5.
E. Laurillard translation
Den and’ren dag staat meester Snoet
Bij ’t aanbeeld, en hij slaat en slaat,
Dat hem de vonken, wit van gloed,
Al knett’rend spatten in ’t gelaat;
En ’t sist en bruist en klinkt en knalt,
Dat heel de smidse dreunt en schalt,
„Toe, jongen! trek wat beter dan!”
De blaasbalg-jongen doet zijn best,
Tot dat hem schier geen kracht meer rest;
Hij trekt en trekt, al wat hij kan,
Terwijl zijn neus geluiden geeft
Of hij een blaasbalg in zich heeft.
De baas is heden lang niet mak;
Barsch is zijn toon, en op zijn wezen
Staat strenge en donkere ernst te lezen.—
Daar komt Johan, met pak en zak,
Door zijne moeder begeleid,
Die alles goed heeft toebereid.—
Daar komt hij nader, vlug en kloek;
In de eene hand zijn nieuwen hoed,
Heel net gebonden in een doek;
In de and’re een stok. En welgemoed,
Zou men zoo zeggen, liep hij daar.
Toch was ’t hem om het hart zoo raar:
Hij vroeg zich zelv’, niet zonder beven,
Wat lot hem wachten zou; wat leven
De wijde wereld hem zou geven;— —
Hij was maar liever t’huis gebleven.
En moeder, ook niet blij te moê,
Den blauwen boezelaar voor de oogen,
Om zich de tranen af te droogen,
Spreekt hem met ernst en weemoed toe:
„Och! ga toch niet te ver van huis;
’t Zou mij een kwelling zijn, een kruis,
Indien ge ons Mekklenburg verliet;—
’t Is groot genoeg; ga verder niet;
En, denk er om, hoor, jongen lief!
Schrijf ons gedurig eens een brief.”
Nu zucht ze en weent met bang gesnik;
En toch, in dezen oogenblik
Doortintelt te gelijk een gloed
Van fiere weelde haar gemoed;
Want dit was niet te ontkennen, dat
Ze een knappen, fermen jongen had.
Zoo komen ze, aan elkanders zij,
De deur in van de smederij,
Waar vader steeds nog bezig is,
En zich ’t geknap nog en ’t gesis,
Van ’t vuur, op ’t aanbeeld en den haard,
Aan ’t hijgen van den blaasbalg paart.
„Och, vader!” zegt vrouw Snoet;—„Johan,—”
Ook hij zegt: „Vader!”— —de oude man
Geeft d’een noch de andere gehoor,
En smeedt maar immer dapper door.
„Hij is nu hier”—„’k Ben hier gekomen;”— —
Snoet heeft een staaf, geheel in gloed,
Intusschen uit het vuur genomen,
Die hij, als was, zich krommen doet,
Bij ’t dreunen van de hamerslagen,
Die stroomen vonken opwaarts jage.
„Maar, man! hebt gij nu niets te zeggen?”
„Ja vader! ’k ben voor ’t afscheid hier.”
„Wat?” antwoordt de oude; „is dat manier?
Je moest eerst beter overleggen,
Jong mensch, die aanstonds heen zult gaan,
In wat verhouding wij nu staan;
Ik ben de meester nu en gij
De smidsgezel; vergeet dat niet;
Het vader-zeggen is voorbij.”
En bij die strenge toespraak schiet
Het bloed den jongen naar ’t gezicht,
Zoodat er hooge gloed op ligt,
Als op de staaf, die vader smeedt.
Hij gaat de werkplaats uit en treedt
Nu nog eens toe, maar blijft dan staan,
En ziet met eerbied vader aan,
En spreekt: „God zeeg’ne baas en knecht?
Is ’t mij geoorloofd in te komen?”
„Zoo!” zegt nu de oude, „zoo is ’t recht!
Beleefdheid dient in acht genomen;
Daar zult gij altijd wel bij staan;
Zij doet de deuren opengaan.
Gij reist dan straks de wereld in:
Welk deel van ’t ambacht uwen zin
Bij voorkeur trekken zal en boeien,
Daar wil ’k me niet meê bemoeien;
De hoofdzaak is, Johannes! leer,
En,—kom terug als man van eer.
Maakt u het werk van buiten zwart,
Rein blijve steeds daarbij uw hart.
Is de arbeid af en ’t vuur gedoofd,
Wasch u de handen dan en ’t hoofd;
Niet zuiver is het in ’t gemoed,
Zeg ik maar altijd, van den man,
Die, als hij net zich maken kan,
Daartoe geen lust heeft en ’t niet doet.—
Drie jaar is lang, nu, in onze oogen:
Maar kort, wanneer ze zijn vervlogen:
Te lang, om niet voor schâ te vreezen,
Indien ze roek’loos zijn doorleefd;
Te kort, om in volleerd te wezen,
Ook als men trouw gearbeid heeft.
Reis rond, maar zij uw oog niet blind;
Merk alles op, maar wil niet meenen,
Dat alles goed is, wat gij vindt;
En dan, mijn zoon; onthoud steeds dit:
Wanneer ge iets vindt, waar vuil aan zit,
Blijf af, en wend u elders henen.
Leg alles, wat je in ’t harte vaart,
Eerst op den gloeiend heeten haard;
En, al is ’t vuil er afgegaan,
Dàn frisch en vlug de tang er aan!
En dan, hou vol maar op den duur,
En smeed je werk in zuiver vuur!
En hebt ge alom eens rondgekeken,
En kom je weêr in deze streken,
Dan mag je, als dat je kan behagen,
Bij mij nog weêr eens komen vragen,
Of ik je ook soms gebruiken kan.
Maar, reeds genoeg! Vaarwel Johan!
Blijf moeder en ook mij gedenken;
En nu,—kom hier, zet af je hoed,
Mijn zoon, ’k wil u mijn zegen schenken:
Nog zijt gij goed; blijf immer goed!”
En bij die woorden legt de vader
Zijn zoon de handen zeeg’nend op;
Maar neemt dan afscheid, treedt weêr nader
Bij ’t haardvuur; en de hamerklop
Rinkinkt en dreunt en klettert weder;
De blaasbalg gaat weêr op en neder;
De vonken flikk’ren weêr in ’t rond.
Maar, wat hij zonderling toch vond,
’t Was telkens, of juist in zijne oogen
Die opgespatte vonken vlogen:
Daar telkens in elk oog iets zat,
Dat hij er uit te vegen had.
[
Inhoud
]