27.
E. Laurillard translation
„Waarheen? Waarheen?”—„Kom meê! kom meê
Een heele pret vandaag, hoezee!
Zit hier dan niet en toef hier niet,
Nu Jochem weêr een doopfeest biedt.”
„’t Is goed; ik ga niet naar de stad;
Wat kil en schraal pleizier is dat!
Op d’eersten Mei, als om ons heen
Alom het groen verschijnt, dan mag
De koekoek, voor mijn part, den dag
Besteden tusschen kalk en steen.”—
„Jij, malle kievit! domme klant!
Ze wonen immers weêr op ’t land,
Weêr aan denzelfden waterzoom,
En in denzelfden wilgeboom,
Waar Hanne toen bij nederlag,
En in den droom zijn Fieken zag.”
„O! dan is ’t goed!—Kom, nachtegaal,
En lijster! ’t is een ruim onthaal,
Dat weêr ons wacht! Kom! alle man!
Wie dansen en wie zingen kan,
Zal heden zeker recht verheugd
Genieten volle lentevreugd.”—
En al de voog’len, rap van leên,
Begeven zich naar Jochem heen,
Die, in zijn schik en weltevreden,
Met schoone, witte boordjes om,
Reeds voor zijn woning is getreden,
En allen toeroept: „Wellekom!”
Zijn mooi bruin rokje is net en glad,
Of ’t aan zijn lijf geschilderd zat;
En ’t geeft hem iets voornaams, zoo goed
Als ’t knikje, waar hij nu meê groet.
„Weest welkom!” spreek hij dan; „maar, vrinden,
’t Is geen gemakkelijk geval:
’k Weet haast geen peters meer te vinden;
Zes is alweder ons getal.”
En alles lacht en alles zingt,
En alles danst en alles springt;
Zelfs de ooievaar,—zoo’n deftig heer!—
Staat in ’t geheel niet op één been,
Maar springt met de and’ren op en neêr,
En huppelt door hun rijen heen,
Ja, op de klaver, groen en malsch,
Danst hij verrukt een Schotsche wals.
En onze lieve Heer ontsluit
Zijn venster en kijkt even uit,
En zegt: „Een zonderling idee!
De philosofen dansen meê,
Met hout’rig been en schralen voet,
Maar toch, die aanblik doet toch goed.”
In ’t end zijn allen mat en moê;
En Jochem blaast zich op, en nu
Spreekt hij aldus zijn gasten toe:
„Mijn vrienden! ’k heb een woord aan u:
Gij meent, dat heden ’t doopfeest is;—
Dat is zoo niet; dat hebt gij mis;
Een ander feest brengt ons bijéén:
We kregen, naam’lijk, ’t minnend paar
Door allen nood en moeite heen;
Ze zijn nu boven elk bezwaar;—
Dat is ons feest vandaag, maar weet,
Dat één,”—hier hield hij even op
En kreeg een blos en boog den kop,—
„Dat een van ons het meeste deed,
Het meeste deed, en ’t meeste ook leed.”—
En allen kijken rond en vragen:
„Is ’t de ooievaar? De nachtegaal?”—
Maar, de oogen schuchter neêrgeslagen,
Spreekt Jochem deez’ bescheiden taal:
„Neen! lieve vrienden!—neen!—ik was ’t,
Ik droeg den allerzwaarsten last,
Ik heb het meest mij uitgesloofd,
En ik heb ze aan elkaâr verloofd.”—
En weêr ziet onze lieve Heer
Glimlachend naar Zijne aarde neêr,
En spreekt dan: „Hoor eens, wat gepoch!
Nu wees maar trotsch op uw gewicht!
De menschen doen ’t wel erger nog:
Heeft soms een dwaas iets goeds verricht,
Doordien ik maakte, dat hij ’t vond,
En met zijn neus er tegen stond,
Dan meent hij, dat hij iets beduidt,
En kakelt eigen knapheid uit!”
Alsnu neemt Jochem weêr het woord,
Maar eer schier iets nog is gehoord,
Verheft de kwikstaart, luid en blij,
’t Geroep: „Zij komt! Zij is nabij!”—
En daar komt Fieken op den weg,
Van achter kreupelhout en heg;
En als zij uittreedt uit het hout,
Omkranst de zon haar als met goud.
Haar donkere oogen teek’nen kracht,
En toch, haar blik is lief en zacht;
Haar leden zijn gevuld en rond,
Rood is haar wang en frisch haar mond.
En als zij blij en welgemoed
Den ouden wilg daar weêr begroet,
Zet zij zich in de schaduw neder,
En ziet dan haar verleden weder.
Voorbij is ’t leed, geheel de wond,
Voorbij is zorg en druk en nood!—
Zij vouwt de handen in haar schoot,
En ziet in ’t lachend landschap rond.
O! als eens iemand zeggen kon,
Dat al haar wenschen, al haar droomen,
Zoo dikwijls in haar opgekomen,
Eens zouden liggen in de zon,
Gelijk daar, vóór haar, beek en boomen!—
Zoo zit ze, en brengt zich alle dingen
Weêr voor den geest, door niets gestoord.
En ’t weefsel der herinneringen,—
Daar werkt de hand der hoop aan voort.
En om haar heen hoort zij het kweelen
Der voog’len met hun orgelkelen;
En boven de and’re tonen uit
Verneemt zij ’t fijn en zoet geluid
Der lijster, die daar vroolijk fluit:
„Hij komt!—Als jong’ling heengetogen,
Treedt hij als man weêr voor uwe oogen,
In zijne min nog onbewogen.
Verblijd u, Fiek! gij wordt zijn bruid.”—
En, ja, daar komt met vaste schreden
Een man de boschlaan uitgetreden,
Met wakk’ren blik en bruin gelaat.
En, als hij de oogen om zich slaat,
Dan zegt hij: „’t Is nog als weleer.”
En, als hij nog wat verder gaat,
Dan zegt hij: „Dit is ’t plekje weêr,
Waar ’k eenmaal mijn gelofte deed;—
Zal ’k trouw zijn aan dien duren eed?”—
Diep in gedachten treedt hij voort
Door ’t vroolijk, vriend’lijk-lachende oord,
Maar merkt op eens een maagdelijn,—
Dat stil het landschap zit te aanschouwen;
Heur handen zijn inééngevouwen,
Heur haar glanst in den zonneschijn.—
Daar trilt op eens door zijn gemoed
Een diepe weemoed, maar zoo zoet:—
Is ’t moog’lijk! Zou dat Fieken zijn?
„Zij is ’t! Zij is ’t!”—„Ik ben’t! Ik ben ’t!”
En, eensklaps tot hem heengewend,
Ligt zijne Fieken, zacht en warm
Van ziel, in zijn gespierden arm;
En zacht en warm omvat hij haar,
En vol van weelde staan ze daar,
Terwijl hij, juichend en verrukt,
Een kus haar op de lippen drukt.
En ook zoo zacht en warm ontschiet
Aan ’t woud het nachtegalenlied;
En ’t is nu, of tot haar en hem
God zelf zich richt met hoorb’re stem:
Kom Hanne! Fieken! Kom bij mij!
Al is het veld zoo groen en blij,
Al schijnt de zon met zooveel pracht,
Voor zùlk een vreugd is dàt nog nacht;
Komt! boven ’t hart verheven!
Ik zelf wil u de bruiloft geven!—
En toen St-Jan gekomen was,
Toen was ’t de bruiloft, hier op aarde.
Blij klonk de vedel en de bas,
Waaraan de klarinet zich paarde,
Voor ’t huis van Snoet was alles vreugd;
De kind’ren waren dol verheugd;
Daar waren al de spruiten saâm
Van Smidt, en tevens Jochem Frahm.
En Gust en and’ren, frisch en kloek;
En ieder kreeg een krentenkoek;
Ze hielden die verrukt omhoog,
En riepen luid en vroolijk uit,
Met hupp’lend hart en tint’lend oog:
„Hoera! Ons Fieken is de bruid!”
En toen de stoet ging naar de kerk,
Was weêr de klarinet aan ’t werk,
En, met de klarinet, de fluit.
En alles drong toen meê naar binnen.
Nu werd het stil: nu zou ’t beginnen.
Daar stond weêr Fieken voor ’t altaar;
Rondom haar stond een dichte schaar;
De zon speelde in haar krullend haar,
En schitterde op haar bloesemkrans
En in haar ziel met zachten glans,
Zoo heerlijk en zoo wonderbaar!
