← Table of contents
Hanne Nüte en de kleine Poedel

6.

E. Laurillard translation

Johan, de werkplaats uitgetreden,

Krabt mijm’rend met zijn stok in ’t zand;

En wischt gedurig met zijn hand

Een traan zich af, zijn oog ontgleden,

Bij ’t hooren van wat moeder zegt,

Die nog een tal verscheidenheden,

Tot ééne les te zamen vlecht.

„Pas goed op je horloge, hoor!

En zorg ook voor je nieuwe jas;

Loop niet te lang aan één stuk door;

Drink niet te veel en niet te ras,

Wanneer je warm bent of bezweet;

Zoo spoedig krijgt een mensch het beet!

Maar, ’t is ook waar,—och! wacht eens even;

Ik heb je nog iets meê te geven;

Is ’t mogelijk, dat ik dàt vergeet?”

Zij loopt in huis en komt heel vlug,—

—Een fleschje in hare hand,—terug;

„Deez’ droppeltjes zijn zoo probaat,

Wanneer je soms aan maagpijn lijdt;

Daarmeê heb ik het dikwijls kwaad,

Maar die ontspannen mij altijd.

Groet mijne zuster ook, te Schwaan;

Zeg haar, dat gij op reis zult gaan,

En geef haar ook eens te verstaan,

Dat onze goede domeneer

Je heeft betiteld als mijnheer!

En,—nòg eens,—doe me geen verdriet,

Verlaat ons Mekklenburg toch niet;

’k Weet waarlijk niet, wat dat beduidt,

Den tocht zoo heel ver uit te strekken,

Want in de rondte kan men trekken

Het zooveel mijlen als rechtuit.

Hier, in dit buideltje,”—en een traan

Rolt langs haar wang, terwijl zij ’t zegt,

„Heb ’k nog eene beetje geld gedaan;

Het groeide tot acht daalder aan,

Heel spaarzaam voor jou opgelegd.

Maar vader weet, dat ik het deed;

’k Wil nooit iets doen, dat hij niet weet;

Hij vond het goed; hij wist wel, dat

Ik daar zoo’n groot plezier in had.

Nu, dag, Johan! schrijft ons eens spoedig!”

Zij buigt den jongen tot zich heen,

En kust hem nog eens, en weemoedig

Hervat zij, onder stil geween:

„Dag mijn Johan! De Heer verzell’

Je op al je wegen, hoor! mijn jongen!”

En hij, als zij, van wee doordrongen,

Hij zegt: „Dag, moederlief! vaarwel!”

En nu, moet hij weg. Hij gaat,

En met een vlijm in ’t harte, staat

Zijn moeder hem nog na te staren,

En drukt haar boez’laar aan den mond,

Alsof zij ’t maar het beste vond,

Dat zij zich zoo de lippen bond,

Die nog geneigd tot spreken waren.

Toch lispt ze nog, hem achterna:

„Ja! ga met God! mijn jongen! ga!”

Maar, toen hij bij den hoek haast was,

Toen viel haar, dacht ze, juist van pas

Een zeer gewichtig ding nog in.

„’t Is waar!—de jongen mocht zijn zin

Misschien eens op een meisje zetten,

Daar, in den vreemde; nu, dat zou

Me een oorzaak zijn van leed en rouw;

Dat moet ik trachten te beletten.”

Zij loopt hem na. „Mijn zoon, Johan!

’k Heb nog één wensch; dien moet ik uiten.

Ik bid je, wat ik bidden kan.

Och! wil toch nooit er toe besluiten,

Te trouwen met een vreemde vrouw.

Mij dunkt, ja, ’k weet het niet, maar ’k zou— —

Ja, ’k weet niet, wat ik liever wou.

Dat vreemde goed heeft geen verstand

Van huis en keuken, tuin en land,

En babbelt me zoo’n rare taal;

Och, jongenlief! ik bid je, haal

Je een vrouw, als ’t zijn moet, van de straat,

Om ’t maar eens platweg uit te spreken,

Mits, dat haar deugd u is gebleken,

En zij behoort in deze streken,

En dus ook onze taal verstaat.—

Je hebt nu immers in je zak

’t Horloge wel?—Maar, wacht! dat pak,

Daar zit je jas in, en ’t gaat open;

En ’k heb hier niets om ’t dicht te knoopen.

Of, ja,—ja, toch,”—En beî haar handen

Zijn fluks aan ’t fromm’len om haar been,

En,—één van hare kousebanden

Slaat ze ijlings om het pakje heen.

Johan trekt verder. En als dan

Haar blik hem niet meer volgen kan,

Gaat zij den tuin in, zielsbewogen,

En tranen vallen uit haar oogen,

Terwijl zij telkens nederbukt,

En hier en daar een bloempje plukt.

Zij legt die in haar bijbel neêr,

Waarin haar trouwdag stond geschreven,

En ’t meisje ook stond vermeld, weleer

Door God haar op den schoot gegeven,

Maar door haar, na een vluchtig leven,

Weêr afgegeven aan den Heer.

Zij schreef, zoo goed en kwaad, als ’t ging

Daarbij deez’ woorden van heur harte:

„Één Mei.—Toen ging mijn lieveling

De wereld in. Met diepe smarte

Staar ik hem na. God! breng hem weder,

En zie op hem in liefde neder;

En, wat hem op zijn weg ontmoet,

Dat zij hem goed; ’t zij alles goed!—

Gallin.—Car’lien, de vrouw van Snoet.”

Johan gaat nu door ’t dorpje heen.

De landjeugd staakt het vroolijk spel

En roept: „Dag, Hanne! ’t ga je wel!”

En Hanne groet ook iedereen,

En houdt zich groot en welgemoed,

Terwijl op weg het kleine goed

Zoo af en toe zich hooren doet:

„Kijk toch eens, wat een mooie hoed!”

„En wat een mooie blauwe rok!”

„En wat een mooie gele stok;

Dat is jeneverboomenhout,

Mijn vader heeft hem zelf gesneden;

Je kunt wel zien, die stok is echt.”

En Fiekens broertje, Jochem, zegt:

„Och, ware ik ook nu al zoo oud!

Ik heb óók altijd zin in ’t smeden.”

„Ik weet wat!” roept nu August Schult,

„Wij tellen ikke tikke, tak,

Wie werkman zijn zal; en die vult

Zijn buis met steenen, tot een pak,

Dat de anderen dan moeten stelen:

Wij willen Hanne Nüte spelen.”

De vrouwen laten ’t huiswerk staan,

Hier eene ’t schillen, daar een’ ’t schuren,

Om over de onderdeur te turen:

„Kijk! Hanne Nüte komt daar aan.”

„Zoo, Hanne! ga je?—Hou je goed!”—

„Een heel gemis voor moeder Snoet!”

„Dat kan je denken: zoo maar één!”

„Och ja: mijn Kris moet ook haast heen.”

„Wat zeg je?”—„Ja, in ’t andere jaar

Is hij dragonder of huzaar;

Weet ik het? Maar dit zeg ik maar,

Als je iets gaat krijgen aan je kind’ren,

Dan gaan ze weg; je komt op jaren,

Dan wou je, dat ze bij je waren;—

Vergeefs!—Dat kan me soms zoo hind’ren.”

Zoo spreekt vrouw Snor, en haar gemoed

Schiet vol, terwijl ze Hanne groet.

En allen geven hem een hand,

Waaraan zij ’t woord van afscheid paren:

„Vaarwel! en moge u God bewaren,

En wederbrengen hier in ’t land!”

Maar Doortje Bung, een frissche meid,

En altijd vol van dartelheid,

Roept lachend: „Nu, Johannes Snoet,

Kijk goed uit je oogen, man! kijk goed,

Opdat je een mooie keuze doet:

’t Moet niet te klein zijn of te groot;

Ook moet het blank zijn en toch rood;

En slaag je ginds niet in je wenschen,

Welnu, hier wonen óók nog menschen.”

En Hanne zint ook op een grap,

Maar ’t lukt niet; en hij knikt alleen;

En gaat dan met bedaarden stap,

Al verder door de dorpsstraat heen.

Zoo komt hij op den landweg aan,

Waar hij een wijle stil blijft staan.

Wat valt hem nu van alles in!

Al, wat hij sinds zijn kindsche jaren,—

Toen onnadenkend,—had ervaren,

Krijgt nu beteekenis en zin.

Daar staat hij; voor de laatste maal

Richt hij zijn blik naar ’t dorpje henen,

Dat door den avondzonnestraal

Zoo zacht weemoedig wordt beschenen.

Hij ziet daar in de verte nog

Van ’t vaderhuis den schoorsteen rooken,

En, wat voor ’t oog is weggedoken,

Dat maalt hem zijn verbeelding toch.

Zijn vader smeedt, bij ’t vuurgeflonker,

Zijn moeder snijdt het avondbrood;

En wat zoo zwart eens was en donker,

Wordt hem nu alles rozerood.

’t Is, of voor ’t eerst, en ook voor ’t laatst,

De heuvel hem een groet doet hooren,

Die dan door ’t dal weêr wordt weêrkaatst;

’t Is alles anders dan te voren.

„Vaarwel!” roept alles, wijd en zijd,

„U gaat een nieuwe toekomst open:

Wat doet uw hart nu? Vreezen? Hopen?”

Och, och! de vrees heeft hem bekropen:

Die vreemde wereld is zoo wijd;

Daarom is ’t hart zoo eng.—Weemoedig

Zet hij zich neêr; met stil geween

En zuchtend staart hij om zich heen.

Och, Heer! wat is hij toch alleen!

Geen vader hier; en zij, die goedig

En trouw steeds toezag op zijn schreên,

Die moeder, ook niet hier,—wier liefde

Hem steeds verzorgde, hart’lijk teêr,

En troost hem bood, als leed hem griefde,

En voor hem tusschentrad, wanneer

Zijn vader soms in drift geraakte;—

Die moeder, die zoo meen’ge keer

Voor hem zijn boterhammen maakte.

Hij haalde er nu een uit zijn zak,

De laatste, die hem moeder gaf,—

En beet met graagte een stuk er af,—

Schoon droefheid nog in ’t hart hem stak.

Hij schreit en eet, en eet en schreit;

Maar zoo wordt zijne treurigheid

Iets minder toch.—Hoe meer hij slikt,

Hoe minder hij nog weent of snikt.

En toen zijn brood verorberd was,

Toen legde hij zich neêr in ’t gras,

De handen saâm, en na een poos

Lag hij te slapen als een roos.

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings