23.
E. Laurillard translation
De kleine, lieve nachtegaal
Heeft in de tuinhaag veel gezongen,
En bij dien zang is menigmaal
Iets zoets in Fieken’s hart gedrongen.
Maar nu is weêr de trektijd daar,
En spreekt hij tot den ooievaar:
„Vaarwel! deez’ late tijd in ’t jaar
Is koud; vaarwel, mijn vriend! ik ga
Naar ’t warme land van Afrika!”
„Ik kom u eerstdaags achterna,”
Is ’t antwoord;—„’k vind geen adders meer,
Geen kikkers ook; en, keer op keer
Met muizenvleesch mijn maal te doen,
Dat brengt mijn maag uit haar fatsoen.
Vaarwel! Maar welke weg zal ’t zijn,
Dien ge uitgaat?—„Ik ga langs den Rijn.”—
„Zoo doe ik ook; dat komt heel goed;
’k Denk, dat ’k u daar nog wel ontmoet.”
De nachtegaal vliegt op, en trekt
Al verder, over land en meer;
En als hij ’t Rijnland heeft ontdekt,
Strijkt hij een weinig lager neêr,
En ziet daar twee gezellen wand’len,—
Een mets’laar en een snijder was ’t;—
Nieuwsgierig is de kleine gast,
En wat die beiden daar verhand’len,
Dat wil hij weten. „Neen!” zegt de een,
„’k Zeg, dat hij ’t niet gedaan heeft; neen!
’k Mag beed’len, al mijn levensdagen,
Als hij zoozeer zich kon verlagen.”—
„Wie niet gedaan? Wat niet?” zoo sprak
De nachtegaal in stilte, en vloog
Al luist’rend meê, van tak tot tak.—
„Al werd mijn bochel eens zoo hoog!”
Zei toen de snijder, gansch in gloed:
„Ook ik hou vol: in zoo’n gemoed
Als dat van onzen Hanne Snoet
Wordt nooit een moordplan uitgebroed.”—
„Wat is dat hier? Versta ik ’t goed?”
Denkt nu de nachtegaal, ontsteld;
„Een moordgeschiedenis! En geldt
Dat Hanne? Maar hoe kan ’t bestaan?”
Maar nu,—daar komt een rijtuig aan;
Een aardig vrouwtje, knap en frisch,
En met twee oogen vol van geest,
Zit op de bank daarin. Zij is
Eens Hanne’s meesteres geweest.
Zij houdt bij de gezellen stil,
Daar ze ook iets naders weten wil,
En vraagt hun: „Spreekt gij niet van Snoet?
Dat meen ik wel. Kon ’t u behagen.
Zoo komt dan bij mij in den wagen,
Als gij denzelfden weg op moet.”
En door vertellen en door vragen,
Blijkt nu weldra, dat alle drie
Van Hanne gaan getuigen, die
Weêr voor zal komen,—„Neen!” zegt zij,
Wat mij de krant ook late lezen,
Hij is het niet; hij kan ’t niet wezen;
Hij was zoo trouw; zoo goed was hij!
’k Wil huis en goed en smederij
En alles daar wel om verwedden;
Maar, ’k moet den Mekklenburger redden!”
En toen zij zoo dan, verder door,
Den weg op reden samen,—hoor!
Daar trof op eens een lied hun oor,
De nachtegaal verhief dat lied;
Maar ’t was zijn lenteliedje niet,
Dat voor een mensch een blij verschiet
Van levenslust en liefde ontsluit;
Hij haalde een and’ren zangtoon uit;
Een echo was het, zacht en teêr,
Die vroeg’re dagen nog eens weêr
Terug deed komen voor den geest;
„Hoor, vrouwtje lief! ik ben ’t geweest,
Die Hanne van u, door mijn zang,
Verwijderde; o! toen was ’t u bang;
Toen viel uw lot u vrees’lijk zwaar;
Maar toch was ’t goed zoo;—is ’t niet waar
Dat werd u later immers klaar,
Dat hij niet blijven mocht bij u.