En naast haar staat, zoo flink en frisch,
Hij, die haar één en alles is;
En met een handdruk, trouw en vast,
Belooft hij haar: „Ik draag uw last.”
De leeraar bidt hun zegen toe;
En Hanne’s moeder, vreemd te moe,
Laat tranen vallen uit hare oogen
Op ’t bloementuiltje, dat zij draagt;
En ook de moeder van de maagd
Heeft telkens tranen af te drogen;
En ook de vaders zijn bewogen.
Die van den bruigom zegt: „Vriend Smidt!
Kom mee, kom naar mijn werkplaats mede!
’k Weet niet, wat me in het harte zit:
’t Is vreemd:—is ’t van des leeraars rede?
Of, is het me in het hart zoo raar
Om ’t heil van ’t jong en bloeiend paar?
’t Zijn onze kind’ren toch die twee;
Maar, kom!—kom naar mijn smidse meê.”
Toen ’t jonge paar weer buiten kwam,
Toen trad de koster toe, en nam
Aldus het woord op: „Mijnheer Snoet
En juffrouw Snoet! God moge u beiden
Veel zegen en veel heil bereiden,
Al wat u zoet kan zijn en goed!
Ik ben onnoemelijk verblijd,
Dat gij zoo, na verloop van tijd,
Toch tot elkaâr gekomen zijt!”
Hij keert nu naar Gust Schult zich heen,
En spreekt: „Jij deugniet; geef wel acht!
Wat heeft die twee bijééngebracht?
Dit was het immers, dit alleen:
Dat zij elkander trouw steeds bleven;
Zoek zulk een voorbeeld na te streven!
Maar, och! ’t zal wel niet gaan met jou:
Jij krijgt vast nooit een goede vrouw!”
’t Feest is in gang. „’k Wou wel eens weten,”
Zegt Jochem, daar op ’t dak gezeten
Met Lotje, „of ieder zal vergeten,
Wat diensten door ons zijn gedaan.
Daar mocht wel eenig loon op staan.
Ik ruik een lekk’ren geur van koeken;
Ze mochten òns—” „Och, wat?” spreekt zij,
„Wij moeten geen belooning zoeken:
Verblijd u liever maar, met mij,
Dat Hanne en Fiek elkander vonden,
En nu door ’t huw’lijk zijn verbonden.—
En voorts, aan ’t werk! zoek halm en veder,
Dan bouwen wij te zaam weder
Een nest; maar hier, hier moet het wezen:
Wie hier woont, heeft geen kwaad te vreezen;
Hier drukt geen zorg, hier dreigt geen nood,
Hier vindt vast elk zijn daag’lijksch brood.
En, valt de winter ons soms zuur,
Hier is ons Krisjen onze buur;
Ja, hier rust zegen op ons nest;—
Kom, Jochem! werken!—doe je best.”
En toen het feest was afgedaan,
Stond in de lucht de volle maan;
En goot haar licht op berg en dal:
En uit den groenen nacht der boomen
Werd af en toe het blij geschal
Van ’t nachtegalenlied vernomen,
Dat zong van eenheid tusschen twee,
Van vreugde zonder scheidingswee,
Van stil genot aan eigen haard,
Ja! van een hemel hier op aard.—
Wat neev’lig ieder hart doorzweeft,
En diep in elken boezem leeft,
Maar waar geen taal een woord voor heeft,
Dat vindt vertolking in de taal
Der lied’ren van den nachtegaal.—
En toen de herfsttijd was genaderd,
En ’t koren in de schuur vergaderd,
Toen stond, zeer deftig, stijf en strak,
Vriend ooievaar op Hanne’s dak,
Wat die verschijning daar beduidt?
Wat voert daar toch die langbeen uit?
Hij trekt zijn éénen poot omhoog,—
Dit scherpt, zoo ’t schijnt, voor hem ’t gezicht,—
En, in die houding staande, richt
Hij stil een zeer nieuwsgierig oog
Door ’t zwarte schoorsteengat naar binnen;—
Hij schijnt zich even te bezinnen,
En spreekt dan: „Goed zoo!—Leeft in vreê!
Als weer de lente zal beginnen,
Dan breng ik u iets aardigs meê;
Iets, wat vast allen zal bevallen,
En grootje Snoet het meest van allen.”