13.
E. Laurillard translation
En Jochem kijkt zijn venster uit,
En roept bewonderend: „Wel, verbruid,
Wat is die mooi!—Waar ben je, vrouw?
Kom gauw, kom hier eens even kijken;
Wat is ze mooi! Zoo waar, ik zou
Haar haast met jou gaan vergelijken.”
„Och!” antwoordt Lotje, een beetje kwaad,
„Jij altijd met je gekken praat!
’t Is tijd om iets te doen. Maar wat?
Mij dunkt, vergadering beleggen.
Althans, nu aan de zwaluw zeggen,
Dat zij thans weg moet, naar de stad.”
„Ja,” antwoordt Jochem; „zie je? dat
Is iets wat wij met goed fatsoen
Nu samen mede konden doen;
Wij konden mede stadwaarts gaan,
En leggen daar een huizing aan;
Dan zijn wij altijd haar nabij.
’k Weet aan den muur der bakkerij
Een ouden boom, heel hol en dik;—
Daarheen dus, dunkt me; gij en ik;
De kind’ren niet; die worden groot;
Die kunnen nu zich zelv’ bedruipen,
En zorgen voor hun eigen brood.
Een sidd’ring kan mijn hart bekruipen,
Wanneer ’k me voorstel, dat al ’t kroost,
’t Welk wij al kwamen uit te broeden,
Nog hier was. Waarlijk! ’t is een troost,
Dat eens ’t verplegen en het voeden
Aan ’t eind is. ’k Heb wel liefde; maar,
Dan werd de taak toch al te zwaar.
Dus, heden moeten onze spruiten
Van óns af, en de wereld in;
Wij moeten kalm daartoe besluiten,
En dan ook hand’len in dien zin.”
En nu riep Jochem al de namen
Der kind’ren af; en toen ze kwamen,
Sprak hij recht vaderlijk hun aan:
„Door uwe moeder en door mij
Is voor uw vorming veel gedaan;
Wij stonden u in ’t vliegen bij;
Wij spijsden u; de kunst van eten
Wordt door u meesterlijk verstaan;
Wij leerden u, wat gij moest weten,
Met name, dat gij steeds de kat,
En wouw en zoo, te vreezen hadt;
’k Herhaal die les; blijft haar betrachten,
En voor zulk moord’naarstuig u wachten.
Voorts moet ik dezen raad u geven:
Neemt alles wat gij krijgen kunt;
Grootmoedigheid houdt niet in ’t leven:
En ook het brood, dat niet gegund
U wordt, smaakt lekker en doet goed.
Maar toch, vergeet niet, wat ge ook doet,
En welke streken ge uit moogt voeren,
Dat gij als heeren, niet als boeren,
Dus met iets fijns, steeds hand’len moet.
Vaartwel nu, maar, wat lot u beid’,
Wat stand de toekomst u bereid’,
Verzaakt toch nooit de dankbaarheid.
Dat is een deugd die bij de kind’ren,
Hoe lang ze leven, niet mag mind’ren.
Bedenkt alom dus en altijd,
Dat gij ons ’t leven schuldig zijt,
Dat door ons beiden is gebroed
Twee weken lang,—en veertien dagen
Door ons voor u is zorg gedragen;
Wij hebben u verpleegd, behoed,
En steeds voorzien van kost’lijk voeder
Dus, denkt aan mij en aan uw moeder.
Nu, in òns hart blijft gij ook leven,
Al gaat gij henen uit ons oog.
Houdt even nu den staart omhoog,
Dan zal ik ’t laatst vaarwel u geven.”
Nu doet hij met een hort hen allen,
D’een na den ander, ’t nest uit vallen.
Maar allen vliegen weg. Slechts Kris,
Die niet zoo vlug als de and’ren is,
Ook minder sterk en minder groot,
Valt, bij dien onverwachten stoot,
Gansch hulpeloos in Fiekens schoot.
Zij nam hem zachtjes in haar hand,
Terwijl ze medelijdend sprak:
„Uw vleugeltjes zijn nog te zwak;
Ik zal u met mij nemen; want
De havik maakte u maar van kant,
Wanneer ik hier u liet:—gij zijt
Hier in den omtrek vast geboren;
Gij zult mij, in vervolg van tijd,
Iets van mijn vaderhuis doen hooren.”
Zij neemt hem meê, en zij verheugt
Zich om die mosch met reine vreugd;
’t Is maar een mosch; maar toch een wezen,
Waar zij den kommer van verzoet;—
Dat is de liefde, in haar gemoed
Heel zachtkens, zachtkens opgerezen.