De booze stond is weggedreven,
Die anders onheil had gegeven;
En zoo is ’t beter toch; want nu,
Nu drong de reine menschenmin
U zacht, maar diep ten boezem in;—
God zegene u! Nu is het goed.
God zeeg’ne u, om uw rein gemoed!”— —
Nu vliegt hij verder, en hij ziet
Den spreeuw. „Goên avond! Kunt gij niet
Mij zeggen, wat hier is geschied?”
Zoo vraagt hij dezen. Die vertelt,
Wat door zijn oom hem is gemeld,
En wat de menschen zoo al zeggen.
„’k Denk, dat op morgen de ooievaar
Wel hier zal zijn; ’t is ’t beste maar,
Dan met uw oom eens te overleggen,”—
Zoo spreekt de nachtegaal; „dan kan— —”
„Ja,” valt de spreeuw nu in, „maar, man!
Mijn oom moet willen; dikwijls wil
Hij zich niet uiten; houdt zich stil,
Of heeft de zonderlinge gril,
Van met der menschen taal te praten.
Maar, kom! de plek is mij bekend,
Waarheen hij dag aan dag zich wendt;
’t Kan zijn, dat hij zich uit wil laten.”
Zij gaan dan. In een nauwe gang,
Vlak naast de kamer der jodin,
Daar zit hij, mat en dof van zin.
Hij ziet hen komen; droef en bang
Blikt hij hen aan, terwijl hij stil
Zich aan hun oog onttrekken wil.
Maar als zijn neef vol vriend’lijkheid
Hem toespreekt en hem streelt en vleit,
En hij dus niet wel zwijgen kan,
Vertelt het oude beest hun dan:
De vrouw, ja, leefde nog, maar had
’t Verstand verloren, en zij zat
Steeds met haar handen om te woelen,
En àl maar op de plek te voelen,
Waar eens een halve gouden ring
Haar op den blooten boezem hing;
Die ring, al jaren daar verscholen,
Was door den moord’naar haar ontstolen.
Zoo sprak hij, en daartusschen in
Wierp hij gedurig dezen zin,—
Wild, of hij zelf verbijsterd waar:—
„Vloek! driemaal vloek den moordenaar!”
Terwijl nu zoo de spreeuw vertelt,
Is ’t jonge vrouwtje, vergezeld
Van snijder en van metselaar,
Ook in die buurt gekomen, daar,
Zij zijn bij Hanne’s baas en staan
Met hem in ’t voorhuis bij elkaâr.
Een mansgestalte komt daar aan,
Vervallen, mager, arm en naar.
Hij strompelt langzaam voort; hij strijkt
Langs ’t huisje der jodin en kijkt
In ’t rond, of hem ook iemand ziet.—
Een drang, die hem geen vrede liet,
Dreef telkens naar de plek hem heen,
Alwaar de gruwel was geschied;
En toch, het was hem, of er een
Daar telkens dreigend hem verscheen,
En toeriep: „Gij ontkomt mij niet!”—
Hij staat en staart, gejaagd en bang,
Het venster in.—„De moord! De moord!”
Zoo wordt op schrillen toon gehoord,
Van achter uit de nauwe gang.
Dat is die stem, dat is dat woord!
Dat joeg hem in dien nacht ook voort,
Toen hij zijn gruwel had verricht.
Hij staat, alsof een bliksemschicht
Hem raak’lings is voorbijgegaan;
Hij strekt de handen voor zich heen,
En roept: „Wat wilt gij? Laat toch staan
’k Nam niets u af,—dan dit alleen.”
Nu klinkt iets tegen ’t venster aan,
En dan op straat iets, op een steen.
„Neem weg! Neem weg! Meer heb ik niet!”
Zoo gilt hij angstig, en hij schiet
Terug,—verwild’ring op ’t gelaat,—
En ijlt dan door de stille straat,
Terwijl hij steeds nog ’t krijschen hoort:
„Vloek! Driemaal vloek! De moord! De moord!”—
Het viertal staat een heele poos
Bewegingloos en ademloos,
Tot eindelijk de snijder zegt:
Hij is ’t,— —de booze, dronken knecht!
Hij is de dader!”—En zij komen
Nu aanstonds alle vier naar buiten,
Ze hebben, alle vier, vernomen,
Dat daar iets rinkelde op de ruiten,
En zoeken samen ijvr’ig rond,
„Hier ergens viel het op den grond.”
Ja! zie! het jonge weêuwtje vindt
Een halven vingerring van goud,
Gebonden aan een zijden lint.
En als zij ’t in de hoogte houdt,
Dat lint, waar deze ring aan hing,
Dan kijkt van uit de gang daarop
De nachtegaal, en schudt zijn kop,
En zegt: „’t Is vreemd! Een halve ring!
En kleine Kris heeft net zoo’n ding.
Wat kan daar toch wel achter steken?
Nu, eerstdaags komt hier Langbeen aan;
Dien moet ik daar eens over spreken.
Dag, oom! dag spreeuw!—’k moet verder gaan.”
Hij vliegt in ’t bosch, en zegt: „Goddank!
Hier is geen jammer en—geen stank!
De stad zou nooit een woonplaats zijn,
Geschikt voor mij en mijns gelijken.”— —
De week daarop, komt aan den Rijn
Heer Langbeen werk’lijk nederstrijken.
De nachtegaal had hem zien zweven,
Hem en de zwaluw; en hij had
Geroepen: „Wacht jelui eens even!
Wacht even! Ik geloof haast, dat
Gij zonder mij op reis zoudt gaan!”
En toen was de ooievaar gedaald.
De nachtegaal alzoo verhaalt
Hem alles, van ’t begin af aan,
Wat daar in ’t huisje der jodin
Gebeurd is; en hij vlecht er in,
Dat juist den laatstverloopen nacht
De smid in hecht’nis is gebracht,
Maar dat hij alles loochent, wat
Men hem ten laste legt, en dat
Men daardoor, tot nog toe, geen vat
Op hem kon krijgen;—voorts nog dit,
Dat Hanne ook nog gevangen zit,
En dat de spreeuw, op gist’ren nog,
Bij hem door ’t venster had gestaard;
Dat hij erg was verbleekt, maar toch
Er rustig uitzag en bedaard.
En nu besluit de nachtegaal
Met deze vraag zijn lang verhaal;
„Wat nu te doen?”—„Een naar geval!”
Zegt de and’re; „ik moet me zeer bedroeven
Om Hanne; hij zou hulp behoeven;
Dat voel ik wel; maar met dat al,
Ik kan hier toch niet langer toeven:
Geen kikker springt hier op of neêr;
Voor jou is ’t ook de tijd niet meer.
Maar, wacht,—de zwaluw! Kom eens hier,
Jij, zwaluw! ’t Is me een groot plezier,
Wanneer je met ons op den duur
Wilt reizen; maar voor jou is ’t niet
Noodzaak’lijk, zie je? de natuur
Verleende jou bijzond’re gaven:
Jij kruipt in ’t najaar maar in ’t riet,
Jij kunt je zelfs in ’t slijk begraven,
En,—naakt het schoone jaargetij,
Dan kom je gansch en al weêr bij.
Vlieg jij nu naar de bakkerij,
Groet Jochem vriendelijk van mij,
Vertel hem van den halven ring.
En zeg hem, dat het net zoo’n ding,
Precies zóó, als dat andere is,
Dat in ’t bezit is van zijn Kris.
Zeg ook, dat als dáár iets geschiedt,
Hij van hetgeen ’k hem zeggen liet,
Dan altijd naar bevind van zaken,
En met verstand gebruik moet maken;
Zeg tevens, dat ik hem gebied,
Geen handen in den schoot te leggen:
Waarbij gij eind’lijk nog kunt zeggen,
Dat ’k hier ter plaatse drie vertrouwden,
Specht, mees en d’ouden spreeuw er bij,
Een oogje zal in ’t zeil doen houden,
Opdat ons niets te wijten zij.
[
Inhoud
]