← Table of contents
Hanne Nüte en de kleine Poedel

7.

E. Laurillard translation

En boven hem, hoog in een boom,—

Een ouden wilg,—die aan den zoom

Des wegs stond, zat, vol teed’re min,

Een mosch op ’t donzig nest. Daar lagen

Zes bontgespikkelde eitjes in,

Waar ze op bleef broeden, onvermoeid;

Schier roerloos, nu al vele dagen,

Alsof ze aan ’t nest was vastgegroeid.

Haar kopje alleen ging heen en weêr;

En heel nieuwsgierig, ’t kuifjen op,

Keek ze op den frisschen slaper neêr

Van uit den hoogen wilgetop.—

Daar komt nu, tusschen gras en kruid,

Een muis te voorschijn, schiet vooruit,

En ruikt en loert, en veegt den bek

Zich met een voorpoot netjes af,

Alsof alleen reeds de etenstrek

Een schepsel vuile lippen gaf.

„Wel,” denkt de muis, „waar is het dan?

Ik ruik toch brood en vet er bij;

Maar ’k weet niet, waar het wezen kan.”

„Hier!” roept de mosch, „aan deze zij!

Links van dien slaper, zie je?—hier!

Ja wel! dáár, in dat blauw papier.”

De muis ziet Hanne eens even aan,

En is wel niet geheel gerust,

Maar kan toch ook den sterken lust

Naar zooveel heerlijks niet weêrstaan.

En zet zich naast de lekkernij,

Den rug heel krom en ’t viertal pooten

Door ’t krullend staartjen ingesloten;

En roept dan tot de mosch op ’t nest:

„Kom bij mij, Lotje! ’t smaakt zoo best!

De boter,—die neem ik voor mij;—

Maar wil je kruimels, haal ze vrij.”

Nu houdt de muis zijn smulpartij,

En richt zeer welgemoed den kop,

En soms het heele lichaam, op,

En snuffelt in den avondwind,

En roept al piepend vrouw en kind.

Mevrouw komt op ’t bekend geroep

Een hol uit, achter haar een troep

Van aangetrouwde en eigen kind’ren.

„Kom aan!” zegt vader, „zonder dralen

Hier aan den disch; wat zou ons hind’ren

Hier ’t hart eens lekker op te halen?”

„’t Is toch wel vrees’lijk!” roept de mosch,

„Dat volkje smult er maar op los,

En ik, die graag eens meêdoen zou,

Ik mag niet,—och! ik arme vrouw!—

Ik ben gebonden aan mijn huis.”

„Waar is uw man dan?” vraagt de muis.

„Waar zou hij wezen? Dag aan dag

Kroeg in, kroeg uit, bij ’t drinkgelag,

Met Krelis Vink en Hannes Putter;

En of ik zeg, dat heel wat nutter

Het leven kon en moest besteed,

Het baat mij niet; en ook,—hij weet

Nooit op zijn tijd naar huis te gaan,

Maar komt hier meest zeer laat nog aan,

En brengt soms uit een twist een sneê

Of buil of and’re wonden meê:

Nu, voelen moet wie niet wil hooren.

Maar, dat hij ook zich laat bekoren

Door ’t oude goudvinks-wijf,—haar vleit,

Daar streelt door liefde en hoff’lijkheid,

En met haar her- en derwaarts springt,

En dol verliefd haar lof bezingt,

En mij, zijn wettige, echte gâ,

Hier maar laat broeden voor en na,

Dat is het slechtste nog van al.

Maar, ’k zeg je, als hij nu weêr zoo laat

Als zoo’n schandaal hier vóór me staat,

Dat hij er toch van lusten zal!”

En in den kring der muizen springt

Een kikvorsch in, kijkt naar omhoog,

En vraagt, met schamp’ren spot in ’t oog:

„Wat zeg je?—dat je man bezingt

De schoonheid van dat dart’le ding?

O! wat een zinsverbijstering!

Eerst kunnen zingen! Maar jou man

Verstaat daar bijster weinig van.”

„Ja,” zegt daarop de wijfjesmuis,

„De zang hoort bij de kikkers t’huis;

’t Gaat mij althans door alles henen,

Als die hun stemmen saâm vereenen.”

En vader muis zegt: „Dat ’s maar waar!”

„Wel, wat ben jij een huichelaar!”

Roept nu de mosch. „Verleden jaar,

Toen schimpte je op die kikkerkoren,

Toen wou je haast verhuizen gaan,

Zoo ver maar moog’lijk, hier vandaan,

Om dat gekwaak toch niet te hooren.—

’t Is waar, mijn Jochem heeft geen stem

Om zich voor zanger uit te geven;—

Voor zwierbol, dat zou beter gaan;—

Maar toen ’k de bruid nog was van hem,

Hief hij, door liefde er toe gedreven,

Soms waarlijk schoone lied’ren aan,

Van „kusjes” en van „scheidingssmarte,”

Van „bitterzoet gevoel in ’t harte,”

En meer zoo;—ja! dat werd gezongen

Met gloed en met een fraai geluid;

Maar nu is hem de quint gesprongen;

De zuiv’re kracht is nu er uit;

Die glastoon, die er eens is was,

Is blijven hangen in het glas.

Maar daarom wil ik toch niet hooren,

Dat hem zoo’n kikker scheldt en smaalt.”

Nu grabbelt ze, achter en van voren,

Zich onder ’t warme lijf en haalt

Een ei te voorschijn, dat niet frisch,

Neen! nog al erg bedorven is,

En smijt dat met het woord; „Jou, gek!”

Den ouden kikker op zijn bek.

De booze groenrok tiert en raast

Van felle toornigheid, en blaast

Verwoed tot berstens toe zich op,

Ziet naar omhoog met dikken kop,

En schreeuwt: „Gemeen kanalje! wacht!

Jij zult tot straf den ganschen nacht

Vernemen ’t ratata-sonnet,

Voor kikkers op muziek gezet.”

En, kwak! en, kwak! springt de oude heer

Langs ’t veld, waar ’t jonge graan op staat,

En duikelt, altijd nog heel kwaad,

Plomp! in zijn groenen poel ter neêr,

Maar komt dan spoedig boven weêr,

En zet zich neder op een blad

En zegt wijsgeerig: „Nat is nat!”

En bij den boom, waar Hanne lag,

Deed zich een fladderende slag

Vernemen langs het stil gebladert’:

’t Is Jochem, die zijn woning nadert.

Een donk’re blos kleurt zijn gelaat,

Zijn kuif hangt ord’loos over ’t oog,

En ’t kraagje, dat hij om heeft, staat

Slechts aan één zijde nog omhoog.

Hij kijkt met vreemde blikken rond;

En nog eens weêr, en nog een keer.

„Hier,” denkt hij, „moet toch ongeveer

Mijn huisdeur zijn.”—Hij neemt terstond

Zich ’t kammetje uit den zak, en wat

Niet netjes zit, strijkt hij weêr glad;

Knipt wat sigaarasch van zijn linnen,

Wat stof van jas en vest, en wil

Nu zacht, heel zacht en stil, naar binnen,

Gelijk de dure tijd, zoo stil;

Maar zegt toch: „Zoo, dag, vader muis!

Ligt daar niet Hanne Nüte, daar?

Waarom slaapt die hier voor mijn huis?”

„Ik weet niet,” is het antwoord, „maar,

Pas op; je vrouw is zeer verstoord.”

„Och, vrind!” zegt Jochem, „ons behoort,

Ons mannen, heel de schepping toe.

Wij zingen, springen blij te moê;

En onzer waarde ons zelv’ bewust,

Doen wij steeds alles, wat ons lust.

De man is baas, in alle dingen!”

En nu begint hij luid te zingen:

„’s Morgens klokke drie of vier,

Trek ik lustig al van hier,

Om door woud en veld te zwieren,

Links en rechts te tierelieren;

Dat ’s mijn werk, mijn vreugd, mijn eer,

En des avonds kom ik weêr.

Als ik dan maar aan de klink

Van mijn huisdeur zacht rinkink,

Hoor ’k mijn vrouw, die lief en goedig,

Heel teêrhartig en blijmoedig,

Uitroept: „Ben je daar weêrom?

Lieve Jochem! wellekom!”

Nu sluipt hij zachtjes in zijn huis.

En aanstonds spreekt de wijfjesmuis

Tot haren echtvriend: „Hier gebleven!

Dat zal me daar een standje geven;

Blijf hier, hier hooren we alles goed.”

Maar vader muis zegt: „Neen! men moet

Niet luist’ren; maar ook, bovendien,

Wie in een twist van echteliên

Zich mengt, die komt er tot zijn straf

Meest met een vrachtje ransel af;

Ik hou me er buiten; maar, kom aan!

’t Is tijd, dat wij ter ruste gaan.”

„Ter ruste?” zei toen ’t vrouwtje, „ik dacht …”

„Och! hou je mond toch!” antwoordt zacht

Haar egâ. „Ben je dan bezeten?

De kind’ren hebben ’t niet te weten.

Wij houden ons voor hen nu maar,

Of wij naar ’t kikkerlied wat hooren,

Maar strakjes gaan wij in het koren

Van heeroom en den molenaar.”

[

Inhoud

]

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings