voelt, en vol van poëzij,
En die in onze laat’re dagen
Alleen nog in eene echo leeft,
Maar, óók nog zóó, ons kan behagen,
Ook zóó, nog zooveel zoetheid heeft.
De lust is ’t, die zich uiten moet,
Wanneer des Heeren majesteit,
Des Heeren stille heerlijkheid,
Zich in een hart gevoelen doet,
Dat vroolijk, jeugdig nog en frisch,
En door geen zorg gebroken is.
Dan vraagt men niet,—als ’t dor gemoed,—
Wat beter klinkt, wat minder goed,
Wat meer, wat min gepast zou zijn;
Dan is daarbinnen zonneschijn,
Die zich zoo lang niet op laat sluiten;
Wat in de ziel is, moet naar buiten,
En of het past er bij, of niet,
Aan ’t volle hart ontwelt een lied.—
De metselaarsgezel, die één
Gezang in zijn geheugen had,
Maar ook slechts één en anders geen,
Had steeds voor zich genoeg aan dat.
Hij zong het zacht, wanneer de smart
Zich had gelegerd in zijn hart;
En luid en hoog, wanneer de vreugd
Hem met haar bloemen had verheugd;
Bij zijn gelach, bij zijn geween,
Zong hij steeds dat, en anders geen:
„Weemoed is ’t, die mij door ’t harte beeft,
Daar mijn schat, het schoone, lieve kind,
Door mijn ziel zoo rein en warm bemind,
Hare trouw, helaas! gebroken heeft.
Hare tanden waren wit als krijt,
Wit als krijt, ja! en op ied’re koon
Bloeide een roos,—o! wonder-, wonderschoon;
En ik had mijn leven haar gewijd!
Na den dag, toen zij haar trouw verbrak,
Lag ik neêr een ganschen langen nacht,
Altijd wakker, daar ik overdacht,
Welk een doorn mij in het harte stak.
Vaar dan wèl, gij, ongetrouwe maagd!
Ik ga henen over berg en dal.
Als uw oog niet meer me aanschouwen zal,
Kan ’t wel zijn, dat gij ’t u nog beklaagt.
En als eens de tijding zich verbreidt,
Dat ik rust in ’t verre, verre land,
Roerloos rust in ’t kille, dorre zand,
Kan ’t wel zijn, dat gij er nog om schreit.”
„Nu,” zegt de snijder, „slecht is ’t niet;
Maar ’k vind het toch zoo’n treurig lied;
Het klinkt zoo droef, zoo somber zacht;
’t Klinkt als de doffe en schorre horen,
Van d’ ouden wachter op den toren,
Bij valen, grauwen najaarsnacht.
En als ik niet de volle pracht
Gezien had van je roode wangen,
Dan had mij vast de vrees bevangen,
Dat je al naar ’t kerkhof werdt gebracht.
Neen, vrind! als je anders niet kunt geven,
Hou verder dan je mond maar toe;
Er moet in ’t zingen lust en leven
En gloed zijn. Hoor, hoe ik dat doe.
Een snijder wou een huw’lijk doen;
Maar goed.—Hij zocht, zoo slim, als koen,
Een gravenkind te trouwen.
Hij koos zich eerst een schoon blazoen:
’t Gaf „Schaar en Naald” te aanschouwen.
En in den rand werd mê en blê,
En nog eens blê en weder mê,
En al zoo voort, gelezen;
Dat zou zijn schildspreuk wezen.
En toen hij nu met „Naald en Schaar,”
Zijn schatje voerde naar ’t altaar,
Toen liet al ’t volk zich hooren:
„Die bruigom,—dat is zonneklaar,—
Moet snijder zijn geboren.”
En de een riep lachend mê en blê,
En de ander spottend blê en mê.
En luider steeds en wijder
Weêrklonk ’t: „Die graaf is snijder!”
En toen hij kwam aan ’s keizers hof,
En daar zijn wapen de aandacht trof,
Toen schertsten de edelknapen:
„Die man heeft recht op eer en lof,
Om ’t scherpe van zijn wapen!”
En aanstonds klonk het dáár ook: mê
En blê, en weder mê en blê.
’t Scheen, dat geen mensch kon laten
Het plagen en het blaten.
De keizer zelf lacht om den man,
En houdt den buik zich vast er van,
En proest naar alle zijden;
En roept: „Brengt hier een el, dan kan
Die ridder daarop rijden.”
En weder ging het mê en blê,
Den ganschen kring door: blê en mê.
En ook de bruid,—die wreede!—
Deed nu met de and’ren mede.
Toen ging de nieuwe ridder heen
Van ’t hof, waar hij nooit weer verscheen,
En liet zijn bruid maar zitten;
Maar hoorde steeds bij iedereen
Nog ’t plagen en het vitten.
Doch als een deern soms blê of mê
Hem nariep, en dan mê of blê,
Dan sprak hij: „Dat mijn wrake,
Vermetele! u niet rake!”
Dus, brave snijders! leert hieruit:
Zoekt nooit een gravenkind tot bruid,
En wilt aan ’t hof niet komen;
Want anders wordt door u ’t gefluit
Van meid en knecht vernomen.
Maar, elleridders! als een maagd
Ooit mê of blê te roepen waagt,
Dan moet ge uw gramschap blusschen,
Door dapper haar te kussen.”
„Gij beiden zingt,” spreekt nu Johan,
„Slechts boekentaal; maar ik, ik kan
Je een lied doen hooren, dat met kracht
Je tot het hart spreekt;—geeft goed acht,
En let goed op, wanneer ’t uw tijd
Om met mij in te vallen, is;
Dan klinkt de zang heel schoon, gewis.
Als gij platduitsch van oorsprong zijt,
Verzaakt dan, vrinden! ook in ’t lied
Uwe afkomst en uw maagschap niet.
Ik weet eenen eik, en die staat bij de zee;
Met loover gekroond is zijn hout;
En, spelen de stormen van ’t Noorden er meê,
Hij is toch al duizend jaar oud.
Geen menschenhand
Heeft hem geplant;
Hij spreidt zijne takken wijd uit over ’t land.
Hier heeft hij een knoest en daar heeft hij een kwast;
Geen bijl en geen zaag, die hem schond.
Zijn schors is zoo ruw en zijn hout is zoo vast,
Alsof hij betooverd daar stond.
En welgedaan
Zal hij nog staan.
Als weêr duizend jaren in ’t Niet zijn vergaan.
Eens zag hem de koning, die daar, met zijn vrouw
En dochter, kwam wand’len aan ’t strand;
En riep: „Wat een prachtvolle boom, dien ’k aanschouw!
Hoe ver dekt zijn lommer het land!
Van waar toch kwam
Hier deze stam,
Zoo grootsch en zoo schoon, door de vlucht, die hij nam?”
Toen antwoordde een jonkman hem: „Machtige heer!
Hoe vorscht ge dit alles zoo na?
Gij hebt u daar nooit om bekommerd weleer,
Uw kind niet en ook niet uw gâ.
Door rijke liên
Werd niet gezien,
Dat hier ook een boom stond, en wat die kon biên.
En toch, hij staat groen nu en welig en frisch,
Ofschoon hij maar boeren behoort;
En trotsch zijn we, dat hij ons eigendom is,
Het is: onze taal en ons oord.
Zij wiesen vrij
En bloeien blij;
Maar kunstwerk of vorstengunst kwam er nooit bij.”
Toen reikte de dochter des konings haar hand
Den jonkman, zoo rond en zoo fier,
En sprak: „Steekt de stormwind ooit op in ons land,
Dan zoek ik mijn toevluchtsoord hier:
Wie eigen goed
Zoo kreeg en hoedt,—
Bij dien is men veilig, als ’t noodgetij woedt.”
En toen zijn zingen was aan ’t end,
Toen was ’t, als werd daar iets bewogen;
En toen hij zich had omgewend,
Stond hem de smidsgezel voor de oogen.
Een duivelsche en verglaasde gloed,
Straalde uit zijn blik; en in zijn trekken
Was aak’lig duidelijk te ontdekken
De zondigheid van zijn gemoed;
En haat en valschheid zag men zweven
Om zijne lippen, blauw als lood;
En als een lach daarover schoot,
Dan was ’t een lach, om bij te beven.
Vervallen was hij en vergrijsd,
Een leelijk beeld in vuile lijst.
„Zoo!” riep hij, met een woesten vloek,
Hier is te vinden, wat ik zoek:
Gij zingt hier zoo uit volle borst;
Dan zal ook wel de brandewijn
Niet ver van hier verwijderd zijn;
Geef mij een slok; ’k heb altijd dorst.”
De drie gezellen sprongen op;
De vreugd was weg, ’t genot vergald,
Gelijk, als op een rozeknop
Op eens een gifspin nedervalt.
„Wat is ’t, dat ge u met ons bemoeit?”
Zoo spreekt Johan, in toorn ontgloeid,—
„Ga gij uw weg; laat ons met vrede.”
En beî zijn makkers spraken, mede:
„Laat ons met rust en ga voorbij.”
En met dat woord vertrokken zij.
Maar de and’re riep: „Ik ben toch vrij;
En ’k laat mij hier geen wetten stellen.
Maar, wacht maar, vroolijke gezellen!
Wij spreken nader,—gij en ik!”
Hij ziet hen na met valschen blik,
Gelijk de Nijd, een hel in ’t oog,
’t Geluk gewoon is na te staren.
En, schoon ’t Geluk ook nòg zoo hoog
Van uit het stof is opgevaren,
De Nijd, al is zijn gang niet snel,
Al is hij lam, bereikt het wel,
En zonder deernis of erbarmen
Verworgt hij ’t in zijn knokk’lige armen.
[
Inhoud
]