← Table of contents
Hanne Nüte en de kleine Poedel

4.

E. Laurillard translation

En de oude dominé, bekoord

Door ’t zacht en heerlijk lenteweêr,

Loopt in de schaduw op en neêr.

Zijn harte lacht, zijn oogblik gloort

Van vreugde, dat hij nog een keer

Weêr ’t groen geboomte en ’t jonge graan

In frisschen dos daar mag zien staan.

Een blosje tintelt op zijn koon,

En lustig zet hij ’t mutsje schuin,

En ziet in ’t rond, van uit zijn tuin,

En vindt de wereld weêr zoo schoon.

Zoo stapt hij heen en weêr. Maar, zie!

Daar staat hij stil. „Zie ’k wèl, Sophie?

Is dat daar Hanne Nüte niet?”

„Ja, vader.”—„Hé, wat die hier doet?

Hij ziet er krachtig uit en goed,

’t Is een gezicht als melk en bloed;—

’t Is vreemd, maar in de lente ziet

Er alles helder uit en frisch,

Wat anders grauw en donker is.

Zoo’n smid zelfs, waar gij anders, wis,

Geen and’re kleur dan zwart aan vindt,

Heeft nu een appelbloesemtint.”

En Hanne, naderbij getreden,

Neemt van zijn hoofd den vilten hoed,

En geeft, en krijgt ook, hand en groet.

„Wel zoo, mijn zoon! wat voert u heden

Zoo naar mij heen?”—„Wel, domeneer!

Ik was bij vader in de leer,

Maar ben nu smidsgezel, en ’k moet

De wereld in.”—„Zoo, zoo! dat ’s goed.

Sophietje, ga en zeg,—maar snel,—

Aan moeder, dat de smidsgezel,

Johannes Snoet, ons zijn vaarwel

Komt brengen hier, en dat ze eens even

Een flesch en glazen ons moest geven.”

En zoo geschiedt. Het tweetal zit.

„Wel zoo,” spreekt de oude man, „mijn smid!

Gij zult alzoo aan ’t reizen gaan.”

„Ja, morgen ga ik.”—„Zoo! dat ’s goed;

Gij vangt op ’t rechte tijdstip aan.

Met Mei krijgt alles nieuwen gloed,

Met Mei is alles frisch en schoon;

Dan ziet men alles bloeien, blinken,

Dan hoort men ’t leeuw’rikslied weêrklinken,

Met wonderzoeten zilvertoon.

Deswegens is ’t ook zeer terecht,

Wanneer het oude deuntje zegt:

’k Laat vandaag mijn zaken rusten;

’k Ga op reis, hoezee!

Weg de lasten! Nu de lusten!

Wie gaat met mij meê?

De eerste Mei is weêr gekomen,

Nu den wandelstaf genomen!—

Wie gaat met mij meê?

Maar, zeg! is u mijn wijn te min?

Drink uit; ik schenk u nog eens in.

Ja,—stonden mij mijn stand en jaren

Maar niet belemm’rend in den weg,

’k Ging met je rijden, loopen varen;—

Ik meen het ernstig, wat ik zeg.

En waar gaat nu de tocht zoo heen?”

„Mijn vader meent, ’k moet niet alleen

Door Zuid- en Midden-Duitschland trekken,

Maar mijne reis heeft tot aan ’t strand

Van België zich uit te strekken,

Misschien wel tot in Engeland!”

„Welnu, dat oordeel is verstandig;

Een mensch moet altijd in één’ zaak

Recht kundig willen zijn en handig;

En dit beschouwen als zijn taak,

Dat hij van verre en van nabij,

Verzamele al, wat de waardij

Van zijne kennis kan vergrooten,

Opdat hij bij zijn vakgenooten

In waarheid man en meester zij.

Maar oordeelt moeder evenzoo?”

„O neen! die meent, naar Teterow,

Of, op zijn hoogst, ja, dan tot Schwaan;

Maar verder zou ’k niet moeten gaan.”

„Dat dacht ik wel; zoo zijn altijd

De moeders; nu, ik kan ’t verklaren:

Ze zijn niet gaarn’ haar kind’ren kwijt,

En vreezen overal gevaren.

Met dochters kan er dat door heen;

Die kan een moeder t’huis bewaren;

Maar voor een jongen zeg ik: neen!

Een jongen moet, op zeek’re jaren,

De wereld in; daar moet hij leeren,

Der menschen handel te begrijpen,

Zijn ruwe kanten af te slijpen,

Den stoot door tegenstoot te keeren;

Den last te dragen of te mijden,

En hier te helpen, daar te strijden,

Totdat hij heeten mag: een man,

En ook zich zelv’ beheerschen kan.—

Kom aan! Daar moeten we eens op drinken,

Daar moet het glas eens ferm op klinken,

Dat gij, aldus tot man verhoogd,

Eens herwaarts wederkeeren moogt.—

Nu nog één ding: kunt gij ’t verbinden

Aan ’t ernstig doel van uwen tocht,

Dan zou ’t wel goed zijn, als gij zocht

Uw staf met bloementooi te omwinden:

Trek door de schoone Duitsche landen,

Bewonder berg en dal en woud,

En stroomen, die, als zilv’ren banden,

zich bochtig sling’ren langs de randen

Der korenakkers, geel als goud.

Begroet de eerwaarde, grijze steden,

Gesierd door orde en goede zeden,

En brengt dàt oord mijn groetenis,

Waar deze wijn gewonnen.—

Mijn zoon! eens was ik jong, als gij,

Nu ben ik oud; maar van die dagen,

Toen ik den grooten sprong moest wagen,

Ligt nog mij de herinn’ring bij.

Gij hebt wel Jena hooren noemen?

Nu, daar ben ik student geweest;

Dat was een tijd van licht en bloemen,

Dat was een leven als een feest.

Wat praat uw moeder toch van Schwaan?

Uw vader van het land der Britten?

Neen! die te Jena komt te zitten,

Zit aan een godentafel aan.

’k Heb daar aan alles meêgedaan.—

Maar,—wacht eens even, vrind! je glas

Is leêg, en dat komt niet te pas.—

Welnu, toen ’k nog te Jena was,

Gebeurde ’t soms ook, dat we samen

Het marktplein tot een kampplaats namen.

Dan ging ’t er soms onstuimig toe,

Met bloote degens,—weet gij, hoe?”—

En hier nam hij een boonenstaak.—

„Kijk, zoo! zoo ging het wapen dan,

En bijna ied’re stoot was raak,—

Daar kunt ge staat opmaken, man!”

En, al vertellend, doet hij na

Hoe dan de blanke degen ging,

En, warm bij die herinnering,

Zingt hij met luider stem dit lied,

Maar wordt beluisterd door zijn gâ,—

Doch in zijn geestdrift merkt hij ’t niet:—

„Laat ons klinken! Jena leve!

Hoera! hoera! hoera!

’t Saaie ras der ploerten sneve!

Hoera! hoera! hoera!”

Maar nu komt vrouwlief voor den dag,

En schudt het hoofd, en spreekt: „Ik mag,

Ik wil zoo’n wereldsch lied niet hooren;

Een wanklank is het in mijne ooren.”

„Ja, vrouw! je hebt geen ongelijk,

Maar ’t lenteveld, aan vreugd zoo rijk,

De parelende wijn en dan

’t Herdenken van die schoone tijden,

Waar zóóveel goeds me in mocht verblijden,—

Daar werd ik opgewonden van.

Intusschen, gij, mijn zoon! wees wijs,

En stel niet op te hoogen prijs

Wat de aarde u biedt, want ijdel is ’t;—

Een waarheid, waar in oude dagen

Reeds koning Salomo van wist.

Laat de aarde u niet te veel behagen.

De kunst is lang, en kort is ’t leven.

En ’t schepsel dezer wereld is

Aan jammer en verderfenis,

Aan diepe ellende prijs gegeven,

Maar, hoor!—Daar slaat een nachtegaal.

Wat spreekt die toch een schoone taal!

Men wordt,—maar, laat ons niet vergeten;

De wereld is met schuld bedekt,

De wereld is met schand bevlekt;

Zij heeft haar rang en roem versmeten.—

Maar, luister! hoor! daar klinkt het weêr

Dat blijde nachtegalenlied;

’t Glijdt troostvol in ons harte neêr;

’t Is of ’t aan hooger sfeer ontschiet,

’t Is of het uit den hemel daalt,

En zachtkens, ja, maar toch met kracht,

Ja, krachtig, maar toch ook zoo zacht,

Ons harte naar den hemel haalt.—

Doch nu genoeg. Vaarwel mijn vrind!

Gods zegen moge u vergezellen.

’k Zal later u wel eens vertellen,

Waarom ik de aard verdorven vind.”—

„Vaarwel, mijn waarde domeneer!”

Zegt Hanne, en gaat het tuinhek door;

Maar de oude roept hem nog eens weêr,

En zegt: „Nu, goed onthouden, hoor!

Is ’t mooglijk, dat ge Jena ziet,

Verzuim vooral dan dàt toch niet.”

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings