14.
E. Laurillard translation
Uit de ene streek naar ’t andere oord,
En over bergen en door dalen
Zet Hanne steeds zijn tocht nog voort.
En als hij ’t lied der voog’len hoort,
Houd hij daarbij nog enk’le malen
Zich op,—of hij ’t nog kan verstaan;
Doch sinds hij weet heeft van een maagd,
Die in haar hart zijn beelt’nis draagt,
Is deze kunst voor hem vergaan.
Maar ’t schaadt niet, want in zijn gemoed
Klinkt nu eene and’re stem, en doet
Hem woorden, o! zoo zacht en zoet,—
De woorden liefde en weêrzien,—hooren.
Zijn hart is nu ontwaakt, herboren,
En spreekt met hem den ganschen dag,
En roept hem toe, met elken slag:
„Sla flink er op! Sla flink er op!
Sla ’t ijzer flink en vlug!
Gij liet tehuis een rozeknop,
Een roos vindt ge eens terug!”
Dat was geen zuchten en geen steunen,
Dat was geen kermen en geen kreunen,
Geen blinde hartstocht, en ook niet
Een week en ziekelijk verdriet;
Maar ’t was een frissche levensmoed,
Die ’t harte juichen, juub’len deed:
Het ijzer werd door hem gesmeed
In hoogen lust en reinen gloed;
En waar hij werkte, was hij ras
Gelijk een zoon van ’t huisgezin;
En als hij henenging, dan was
Een sprank van ’t wondervuur der min
In menig hartje stil ontvonkt,
En werd hij lang nog nagelonkt
Door menig meisje, dat dan dacht,
Of ook wel zei, maar zacht, heel zacht:
„Vaarwel, vaarwel op al uw wegen!
God moge u zeeg’nen voor en na!
En,—waart gij ooit of ooit genegen,— — —
’t Kon zijn!— — —ik had dan niets er tegen,
En moeder zei dan óók wel: „Ja!””
Maar toch, de jonkman trok steeds verder,
Gedachtig, dat de eerwaarde herder
Van ’t kleine troepje van Gallin
Hem had gezegd: hij moest niet dralen,
Uit alle streken kennis halen,
En heel veel van de wereld zien.
En,—zou ’t hem al wat moeilijk zijn,
De reis tot Jena uit te strekken,
Hij voelde toch zijn harte trekken
Naar de oevers van den groenen Rijn.
Zoo reist hij voort.—Eens, ’s avonds laat,
Treft hij een paar gezellen aan,
Die ook denzelfden weg uit gaan;—
De een is een snijder, en zijn maat
Een metselaar.—Een korte prop
Is ’t snijdertje; die heeft van voren
Een bult, en óók een achterop,
Die van fatsoen gansch saâm behooren.
De twee gezellen, blij te moê,
Zien onzen Hanne vroolijk aan,
En spreken vriendelijk hem toe,—
Maar in het Hoogduitsch.—En nu gaan
Die drie een herberg in; en daar,
Daar vinden ze ook een kamer klaar;
Wel is er maar één slaapvertrek,
Maar, goed, zij deelen stroo en dek,
Alsof hun vriendschap oud reeds waar’.
En ’s morgens, als ze verder gaan,
Dan spreken vaak de twee gezellen,
Elkander in het platduitsch aan;
En meenen, wat zij zóó vertellen,
Kan toch die vreemd’ling niet verstaan.
Zoo hoort Johan, wat zij verhalen;
Ook hoort hij af en toe, dat zij
Van hèm in scherts en spotternij
Gewagen, maar loopt stil er bij,
En denkt: „Ik zal ’t je wel betalen.”
„Waar,” zegt nu de een, „is hij gebleven?”
„Ik denk,” zegt de ander, „in de stad;
Hij had weêr aan zijn broêr geschreven,
Of die nog niet wat reisgeld had.”
„Die zal wel weig’ren.”—„Neen, die kan,
Beweert hij, hem geen hulp ontzeggen;
Want als hij dat beproefde, dan
Zou hij een boekjen openleggen,
Waarvan zijn broeder zou gaan beven;
Daarom, die moet hem reisgeld geven.”
„Ja!” zegt de mets’laar, „in dien geest
Is, wat hij mij zei, ook geweest.
’t Was, zei hij, immers al te dol:
Zijn broeder zat met zakken vol,
Werd ook door ieder rijk genoemd,
En hij was tot gebrek gedoemd.—
Intusschen staat hij slecht mij aan:
Hij heeft iets leelijks in ’t gezicht,
Een trek, waar, dunkt mij, iets in ligt,
Of hij een gruwel heeft begaan.
Maar hoe kent gij hem, moet ik vragen.”
Ik ken hem sinds mijn kindsche dagen;
Maar steeds,—zoo lang het mij kan heugen,—
Was hij er een, die nooit wou deugen.
En als ’t nog eenmaal uitkwam, dat …”
Hier zwijgt hij, en met achterdocht,
Bevreesd, of Hanne iets vatten mocht,
Pinkt hij met de oogen. „Och, kom! wat?”
Zegt de and’re, „ga maar door, want hij
Verstaat ons niet; wij spreken vrij.”
„Welnu!” hervat de snijder, „’k wil
U meer nog zeggen. Luister!—maar
Gij houdt de zaak voor ieder stil,
Want als hij immer mocht ontdekken,
Dat ik daar iets van uit liet lekken,
Dan was mijn leven in gevaar.
Zijn broêr en hij, naar ’t geen ’k vernam,
Die hebben eens,—nu lang geleden,—
Een koopman, die uit Keulen kwam,
Ontmoet, en die veel kostbaarheden
En heel veel geld ook, met zich droeg;
Men zegt, het was een Jood;—genoeg,
Die man is onderweg gebleven.
Toen is er links en rechts geschreven;
’t Gerecht bemoeide zich er meê;
Er was vermoeden op die twee;
En beiden hebben lang gezeten.
En de oude moeder van den Jood
Kwam over, en zij wilde weten,
Al jamm’rend om haar bangen nood,
Wat met haar zoon toch was geschied;
Maar wàt zij deed, het baatte niet.
Het tweetal, menigmaal verhoord,
Hield immer vol, bij alle vragen,
Zij wisten van geen Jood of moord;—
En eindlijk werden ze ook ontslagen.
Daarna is de een, de smidsgezel,
Op reis gegaan; toen kwam in jaren
Er geen bericht van hem; maar wel
Wist deze en gene te openbaren,
Die Hamburg had bezocht, dat hij
Daar leefde in ruwe zwelgerij,
En laag en los zijn goed verteerde.
Toen eind’lijk alles weg was, keerde
De kerel naar Stemhagen weêr
En lei bij broêr zijn anker neêr.
Die houdt, wat hij bezit, graag vast,
En had dus beter opgepast;
Hij had zijn geld met zorg bewaard
En ook nog heel wat opgespaard.
Maar toen,—toen was er alle dagen
Veel onrust in de bakkerij,
En werd, bij meen’ge vechtpartij,
Een neus of mond aan bloed geslagen.
Ten laatste werd door d’ arm der wet
De smidsgezel op straat gezet.
Hij zwierf van d’ een naar d’ ander rond;
Nu was hij hier, dan elders weêr,
En wat zijn broeder hem nog zond,
Dat werd steeds weêr door hem terstond
Verkwist;—zoo ging dat op en neer.”
„Zoo?” zegt nu de and’re, „maar die bakker …”
En aanstonds valt de snijder in:
„Die bakker is een sluwe rakker,
Een sluiperd, die je tegenzin
En je afkeer gaande maakt, doordien
Hij niemand durft in de oogen zien.
Ook is hij hard voor de arme liên,
Gunt niemand iets, dan zich alleen,
En schraapt steeds al meer geld bijeen.
De menschen praten van hem veel.
En, is niet alles waar,—een deel
Zal toch wel waar zijn; en wat ik
Met zekerheid u zeggen kan,
Is dit, dat hem een bange schrik
Bevangt, en dat hij beeft er van,
Zoodra hij maar een kievit hoort.—
Eens ging mijn vader naar Gallin,
En liep zoo, stil en eenzaam, voort.
Maar merkte toen, door om te zien,
Dat ook de bakker derwaarts ging.
Toen deden zij de wandeling
Te zamen. Maar zij waren niet
Het bosch uit, of op eenmaal liet
Zich ’t roepen van een kievit hooren,
Die, nu van acht’ren, dan van voren,
Een wijle in hun nabijheid bleef.
De bakker schrikt; een bang gebeef,
Alsof een koorts hem viel op ’t lijf,
Liep door zijn leên; en stram en stijf
Bleef hij daar staan, nu bleek, dan rood,
Totdat in ’t lest hem ’t woord ontschoot:
„Vervloekte plek! Ellendig beest!”
Toen liep hij voort met snellen pas.
Mijn vader was verschrikt geweest,
In ’t eerst; maar toen dat over was,
En toen hij, om dat laf versagen,
Den bakker spottend was gaan plagen,
Had die een blik op hem geslagen,—
Uit oogen, kil en strak als glas,—
Een blik, die hem door ’t harte ging,
Zoo scherp en snijdend als een kling;
En die in zijn herinnering
Nooit opkwam weêr, of hij gevoelde,
Dat bange schrik in ’t hart hem woelde,
En hem een huivering beving.”—
Zoo spraken onderweg die twee,
En Hanne liep onschuldig meê,
En werd door hen ook niet verdacht.—
Maar toen de zon de volle kracht
Bereikt had van haar middagtijd,
En ’t drietal onder ’t looverdak
Der eiken zich had neêrgevlijd,—
Elk met zijn hoofd op eigen pak,—
Toen zweefde op eens een dichte schaar
Van ooievaren daar omhoog,
Die hooger steeds en hooger vloog;
En Hanne werd ze ’t eerst gewaar,
En riep in ’t platduitsch, onbedacht:
„Kijk! kijk! daar komen de eibers aan!”—
„Wat? Had ik dat van jou verwacht?”
Riep nu de snijder, gansch ontdaan.
„Jij kent platduitsch;—je hebt verstaan
Misschien, wel alles, woord voor woord.”
„Jij hebt,” roept de and’re, „ons uitgehoord;
Verspieder!—maar ik zal je leeren!”
Hij houdt de vuist hem voor ’t gezicht.
„Pas op!” zegt Hanne, „want niet licht
Wordt op mijn neus een klap gericht,
Dien niet mijn hand terug doet keeren.
Ik weet nu alles; ’t was je plan,
Met mij je eens aardig te vermaken,
Met mij te spelen eerst, en dan
Mij ook eens aan den zak te raken,
En voorts om mijn onnooz’len zin
Mij uit te lachen;—maar je ziet,
Dat gaat nog zoo gemakk’lijk niet;
Je waart te dom; je liept er in.
Als ik dien boozen smidsgezel
Wat hier verteld is, weêr vertel,
Dan zal je er geen mooi weêr op krijgen.”
De mets’laar schold, de snijder bad,
En Hanne sprak: „Nu, ik zal zwijgen;
Ik ken den bakker en den smid;
’k Heb ook eens iets met hen gehad.
Maar nu, onthoudt dan nu ook dit:
Ik laat den draak niet met mij steken;
En als gij weêr zoo iets verzint,
En weêr zoo’n laffen streek begint,
Dan zullen wij wel nader spreken.”
Toen gaven zij elkaâr de hand,
En waren sedert saâmverbonden
En trokken samen door het land,
En bleven, waar zij arbeid vonden;
En als zij dien niet vinden konden
Dan reisden ze weêr verder voort;
En onderweg werd uit drie monden
Dan ’t luid en lustig lied gehoord:
Die ’t reizen kent, vraagt, blij van zin,
Wat toch tehuis beduidt
Al waait de wind de mouwen in,
Hij waait er ook weêr uit.
Wij trekken voort met drie of twee,
Van de eene in de and’re streek;
En wil de laars niet heel meer meê,
Dan maar met lossen steek!
De meisjes zien ons glurend aan,
Om ’t hoekje van den tuin.
Steeds moge ’t haar gezegend gaan,
Die meisjes, blond of bruin.
Wat lieflijke oogjes, zwart of blauw!
Wat roosjes op ’t gelaat!
Ik neem er zeker een tot vrouw,
Als ’t reizen niet meer gaat.
En voor een vriend’lijk woord,
Wij hebben thans ons aangemeld,
Maar morgen zijn wij voort.
En kwel ons niet met taai gezeur,
Al borgt gij ons eens wat;
Schrijf ’t niet op uwe kamerdeur,
Maar in het schoorsteengat.
Vandaag is ’t in de beurs heel naar,
Maar morgen weêr heel goed:
Zoo trekken wij van hier naar daar,
Altijd met frisschen moed.
[
Inhoud
]