3.
E. Laurillard translation
De tijd ging voort. En op een keer
Bezocht de smid dat plekje weêr,
Waar, als een plan in ’t hoofd hem zat,
Hij al zoo vaak gemijmerd had.
Hij peinst ook nu en weegt en wikt,
Of dit wel kan en dat wel schikt,
En wat misschien zijn goede vrouw
Van dit en dat wel zeggen zou.
Intusschen denkt zij ook, en zegt:
„Wat hij daar nu weêr overlegt?
Zóólang blijft hij toch zelden uit;
Hij weet, het eten staat hier klaar;
Toch komt hij niet; hij is soms raar!
Johan! weet jij, wat dat beduidt?
Heb je ook met vader iets gehad?”
„Ik? neen!—’k Heb naar zijn zin gewerkt.
Ik legde een band rondom een rad;
Hij keek er naar, en ’k heb gemerkt,
Dat hij daarin genoegen vond.
Ook zei hij iets, terwijl hij lachte,
Maar binnensmond en in gedachte,
Zoodat ik niets daarvan verstond.”
„’t Is vreemd,” zegt moeder. Maar daar kwam
Haar echtvriend binnen, en hij nam
Een toon vol ernst aan en gewicht,
En sprak: „Hoor, vrouw! ik kreeg weêr licht
Op ’t plekje, waar zoo menigmaal,
In de eenzaamheid, een held’re straal
Van wijsheid door mijn hersens schoot.
Hoor toe! Johannes wordt al groot,
En hij is krachtig; want een hand,
Die om een wiel een ijz’ren band
Van zes duim dikte leggen kan,
Dat is de hand haast van een man,
Die twee man waard is. Nu, Johan!
God gaf je knokkels, hard en sterk,
Ik leerde je de smederij,
De meester deed er ’t zijne bij,
De dominé deed ook zijn werk,
En moeder ging je in ’t goede voor,—
Dus, nu voor ’t vak aan ’t reizen, hoor!
Ik maak je morgen smidsgezel,
En dan maar voort, en ’t ga je wèl.”
„O!” zegt nu moeder, „dat is goed,
Dan hoor ’k dat Nüte toch niet meer,
En je echten naam krijg jij dan weêr,
Dan ben je weêr Johannes Snoet.”
En toen zij dan, den and’ren dag,
Als smidsgezel hem vóór zich zag,
Begon zij dapper zich te weren,
Om ondergoed en bovenkleêren
Te brengen in een goeden staat;
Zij naait en stopt tot ’s avonds laat.
En midd’lerwijl heeft vader Snoet
Een nieuwen jongen aangenomen,
Die, in Johannes’ plaats gekomen,
Nu aan den blaasbalg trekken moet.
De laatste Aprildag is verschenen,
En Hanne gaat nu, langs de rij.
Huis in, huis uit, door ’t dorpje henen.
„Vaarwel, vrouw Smidt! Vaarwel ook gij,
Mijn kleine Poedel!—Denk aan mij!”—
En zoo, bij ’t allengs verder gaan,
Komt hij ook bij den meester aan,
Die bij zijn bijenkorven staat,
En ’t gonzend volkje gadeslaat.
„Dag, meester Zuur! Ik ga op morgen
De wereld in.—Dank voor de zorgen,
Die gij voor mij steeds hebt gehad,
Toen ’k nog op uwe schoolbank zat.”
„Wel zoo, mijn Hanne! gaat gij weg?
Maar,— —’t past niet, dat ik Hanne zeg;
Mij dunkt, ’k mag wel mijnheer gaan zeggen.
Ja, kleine kind’ren worden groot;—
Dat stond ik juist daar te overleggen,
Doordien me in de gedachte schoot,
Hoe treffend de gelijkenis
Van jonge lui met bijen is.
Eerst vliegt het bijtje door den hof;
Maar ’t duurt dan ook niet lang meer, of
’t Begint zijn tochten uit te breiden,
Al verder, verder,—en het trekt
Tot naar de verste klaverweiden.
Want, zie je? ’t allerbeste insect
Voor bijen is de witte klaver,
Gelijk voor ’t paardenras de haver.
En als de beestjes wederkeeren,
Ze zijn met honig opgevuld.
Heb nu een weinigje geduld,
En luister goed naar mij; gij zult
Den zin dan van mijn beeldspraak leeren.
Gij ook, gij vliegt nu, als de bij,
Voor ’t eerst de wereld in; ook gij
Keert eens met honig heel verheugd,
Naar huis terug. Uw zuigvermogen
Is de arbeid, die u zal verhoogen;
De honig zelve is hier: de deugd,
Maar,—nog iets. Toen ik had vernomen,
Dat gij tot afscheid hier zoudt komen,
Toen heb ik fluks een brief geschreven,
Dien ’k u wel wenschte meê te geven.
In vroeger jaren,—moet gij weten,—
Heb ’k in Silezië gewoond,
En voor een meisje Trees geheeten,
Niet ongevoelig mij betoond;
Integendeel, de band was innig,
Die ons verbond; zij was aanminnig
En mooi; een wever was haar vader,
En heette Antonie David Kader;
Haar broeder had den naam van Hans,
En moet bij Polkwitz wonen thans.
