24.
E. Laurillard translation
De zwaluw ijlt met haren last
Naar Jochem. Die gaat juist te gast
In ’t oogstveld. Op een schoof gezeten,
Is hij met smaak en lust aan ’t eten.
Hij luistert stil met vollen krop,
En schudt zoo nu en dan zijn kop,
Totdat zij alles heeft verteld.
Maar dan, dan wordt hij boos en scheldt:
„Zoo’n domkop! Zich te laten pakken,
En achter ’t slot te laten plakken!
’t Is om te springen uit je vel!
Ik heb van deze zaak al wèl.
En denkt die ooievaar, dat ik
Niets heb te doen, dan zulke zaken,
Die krom zijn, weder recht te maken?
’k Ben met die taak niet in mijn schik.
Elk heeft genoeg aan eigen nood:
’k Bracht twee dozijntjes kind’ren groot,
Dit jaar; en daarbij maakt ook Lot
Mij met haar drukte ’t hoofd nog zot;
Ik moet gestaâg op Fieken letten,
En naar den bakker zien, daarbij;
Zie! zooveel wenschen, zooveel wetten,
Vermoeien en vervelen mij.”
Terwijl ze zoo nog spreken, zien
Zij iemand naad’ren. Wie zou ’t wezen?
De bakker. Hij gaat naar Gallin.
IJskoude blijdschap is te lezen
Op ’t leelijk bol en bleek gezicht,
Gelijk die op het wezen ligt
Des winters, als zijn hand het groen
Vernielt van veld en van plantsoen.
„’k Zie wel, daar broeit een onheil,” spreekt
Nu Jochem; „ga eens met mij meê;
’k Wil weten, wat daarachter steekt.”
En aanstonds volgen hem die twee.
De bakker komt in ’t dorp. Hij doet
Smidt’s huis niet aan, maar vraagt naar Snoet.
En Snoet komt uit zijn smederij.
De bakker maakt nu een begin,
En leidt, wat hij wil zeggen, in,
En heeft daar heel veel omhaal bij:
Hij kwam belangeloos, maar dacht,
Niet goed was ’t, dat hier werd gezwegen;
Hij had vandaag een brief gekregen,
Die hem een droeve tijding bracht;
Een brief uit Keulen, aan den Rijn,
Van zijnen broeder, die aldaar
Verblijf hield: en die schreef: ’t scheen waar,
Ja! ’t scheen maar al te waar te zijn,
Dat daar iets aak’ligs was geschied.
„O God! wat is ’t? Is Hanne krank?”
Roept moeder Snoet. „Neen, neen! dat niet.”
„O zoo! Dat niet! Nu, God zij dank!
Ik dacht aan erge tijding; en— — —”
„Ja! ’t is ook erg; daar kunt ge op aan;
’t Is de ergste tijding, die ik ken;
Want wat uw jongen heeft gedaan,
Komt vast op ’t leven hem te staan.”
„Heer in den Hemel! spreek toch man!
Wat is er dan? Wat deed hij dan?”
Zoo roept zij uit, terwijl de schrik
Door ’t hart haar spookt en door den blik.
„O God! mijn kind!” Zoo gilt zij weêr,
En zakt daarbij doodsbleek ter neêr
In haren stoel.—„Maar, spreekt toch voort!”
Zoo roept nu Snoet den bakker toe,
Die daarop antwoordt, woord voor woord,
Opdat het goed zijn werking doe:
„Welnu,—uw zoon,—die zit,—voor moord.”—
De moeder slaakt een kreet van smart,
En krimpt en kromt zich als een worm;
En vader zwijgt, maar in zijn hart
Ontwaakt een woedend-felle storm:
Hij kijkt den vent strak in ’t gezicht,
Waarop, nu hij er goed in ziet,
Eene, o! zoo helsche vreugde ligt,
Die als een vlam hem tegenschiet.
Nu vliegt hij op, en schreeuwt: „Gij zijt,
Gij zelf, al eens om moord gevat,
Maar Satan heeft je toen bevrijd;
En moet ik nu van jou hier dát
Vernemen, wat mijn kind bekladt,
En voor mijn arme, brave vrouw
En doodsteek is?—Er uit met jou!”
En, als dat woord zijn mond verlaat,
Smijt hij d’ellend’ling op de straat,
Nu troost hij zijne vrouw en zegt:
„Bedaar, bedaar! we doen niet recht
Met aan dien kerel ons te storen;
’t Zijn leugens, die hij ons deed hooren;
We moesten voor ons kind ons schamen,
Als we iets er van voor waarheid namen.”
Zoo spreekt hij met zijn vrouw in d’ arm.
Intusschen komt er groot alarm
Voor ’t huis: de bakker is verwoed;
En zijn onstuimig schelden doet
De dorpsjeugd om hem henen staan,
Veel vrouwen ook de straat op gaan,
Nieuwsgierig, wat daar zal gebeuren,
Terwijl de mans het gadeslaan,
Uitkijkend over de onderdeuren.
Juist komt ook vader Smidt daar aan;
Hij komt, van zijne vrouw verzeld,
Terug van d’ arbeid op het veld;
En gaat, door dat rumoer voorbij,
Zich niet bekreunend, wat het zij.
Maar zijne weêrhelft is zoo niet;
Die vraagt: „Wat is hier toch geschied?”
Waarop de bakker een verhaal
Haar doet, doorspekt met vloekentaal,
Dat haar doet roepen: „Hoor je dit?
Man! Kind’ren! Hanne Nüte zit!”
„Och, babbelpraat!” bromt vader Smidt.
Toch komt de gansche buurt bijéén,
En dringt zich om den bakker heen,
En vraagt: „Hij zit?—Waarom?—Hoe dan?
Een moord’naar? Hij? Johan?—Johan!”
En ieder zegt, dat dit niet kan.
„Hij liegt!” zegt Doortje Bung, „die vent!
De jongen staat voor knap bekend.”
„Hij liegt!” roept ook de wever Frahm;
„Hij liegt!” zoo roepen ze al te zaâm.
En spoedig gaat, van mond tot mond,
Het somber, dof gemompel rond:
Een moord? Er was, voor jaar en dag,
Een moord gepleegd; en goed zou ’t wezen,
Als elk maar op zich zelven zag;
En wie dat stuk beging, voor dezen,
Die zou ’t voor zich wel weten;—maar
Geen uit hun dorp was tot zoo’n daad
Van duiv’lenlaagheid ooit in staat;
Geen uit hun dorp was moordenaar.—
De bakker beeft van angst en schrik.
En in dienzelfden oogenblik
Verheft Kris Snoer,—een jong soldaat,
Maar met verlof terug,—zijn stem:
„Weg met dien kerel! Weg met hem!”
De hartstocht klimt, en bijna slaat
De troep tot daad’lijkheden over.
Maar zie! van achter ’t kerkhofloover
Kwam kalm en stil een grijsaard aan,
Wiens komst schier allen fluist’ren deê:
„Stil, jongens! stil! de dominé!”
En hij bleef voor die schare staan,
En vroeg: „Wat brengt u hier zoo saâm?”
Toen trad vooruit de wever Frahm,
En sprak: „Een woord van dezen man,
Maar dat geen waarheid wezen kan.”
En hij vertelde kort en ras
Wat tijding daar van Hanne was.
En de oude man keek stil naar de aarde,
En hoorde zwijgend naar ’t bericht;
En toen hij in de hoogte staarde,
Toen lag er op zijn aangezicht
Een waas van droefheid uitgespreid,
Als had hij zelf een kind verloren,
En hij hervatte: „Wilt mij hooren!
Geen leugens heeft die man verbreid;
Laat hem met rust, want hij heeft recht:
Johan zit werk’lijk in den kerker.
En wordt beschuldigd, als bewerker
Van daden,—God! zoo gruw’lijk slecht!
’t Is van ’t gerecht mij aangezegd.
Toch zij het ver, zeer ver van mij,
Dat ik hem schuldig keure; hij
Was mij bekend reeds in zijn jeugd;
’k Heb toen, en later, mij verheugd
In zijn zoo braaf en rein gemoed;
En ’k meen, dat wie zóó is, zóó goed,
Niet eensklaps zulk een misdaad doet;
En,—ligt de waarheid nog in ’t duister,
Eens treedt zij op in al haar luister.
Maar gaat nu huiswaarts, kind’ren! gaat!
En bidt God, als gij voor Hem staat,
In ’t heiligdom der eenzaamheid,
Dat Hij dien ouders troost bereid’,
Door hen van angst en schrik te ontheffen;
Want, licht’lijk kunt gij dit beseffen:
Vooral die ouders lijden zwaar.”
Nu gaan ze zachtkens uit elkaâr.
Alleen vrouw Smidt gaat niet, want haar
Spreekt vriendelijk nog de grijsaard aan:
„Wilt gij met mij naar binnen gaan,
Bij Snoet? Want raadzaam dunkt het mij,
Dat vrouwenhulp aanwezig zij.”
Zoo doet zij nu; terwijl haar man,
Met al de diepe en reine smart
Van ’t medelijden in het hart,
Zich neerzet voor het huis. Hij kan
Daar hooren wat er wordt gezegd.
In ’t eerst verstaat hij wel niet recht
Nog alles, wat de grijsaard spreekt;
Maar ’t wordt al klaarder. En nu breekt
De vrouw in jamm’rend weenen uit,
En roept met aak’lig klaaggeluid:
„Johan!—Arm kind!—Mijn zoon!—Johan!”
Vertroostend spreekt nu de oude man
Haar toe, maar, ach! haar zielewond
Gevoelt daar geen verzachting van;
Te diep, te heftig is haar smart:
Het troostwoord valt voorbij haar hart,
Gansch vrucht’loos op den kouden grond.
En als hij eind’lijk ronduit zegt,
Dat, door een schrijven van ’t gerecht,
Onloochenbaar en zeker is,
Dat Hanne zit in hechtenis,
Ontstaat in huis daar een gekrijt,
Dat Smidt het hart als openrijt.
Snoet zelf heeft zich nog niet geuit,
Maar barst nu los met kracht en luid:
„’t Is niet! Hij heeft het niet gedaan!
Mijn kind kan niet zoo’n daad begaan!
Mijn kind kan niet om geld of goed
Zijn hand bezoedelen met bloed;
En, welke rechters dat beweren,
En wat getuigen dat bezweren,
’k Zeg, dat het laster wezen moet!”
Hij gaat naar buiten en ziet rond,
Verward, of hij in vreemde streken,
En niet voor eigen smidse stond;
Treedt weêr naar binnen, zonder spreken,
En kijkt verbijsterd, laag en hoog
In ’t rond, als heeft hij iets verloren;
Daar valt zijn schootsvel hem in ’t oog;
Werktuig’lijk smijt hij langs zijne ooren
’t Ding achter zich.—„’t Is vuile logen!
’t Is logen, wat ze ook zeggen mogen!”
Nu treedt hij weêr naar ’t zwart fornuis
En roert in ’t smeulend kolengruis,
En spreekt: „Toe, jongen! maak wat voort!”—
Daar is geen jongen, die hem hoort.
Maar nu komt zachtkens Smidt naar binnen
En trekt den balg. En, stomp van zinnen,
Laat meester Snoet met woest geweld,
Waarbij de slag steeds wordt versneld,
Den hamer op het ijzer vallen;
Een stroom van vonken spat er uit,
En ’t zwaar en donderend geluid
Doet alles rink’len, dreunen, knallen;
Weêr legt hij ’t ijzer in het vuur,
En peinst en mijmert op den duur,
En leunt op zijne tang, en zegt:
„Hier was ’t; hier heb ik mijne handen
Hem zegenend op ’t hoofd gelegd.”
Weêr doet hij ’t vuur nog feller branden,
Weêr trekt hij ’t ijzer van den haard:
„’t Is logen!” roept hij, „niets dan logen!”
En weder wordt met wilde vaart
De hamer op en neêr bewogen,
Totdat den ouden man op ’t lest
Geen kracht meer in de spieren rest;
En hij inéén zijgt.—Bang te moê
Doet Smidt de deur een weinig toe,
En Snoet, diep, diep bewogen, slaat
Zich beide handen voor ’t gelaat,
En tranen bigg’len langs zijn koon.
„Mijn kind!—Johan!—Mijn kind!—Mijn zoon!—
Ach! ’k weet wel, dat het leugens zijn,
Maar toch,—o God! wat zielepijn!
Och! dat ik dit nog moest beleven!
Had God mij maar den dood gegeven!”
En Smidt, met sprakelooze smart
Diep in zijn trouw en eerlijk hart,
Kijkt voor zich neêr, en treedt dan aan,
Blijft naast den droeven vader staan,
En legt zijn hand, vereelt van binnen,
Hem op den schouder. „Houd uw zinnen
Bijéén! De waarheid zal het winnen!”—
„Die ure moge spoedig slaan!”
Zegt Snoet, die weêr is opgestaan;
En kalm veegt hij den laatsten traan
Zich uit het oog. „Weg met die tranen!”
Zoo roept hij; „neen! geen mensch mag wanen,
Dat ik kan twijf’len aan mijn kind.
Mijn kind is niet zoo boos gezind.
Mijn zoon! uw vader blijft u trouw!”
En nu, nu houdt hij op met weenen,
Maar mompelt somber voor zich henen:
„Och, lieve God! mijn oude vrouw!”
[
Inhoud
]