12.
E. Laurillard translation
„Ja,” zegt vrouw Smidt, „mijn lieve kind,
’k Heb maar twee kleintjes nu; ik vind,
Daar kan ons Doortje wel voor waken;
In tuinwerk en in and’re zaken
Biedt Kris mij hulp; en Fritsje hoedt
De schapen bij de boeren hier.
Daarom, ik kan op die manier
Jou nu ontberen; dus je moet
Gaan dienen.”—„O ja, moeder! goed,”
Zucht Fieken; „’k wil wel dienen gaan;
Als ’t maar niet ver is hier vandaan.”
„Neen, in de stad. De bakker kwam,
Hier gist’ren; en je vader nam
Toen met den voorslag, die hij deed,
Genoegen. Dus, mijn kind, je weet,
Bij wien je nu in dienst zult gaan.
Godspenning heeft hij ook gegeven.
Hier is het geld, hier! neem dan aan!”
Maar Fieken slaat op eens aan ’t beven,
En roept met bange en droeve stem:
„Ach, moeder, moeder! niet naar hem!
’k Wil alles doen, wat gij gebiedt,
Maar stuur mij niet naar dezen man!
Zaagt gij dan die gejaagdheid niet?
Die onrust in zijn oog? En dan,
Hoe krijschend was zijn stem!—O, neen!—
Zend mij naar dezen man niet heen!
Zoo leelijk! Ik verschrikte er van.
De dominé heeft mij gezegd;
Zoo’n soort van mensch is zeker slecht.
Nog in mijn droom heeft hij van nacht
Me in vreeselijken angst gebracht.”
En zacht, maar toch met kracht en klem,
Smeekt zij weêr telkens: Niet naar hem!”
„Wat?” is het antwoord, „kind! je maakt
Je een angst, die spoedig zal bedaren.
Is dat iets, om zoo uit te varen?
’t Is, of je ’t onweêr heeft geraakt!
Kom, kom! wat kinderpraat is dat?
Jou tast nog de herinn’ring aan
Van toen je bij de ganzen zat,
En toen hij boos was en wou slaan.
Denk daar niet om; dat is voorbij;
En wees verstandig; hoor naar mij.”—
En Poedel zucht en Poedel schreit;
En moeder gromt wel: „Kwaje meid!”
Maar voelt toch ook, Fiek is haar kind,
Dat zij met hart en ziel bemint.
Wat helpt dat echter? Arme menschen,—
’t Zij, dat ze ’t wenschen of niet wenschen,—
Die kunnen wel niet anders, dan
Hun kind’ren in de wereld zenden.
Zij hebben vaak veel leed daarvan;
Zij doen het vaak met bloedend hart.
O! als de rijken van die smart
Ook maar een klein gedeelte kenden,
Er iets van voelden, hoe het grieft,
Wanneer men wegstoot wat men lieft,
Ze zouden tot zoo’n kind zich wenden,
Om ’t aan te nemen en te hoeden,
Om ’t voort te helpen, op te voeden,
En denken, bij dat droevig lot:
Dat kind is ook een kind van God.—
De Zondag komt; en Fieken staat
Gereed, om naar heur dienst te gaan:
Haar tegenspraak heeft niet gebaat.
Vrouw Smidt geeft haar het pakjen aan,
Waarin haar kleêren zijn gedaan,
Wel schamel, en met meen’gen lap
Bezet, maar zind’lijk, net en knap.
En voor de deur der woning zit
In ’t zonneschijntje vader Smidt,
Die nu, terwijl zijn vrouw nog dit
En dat bezorgt, tot Fieken spreekt:
„Ja, meid! Die dag van heengaan breekt
Voor ieder op zijn beurt al aan;
Ik ben zoo ook eens heen gegaan.
Ook ik ging zonder kist of koffer;
’t Pakje in mijn hand was al een offer
Geweest voor vader, niet gering.
En,—’k weet het goed nog,—ik ontving
Toen, bij dat afscheid, deez’ bretel.”
Hij knoopt die los.—„Kijk! zie je wel?
De riem is stevig nog en sterk;
Ze maakten toen recht deeg’lijk werk;
’k Gebruik dat ding reeds al die jaren,
En ook voor allerhande zaken,
Al naar de omstandigheden waren:
’t Heeft voor en na al moeten strekken,
Om iets, wat losbrak, vast te maken,
Om kar of sleê meê voort te trekken,
En om den rug der kleine snaken,
Bij stoute kuren, meê te raken.
’k Deed met dien riem dus heel wat af,
Den man tot eer, die hem mij gaf.
Nu, jou kan ’k geen bretel gaan geven,
Maar treed ik eenmaal uit dit leven,
En is het leer ook dan nog goed,
Dan zal ik onzen Frits haar schenken:
Wat mij nog dikwijls denken doet
Aan mijnen vader,—zie! dat moet
Hem zijnen vader doen gedenken.
Maar Fiek! jou kan ’k niet anders geven
Dan dezen laatsten goeden raad;—
Neem telkens dezen raad te baat;
En volg dien op, geheel uw leven,
Draag hem in ’t harte vroeg en laat;
Hij hebbe steeds, gelijk het leder
Van dezen riem, een taaie kracht;—
Als ge in een laagte zijt gebracht,
Hij trekke u naar de hoogte weder;
En, zet ge uw voet op slechte wegen,
Hij houde intijds u dan nog tegen;—
Hoor nu mijn raad; het is mijn zegen:
Als ge ooit, mijn Fieken! hebt misdaan,
Wil ’t door geen leugens dan verhelen;
Wie liegt, die komt ook licht tot stelen;
Wie op het pad der zonde gaan,
Die loopen op een schuine baan,
Wees nimmer wreev’lig; en als iets
U hindert, ga er niet om morren,
Volhard geduldig; want het knorren
Op lot en leven baat u niets.
En als gij iets gebeuren ziet,
Wat stof tot denken u kan geven,
Onthoud u van ’t gevaarlijk streven
Om ’t rond te kleppen; babbel niet!
Door babb’len is in menig leven
Al heel veel droefs en kwaads geschied.
En nu dit ééne nog er bij,—
Vergeet dat nooit,—verstaat gij mij?”
Hier keek hij duchtig streng haar aan,
En liet, heel zinrijk, zijn bretel
Met drift door zijne handen gaan,
„Onthoud vooral dit ééne wel:
Als je ooit je moeder kwam te onteeren,”— —
Maar verder sprak hij toen niet voort,
En ging in huis. Doch ’t harde woord
Doet Fieken ’t oog naar de aarde keeren,
En recht verdrietig zucht ze en weent.
„Kom!” spreekt nu moeder, „schrei maar niet!
Zoo erg heeft vader ’t niet gemeend;
Je weet, hij houdt veel van je, en liet
Dat blijken steeds door zorg en trouw.
Maar als je slecht je mocht gedragen,
Of over alles komen klagen,
Hier bij ons t’huis, ja wel, dan zou
Je vader boos zijn, en ook ik.
Maar, kom! wees nu maar in je schik.”
Dit woord ging van een kus verzeld.—
„Heb je alles nu? Waar is je geld?
Is ’t in je zak? Maar ’t zit zoo open;
Wacht! ’k zal het in je zakdoek knoopen.
Maar, hoor! geen gekheid daarvoor koopen;
En ’t niet vertoonen; want er loopen
Veel slechte menschen door het land,
En die zijn daad’lijk bij de hand.
Wie laag zich houdt, heeft zelden nood;
Wie praalt, heeft spoedig zelfs geen brood.
Nu, groet ook Fieken Schult van mij.
’k Hoor, zij wordt thans „Zaphie” geheeten;
Maar dat is dwaze hoovaardij;
En jij blijft „Fiek,” dat moet je weten;
Waarom daar zoo’n voornaamheid bij?—
En, wil je voor de Pinksterdagen
Verlof, om hier te komen, vragen,
En heeft de bakker niets er tegen,
Kom dan; maar breng voor de andre negen,
Voor elk, een krentenbroodje mee;
Zoo geeft het weêrzien meer verblijden,
Dan ’t zonder krentenbroodjes deê,—
Hoe graag ze je allen mogen lijden.
En nu, vaarwel, en blijf gezond!”
Zij drukt een kus haar op den mond,—
„En als je goed blijft van gedrag,
En niets van wat je hebt, verkwist,
Dan geef ik je, op St. Michelsdag,
Een mooie, nette kleêrenkist;
Althans, wanneer niet, onverhoopt,
De ganzenteelt ons tegenloopt.
Alzoo, mijn kind! vaarwel nu! ga!”
En Fieken gaat. Zij kijkt haar na,
Terwijl ook vader nog eens groet:
„Dag, lieve Fieken! hou je goed!”— —
En Fieken gaat, en weent nog zacht.
’t Is haar, als doolt zij in een nacht;
Alsof de sterren, zon en maan
Verschoten zijn en uitgegaan.
En toch is alles licht in ’t rond
En blij als in den wordingsstond
Des lichts; ’t is licht, als op dien dag,
Toen God voor ’t eerst Zijn schepping zag,
En over alles lag gespreid
Een glans van stille heerlijkheid.
Zoo treedt zij over bloem en gras,
Bij voog’lenzang en zonneschijn.
Zoo rein en schoon, als Eva was;
Maar toch met een gevoel van pijn,
Alsof zij voor haar gansche leven
Het Paradijs was uitgedreven.
En evenwel, al heeft zij smart,
Er springt een klare, held’re bron
Heel diep in ieder jeugdig hart,
Die al veel leed genezen kon:
De bron der hoop. Die ruischt daar zacht,
Maar toch met wonderbare kracht,
En deint en golft en bruist en wiegelt,
Tot zich er ’t hemelsblauw in spiegelt;
Dan vloeit de stroom steeds verder voort,
Al kronk’lend door een lief’lijk oord,
En al de schoonheid aan zijn zoom,
De frissche bloem, de groene boom,
’t Weêrkaatst zich alles in den vloed,
En alles blinkt in hoogen gloed,
En alles schittert, alles glanst,
En alles jubelt, alles danst;
’t Is in het kabb’lend golfgewemel
Of de aarde danst en ook de hemel,
En ’t hart wordt weêr van droef’nis vrij,
En ’t hart klopt hoog en ruim en blij.
Zoo kan de hoop verkwikken, streelen,
Met moed en levenslust bedeelen,
De diepste zielewonden heelen,
Door hare zoete poëzij.—
Zoo werkte zij op Fieken ook;
En ieder schrikbeeld, ieder spook,
Dat voor haar geest was opgedaagd,
Werd door die toovermacht verjaagd.
En verder liep ze, en liep, totdat
Zij op dat plekje nederzat,
Waar ook Johan gezeten had.
[
Inhoud
]