Wanneer gij haar soms mocht ontmoeten,
Geef haar deez’ brief met mijne groeten,
En zeg haar dat nog steeds mijn geest
Dien tijd herdenkt, die van mijn leven
De schoonste en zaligste is geweest,— —
Maar,— ’k mag mijn vrouw geen argwaan geven.”
Ach! arme meester! arme Zuur!
Zijn vrouw stond bij de bijenschuur,
En sprong te voorschijn, gansch verwoed:
„Laat mij dien brief eens lezen, Snoet!”
En zij bemachtigt, met een ruk,
Den brief en breekt het zegel stuk.
„Mijn heerlijke engel!”—„Al mijn leven!
Dat heeft mijn achtb’re man geschreven!”—
„’t Papier, door uwe hand ontvouwd,
Komt van uw vriend,—helaas! getrouwd.”
„Helaas?—Dus, hij beklaagt het zich.
Ik dacht, hij schreef aan pachter Zwingen
Om een gezonde, vette big,—
Ja wel! het geldt gansch and’re dingen.”
„Mijn vrouw is op vermaak gesteld,
’t Is waar, zij had een beetje geld,
En ze is bekwaam om huis te houën;
Toch kan ’t niet anders dan mij rouwen,
Dat ik een mensch als zij ging trouwen.
Als ik nog denk aan u, mijn beeld!
Die ’k vaak gekust heb en gestreeld.”
„Foei! hoor mij zulk een taal eens aan!
En heeft zij dat dan toegestaan?
En moest dan nu die nucht’re bengel
Zoo’n brief bezorgen bij zoo’n engel?
En dat van iemand, die moet leeren,
Dat ieder plicht en deugd moet eeren!”
En de arme meester, gansch ontdaan,
Roept smeekend: „Doortje! hoor mij aan!”
„Wat? ’k Wil niets hooren! ’t Is niet noodig.
Ik heb ’t gelezen. Dus, je moet,—
Want ik ben hier nu overbodig,
Ik doe je zaken toch niet goed,—
Je moet dat mensch hierhenen voeren,—
Die engel,—om jou brij te roeren,
En, engelachtig, op haar hurken
Je bier te tappen en te kurken,
Je kamer zind’lijk te doen blijven,
Je kousen altijd knap en heel,
En geitenvoêr bijeen te rijven,
En hout te halen,— —weet ik veel?
Maar ik, die nu niet meer kan deugen,
Nu ’t engeltje, zoo lief en fijn,
Jou gek maakt, ik zal mij verheugen,
Als door den gloed van deze liefde,
Die mij zoo krenkte, mij zoo griefde,
Je meelpap aangebrand zal zijn!”
En daarop frommelt zij verwoed
Den liefdebrief in duizend kreuken,
En springt naar binnen, in de keuken,
Waar zij ’t gebrom nog hooren doet:
„Dat weeklaagt over minnepijnen,
Met grijzen kop en met een huid,
Zoo rimp’lig als een tros rozijnen!”
En dan kijkt zij de deur weêr uit,
En, dreigend met een bezemsteel,
Herneemt ze: „Laat die engel komen,—
Dan geef ik haar en jou je deel,
Voor al je mooie liefdedroomen!”
Haar man staat voor haar, gansch ontdaan,
En spreekt: „Maar, Doortje! hoor mij aan;
’k Schreef zoo maar wat, om wat te schrijven;
’t Zijn woorden, en daarbij zal ’t blijven.
Mijn Doortje, Dora, Dorothee!
Je weet toch, jij bezit mijn hart;
En kon ik zeggen hoe ’t mij smart,
Dat deze zaak u.…” Maar, o wee!
Zijn lieve vrouw, nog gram te moê,
Kletst met een smak de keuken toe.
Hij krabt, onthutst, zich achter de ooren,
En spreekt nu tot den jongen smid:
„Wanneer gij naar mijn raad wilt hooren,
Trouw dan maar nimmer, want er zit
Iets zwaks en nukkigs in de vrouwen;
Je kunt ze nooit geheel vertrouwen.
Ik schreef dien brief; maar ’t was, dewijl
Ik me oef’nen woû in dezen stijl;
Want dat is eene van die zaken,
Waar ’k nog een winstje meê kan maken;
De liefde toch blijft overal,
Waar jongelui zijn, in de mode;
En nu ben ik wel niet zoo mal,
Dat ’k een verliefde worden zal,
Maar ’k schrijf die brieven om den broode;
En aan dat vak verdien ik meer
Dan aan de jongens, die ik leer.
De liefde is een gewichtig ding;
Maar die haar gloed in ’t hart onving,
Kan zelden goed zijn woorden vinden;
De Hemel moog’ twee harten binden,
De Hemel zegt daarbij niet, hoe
Zij spreken moeten tot elkaâr;
En daarom is elk minnend paar
Heel blij, als ik dat voor hen doe.
’t Kon soms gebeuren dat ook gij
Me eens noodig hadt; nu, spreek dan vrij,
De prijs zal billijk zijn. En nu,
Vaarwel, mijn vriend! ’k beveel me aan u!”
„Vaarwel,” zegt Hanne, „meester Zuur!”
En loopt nu langs den kerkhofmuur,
En treedt na een minuut twee, drie,
Den tuin in van de pastorie.
[
Inhoud
]