18.
E. Laurillard translation
De herfst,—de trektijd,—is weêr daar.
De nachtegaal heeft d’ooievaar
De vreemde ontdekking reeds gemeld,
Die Krisje deed; maar of hij al
Bij iedereen voor wijsgeer geldt,
In dit zoo zonderling geval,
Komt, hoe hij peinst, voor zijn gezicht
Geen licht, geen enkel straaltje licht.
Ten laatste dunkt het beiden goed,
De zaak den kievit voor te leggen:
Misschien kan die er meer van zeggen.
En weldra vliegen zij met spoed
Naar d’omtrek van Gallin, alwaar
De kievit, als verleden jaar,
Nog woont bij ’t bosch. En de ooievaar
Neemt, bij hunne aankomst, ’t eerst het woord:
„Dag, vrind!—Wij zijn met iets verlegen;
Gij woont zoo lang reeds in dit oord,
En zijt, zoo dachten wij, genegen
Niet enkel, maar ook wel in staat,
Ons voort te helpen.” En nu gaat
Hij verder heel de zaak vertellen.
De kievit voelt een killen schrik
Daarbij langs al zijn leden snellen.
Springt op, en roept vol vuur: „Ja, ik,
Ik weet daar, waarlijk, alles van:
Ik zag het, dat zij daar den man
Vermoordden: ’k zag ook voor mijne oogen
Zijn jas en vest hem uitgetogen;
Vervolgens zag ik óók nog, dat
Zij ’t lijk met aarde en ruigte en blad
Bedekten, bij die wilgen, dáár:
Bruin was de jas; het vest was bont;
De bakker bond ze bij elkaâr!
Dat is wel ’t goed, dat Krisje vond!”
„Ja!” roept de nachtegaal, „bepaald!
Na ’t geen gij daar ons hebt verhaald,
Is zonder twijfel dit dat goed;—
En, dat juist Kris dat vinden moet!”
„Stil!” zegt nu de ooievaar, „weest stil!”
En zet zich peinzend op één been;—
Als hij door neev’len staren wil,
Dan kijkt hij zóó er ’t best door heen;—
„Laat mij een wijle hier alleen!”
Ten laatste is hij gereed, en vat
Een, naar ’t hem voorkomt, wijs besluit.
Hij slaat nu fluks zijn wieken uit
En vliegt naar ’t water heen. Daar zat
De kikker weêr op ’t plompen-blad.
En langbeen sprak: „Zoo! goeden morgen!
Mijn vriend! och, kom wat naderbij.”
„Ik dank je; ’k hoop er voor te zorgen,
Dit niet te doen,” zegt de and’re; „gij
Kunt nooit me iets zeggen of iets vragen,
Dat eenigszins mij kan behagen.”
„Wat? ’k Ben zeer gunstig u gezind.”
„Nu,” zegt de kikker, „wie een vrind
Ooit in verzoeking brengt, doet kwaad;
’k Zal hier wel naar u luist’ren; laat
Mij hooren, wat gij hebt.”—„Voorwaar!
Hij is niet dom,” denkt de ooievaar.
„Maar goed; hij is een volgend jaar
Al weêr veel vetter nog dan nu.”
„Hoor!” zoo vervolgt hij dan, „’k wil u
Gaarn’ laten zitten, waar gij zit;
Wat ik verlang, is enkel dit:
Kunt gij me ook zeggen, waar de muis
Zich heeft gevestigd metterwoon?”
„Ja wel; die houdt daarginder huis.
Daar op de hoogte, in ’t klavergras.”
„Welnu, dan is het goed, mijn zoon!
Alleen de mededeeling was
Dat, wat ik wenschte. Nu, ik zeg
U thans vaarwel; ik ga weêr weg.
Houd u maar goed, en leef gezond,
En word intusschen vet en rond;
Ik krijg u dan toch in mijn mond,
En dan zal ’t lekker zijn.”—„Jou, hond!”
Zegt nu de kikker, boos; en ras
Plomt hij naar onder in den plas.
En de ooievaar ging nu terstond
Den berg op, om de muis te zoeken,
En keek in reten en in hoeken,
Hij grijpt hem, en spreekt zóó hem aan:
„Ha, ha, kanalje! dat ’s jou werk,
Niet waar? om zoo op roof te gaan;
Jij eet je dik en vet en sterk
Aan ’t geen volstrekt niet jou behoort;
Noem jij dat zeed’lijk?—Spreek geen woord,
Of aanstonds daal je, tot je straf,
Zieltogend in mijn slokdarm af.”
De muis smeekt jamm’rend om genade,
En spreekt: „Ja, heer! ’k heb kwaad gedaan;
Maar, och! mijn kind’ren en mijn gade,
Die zetten daag’lijks weêr mij aan;
En ’k denk dan al;—ik, arme ziel,—
Wat juist zoo voor mijn huisdeur viel,
Dat zal ’k maar pakken. O, ’t is zeker,
Ik doe niet goed; ’k ben wetverbreker;
Maar gij zijt heer, en ik ben knecht,—
Och, oefen toch genadig recht!”
„Nu, ditmaal zal ik ’t nog vergeven;
Maar, voor die redding van uw leven,
Zult gij ook doen, wat ik u zeg:
Gij trekt uit dezen omtrek weg,
En gaat met dochters, vrouw en zonen,
Je weet wel, bij dien bakker wonen,
Waar Fiek, de kleine Poedel, dient.
Daar woont ook Kris, haar jonge vriend;
En wat die Kris je zeggen zal,
Dat doe je, altijd en overal.
Daar is een gat, en in dat gat,
Daar ligt een jas en nòg al wat,
Daar ga je wonen; en hoe dàn
Te doen, daar hoor je later van.
Maar Krisje mag daar ook verblijven,
Je zult hem nooit daaruit verdrijven;
Je zult ook Fiek nooit schrik verwekken,
Niet kruipen in haar bed, of ’k zal,
Dat zeg ik je ernstig, eens voor al
Je ’t vel dan over de ooren trekken.
Dus, oude schelm! Houd woord! Sta pal!”
En de ooivaar vliegt nu omhoog;
De muis ziet met deemoedig oog
Hem na, en vouwt de handen saâm,
En zucht: „Welnu in ’s hemels naam!
In naam ook van den ooievaar!
Ik zal dan maar gaan wonen daar.
’t Beviel mij anders hier ook best;
’k Had hier een kostlijk winternest;
En ’t is al weêr een heele last,
Met vrouw en kindren op te breken;
Maar, wil dat eens zoo’n hoogen gast
Dan moet men maar niet tegenspreken;
En, bovendien, een bakkershuis
Is nog zoo slecht niet voor een muis.”
Hij piept zijn volkje ras bijéén;
En dra trekt de familie heen.
En, zie! op ’t pad, waarlangs zij gaan,
Zien zij toevallig Fieken staan.
Alleen en treurig stond die daar,
Al turend naar den ooivaar,
Die juist daar over kwam gevlogen;
En tranen stonden in haar oogen;
Want Fieken had,—juist ook vandaag,—
Gallin bezocht; zij wou zoo graag
Haar ouders een en ander zeggen.
En met hen saâm eens overleggen.
’t Was Zondag, maar haar vader zat
Niet t’ huis; die was juist uitgegaan,
Voor wien hij veldwerk had gedaan.
Maar moeder stond het zeer goed aan,
Dat Fieken kwam: dat gaf haar stof,
Om recht naar hartelust te praten,
Van koe en zwijn, van huis en hof;
Niets, niets werd onvermeld gelaten.
Maar ’t meiske kon niet langer meer
Nu zwijgen, en zij ging het wagen
Aan moeder haren nood te klagen.—
Maar, ach! daar trof ze geen mooi weêr.
Want moeder zei: ze had geen plan,
Haar zondagmiddag te besteden
Aan ’t luist’ren naar die malligheden,
Die kinderachtigheid; en dan:
Zoo iets kwam overal wel voor;
Fiek maakte er te veel leven van;
En zij behoefde ook geen gehoor
Te leenen aan ’t geen leelijk was;
En, ’t kussen kwam wel niet te pas;
Maar had zij dan nog niet haar handen,
Wanneer haar iemand aan wou randen?
„Och, kind! een mensch komt nooit terecht
Wanneer hij zich niet weet te voegen,
En aanstonds klaagt van naar en slecht.
Al geeft die dienst je geen genoegen.
Je moet er blijven; laat je raân!
Hoe zou ’t ook voor de wereld staan,
Indien ’t bericht hier rond moest gaan:
Fiek is al uit haar dienst vandaan?
Wie nam je ook dan terstond weer aan?
Neen! gist’ren sprak me nog vrouw Snoet
Van haar Johan; die maakt het goed:
Die maakt het zóó, dat, waar gebeurt,
Dat hij vertrekt, men hem betreurt,
En nooit vertrekt hij, of ’t moet zijn,
Dat elders meer weêr valt te leeren;—
Hij is op heden aan den Rijn;—
Zie! zulk een wandel moet men eeren;
En zoo moet gij ook doen, altijd.
Maar, staak nu dat benauwd gekrijt,
Want blijven moet gij, waar ge zijt.”
Dat was de troost, dien moeder gaf.
En Fieken trok verdrietig af;
En toen ze, op weg, genaderd was
Aan ’t plekje, waar eens in het gras
Johan lag,—zag op eens haar oog
Den ooievaar, die hoog, heel hoog,
Zich, lustig zwevend, voortbewoog,
En aan den lichten slag der schachten
Van dien zoo vrijen ooievaar
Verbond het arme kind gedachten,
Die pijnlijk waren, droef en zwaar:
Gij kunt uw vleug’len strekken,
Vrij, over zee en land;
O! kon ik met u trekken,
Ver, ver van smaad en schand’!
Omlaag hier, drukken grieven
Op ’t arme hart, zoo zwaar;
Kon ik de lucht doorklieven,
Als gij, lieve ooievaar!
Wie liefde in zijn gedachten
En hart draagt, diep en stil,
Moet maar geduldig wachten,
Of ’t beter worden wil.
O! groet toch duizendmalen
Mijn Hannes, aan den Rijn!
Want, naar ik hoor verhalen,
Daar ergens moet hij zijn.
O! kon ik u verzellen!
Als gij, gevleugeld zijn!
En immer verder snellen
Tot aan den groenen Rijn!
[
Inhoud
]