En òm haar hoort ze alomme fluiten:
„Daar gaat zij! Kijkt eens! Komt eens buiten!
Daar gaat zij! Fieken! Kijkt toch, dan!
’t Aanstaande bruidje van Johan.”
De zwaluw scheert steeds op en neêr,
En doopt, bij ’t fladd’ren heen en weêr,
Haar wiekjes telkens in het water,
En roept met blij en luid gesnater:
„Ja, Fieken! Ja, Fieken! de beste zijt gij;
Ja, Fieken! Ja, Fieken! ik blijf u nabij;
’k Ga nest’len bij ’t venster aan ’t huis van den bakker;
En ’s morgens, nog vroeg al, dan maak ik u wakker.”
En moeder Lotje zingt een lied,
Om ’t geen haar liev’ling is geschied:
„Wat is u, mijn Krisje! Wat is u gebeurd?
Mijn Benjamin, die me van ’t hart zijt gescheurd!
Wat zijt gij gevallen, zoo hals over kop!
Maar wij blijven bij u; verlaat u daarop.
Wij bouwen een nest ons in ’t vensterkozijn;
En als we u dan roepen, mijn Krisje! verschijn:
Dan deelen we u spijs meê, o! meer dan genoeg;
Maar pas op de katten en vlieg niet te vroeg.
En wek in het hartje van Fiek goeden moed;
Mijn Krisje! mijn lieveling! hou je maar goed.”
En ’t nachtegaaltje keek nieuwsgierig
Naar Fiek, en wipte en sprong, heel tierig
En opgeruimd, van tak tot tak,—
Haar begeleidend steeds,—en sprak:
„’k Weet een hoekje; ver is ’t niet
Van des bakkers huis;
In zijn tuin; waar ’t beekje vliet
Over ’t kiezelgruis.
Fieken! op dat plekje daar
Vindt gij mij steeds weêr;
’k Zet mij zingend jaar op jaar
In dat hoekje neêr.
Wend u vaak, als de avond dauwt,
En de scheem’ring zachtkens grauwt,
Naar die stille plek;
En wanneer gij soms eens brief
Hebben mocht voor Hanne-lief,
’k Neem dien gaarne voor u meê, als ik weer vertrek.”
En als zij verder gaat, dan dringt
Haar uit het bosch, zoo groen en frisch,
Waar ’t nacht’lijk koel en duister is,
De feestgalm van een talrijk koor
Gepluimde zangers in het oor,
Een koor, dat, o! zoo prachtig zingt.—
O, voog’lenlied! O, statig woud!
Al voelt het hart zich krank of oud,
Al slaakt de boezem zucht bij zucht,
Uw reine klank, uw zuiv’re lucht,
Heeft tooverkracht, die troost en streelt,
De smart verzacht, de wonde heelt.—
En toen in ’t plechtig avonduur
De sterren blonken aan ’t azuur,
Zat Fieken in haar eenzaamheid,
In ’t klein, armoedig kamerkijn,
Dat tot verblijf haar was bereid,
Dicht onder ’t dak. En teêr en fijn
Weêrklinkt in dezen oogenblik,
Op ’t vensterglas een zacht gepik.
Dat doet de zwaluw, die dan zegt:
„Zie! hier heb ik mijn nest gelegd;
Vlij thans u kalm ter ruste neêr;
Ik wek u morgenochtend weêr.”
En Jochem arbeidde in den knoest,
Die hem tot woonsteê worden moest;
En Lotje riep tot Christiaan:
„Mijn kind! gij moet nu slapen gaan;
Rust wel, mijn Krisje! maar ’k verwacht
U morgen weêr aan ’t venster;—dan
Vertelt ge er, hoop ik, mij iets van,
Hoe zij den nacht heeft doorgebracht.”
En buiten zong toen, en nog lang,
De nachtegaal dien zoeten zang:
„De een trekt over berg en dal,
De and’re zit te treuren;
Maar, hoe lang ’t ook duren zal,
Eenmaal zal ’t gebeuren,
Dat die twee weer samen zijn,
Vrij van zorg en hartepijn.
Zielevreugde ligt heel dicht
Bij de zielekwalen:
Als de bergen, schitt’rend licht,
Bij de duist’re dalen.
Werpe dan de macht der smart
Uwe hoop niet neder;
Houd vertrouwen in uw hart,
Want hij komt eens weder!”
[
Inhoud
]