1.
E. Laurillard translation
Toen ’t zomer werd, maar lente was,
Toen werden naar het groene gras
De jonge ganzen uitgedreven.
De landjeugd, vol van lust en leven,
Sprong links en rechts de deuren uit;
En ’t vroolijk-schaat’rend stemgeluid,
En ’t handenklappen, onder ’t dansen
In ’t licht der voorjaarszonneglansen,
Weêrklonk alomme vrij en blij.
„Kijk, Fiek! die zeven zijn van mij!”
„Kijk, Poedel! daar loopt de oude gent;
O, gansjes, die hem nog niet kent,
Past op maar, want de gent is valsch,
En als hij bijt, hij bijt niet malsch;—
Daar heb je ’t al!—Hou op, jou rakker!”
En, daad’lijk bij de hand en wakker,
Slaan hem de jongens op den kop
Met berketakken: „Toe! hou op!
Jou leelijkerd! allo! laat staan!
Geen gansje heeft jou iets gedaan.”
Zoo ging het daar in ’t groene gras,
Waar ’t schijnsel van den held’ren dag
Zoo rein en blinkend over lag,
Alsof ’t een zuiver laken was,
Breed op Gods tafel uitgespreid.
Toch is de disch nog niet bereid,
Althans aan zomerkost nog arm.—
Al is de zon zoo koest’rend warm,
De bloemen durven nog niet bloeien;
Wantrouwend voelen zij het gloeien
Dier stralen van den lentemorgen,
En houden schuchter zich verborgen.
Het ruig en stopp’lig winterkoren
Spitst luist’rend, scherp en fijn zijne ooren,
Of zich nog ’t ritselend in de lucht
Van hagel of van sneeuw doet hooren.
Het jonge blad, bedeesd, beducht,
Spreekt bevende de nachtvorst aan:
„Och, och! waart gij maar hier vandaan,
Dan zou ik vroolijk mij ontplooien
En lustig al de takken tooien.”
De boterbloem loert door de struiken,
Of zij zich reeds vertoonen mag,
Maar acht het beter weg te duiken
In ’t kruid, dat haar geboorte zag.
De zonnebloem kijkt uit de bladen,
Die haar omsluiten, naar omhoog,
Alsof zij uit het stralend oog
Der zon het antwoord wenscht te raden
Op hare vraag: „Wat denkt ge er van?
Denkt gij, dat ik verschijnen kan?”—
En overal, aan alle kanten,
Rolt de opgewonden jeugd in ’t gras;
En luchtig zijn die jonge klanten,
Alsof ’t reeds volle zomer was.
Deez’ zonder buis, die zonder pet,
De meesten op hun bloote beenen;
Ze dart’len door elkander henen
En hebben allen dolle pret.—
Lief groepjen in den zonneschijn!
Waar kan ’t op aarde beter zijn?—
En bij dat lustig kinderspel
Zat ééne stil. Ook zij had wel
Den gloed der vroolijkheid van binnen,
Maar zij was minder los van zinnen;
Ook had haar moeder haar gelast,
Dat zij zou breien. „Poedel” was ’t,
De kleine Fiek, van dertien jaren.
Nooit was er liever kind. Heur haren,
Heel kroez’lig door elkaâr gekruld,
Zijn nu, in ’t zonlicht, als verguld.
Dat licht, dat haar zoo echt gezond
Er uit doet zien, en hare lippen
Met rozetinten aan komt stippen,
Penseelt een glimlachje om haar mond
En dringt door ’t donker oog, vol gloed,
Tot in het diepst van haar gemoed.
En toen ’t daarbinnen onderzocht,
Hoe ’t met haar hartje wezen mocht,
Toen vond het alles daar zoo vredig,
Zoo blank, zoo rein, zoo trouw, zoo zedig;
En ’t sprak, als ’t ware: „Hier is ’t goed;
Dit zocht ik juist, zoo’n rein gemoed.”
En hierdoor kwam het dan ook, dat
Zij steeds iets zonnigs in zich had.—
’t Gejoel rondom haar duurt nog voort.
De kinderlach, door niets gestoord,
Blijft òm haar schallen blij en luid.
Maar ’t breien gaat niet hard vooruit.
Want nù komt kleine Doortje en legt
Haar bloemenstelen op de knie,
En eischt, dat zij een ketting vlecht’;
En dàn komt Peters Hannes, die
Van een verdorden, droogen stengel
Een fluit wil hebben.—„Domme bengel!
Een fluit van dat verdorde riet
Jou maken? Neen! dat kan ik niet.
Maar,—blijf hier voor mijn ganzen waken!”
Zij legt nu ’t breiwerk even neêr,
Loopt naar de beek en keert dan weêr
Met riet, waaruit iets is te maken.
„Kom hier nu, jongen! kijk goed toe,—
Dan leert ge ’t ook,—hoe ik dat doe,
En zing dan met twee bolle kaken:
Laat de fluitjes vroolijk gaan!
Blaas den wind er lustig in,
Ruim van borst en blij van zin!
Maar, kom! mijn breiwerk komt niet klaar,
Car’lien! help jij hem verder maar.”
En nu de fluitjes zijn gemaakt,
Begint het feest eerst, en geraakt
De vroolijkheid in vollen gloed.
’t Is een geschetter en getoet,
Waar Lodewijk zijn best aan doet,
En Karel, Kris en Carolien;—
Ze fluiten allen door elkander,
De een op al scheller toon dan de ander,
En blazen, dat ze er rood van zien.
En Jochem Kort doet ook meê, die
Heel ernstig, met een dikken stok
Steeds vedelt op een elzeblok;
En voortgaat met die symfonie,
Ofschoon hem Fieken, ernstig zacht,
Het woord doet hooren: „Jochem, wacht
Dat ik je neus eens af kan vegen.”
De knaap verzet zich niet daartegen,
Maar vedelt immer dapper door;
’t Waar’ jammer, als hij tijd verloor.—
En daar komt Frits, en houdt zijn handen
Met heel veel zorg vast op elkaâr,
Terwijl zijn dikke wangen branden
Van vreugd. „Kijk, Fiek! wat heb ik daar?”
Zóó barst zijn hooge geestdrift los.
„Wat heb je dan?”—„Een mooie mosch.”
„Een jonge zeker?”—„Neen! een oude.”
„Laat zien.”—„Ja, als ik jou vertrouwde!
Neen, Poedel! ’k laat me niet bedriegen,
Jij zoudt hem aanstonds laten vliegen.”
„Welnu, dat was toch immers goed;
Laatst zei de meester nog: je moet
Zoo’n schuld’loos schepseltje niet plagen.”
„Ei, zoo? ’k Zal zijn verlof niet vragen.”
„Nu, als je’m thuis brengt, weet ik al,
Dat moeders hand je raken zal.”
„Dat doet zij toch; dus, ’t baat niet veel,
Wat je aanmerkt; ik krijg toch mijn deel.”
Maar eensklaps roept nu Poedel uit:
„Een wouw! een wouw!” en iedereen
Loopt ijlings naar zijn gansjes heen,
En allen roepen wild en luid:
„Een wouw!” En Frits, van moed aan ’t blaken,
Zoekt naar een steen, om hem te raken,
Maar onbedacht laat hij de mosch,
Zijn schoonen buit, een weinig los;
En,—tjielp! het vogelkijn ontvlucht,
En Frits roept: „O!”—en staat versteld
Te turen in de held’re lucht,
Waarin zijn mosch is weggesneld.
„Dat ’s jou schuld, Poedel! ’k Zal je … neen!
Neen, Poedel! jij hebt niets te vreezen;
Maar ’t had een ander moeten wezen!
Die ging niet zonder ransel heen!”
Nu wijden ze allen hunne hoede
Aan ’t ganzenvolk, hun toevertrouwd,
Zoodat elk met zijn berkenroede
Zijn eigen troepje samenhoudt.
En alles keert tot de orde weder;
En de oude ganzen, wijs en vroed,
Zien, met gerekte halzen, neder
Op ’t grijzig-gele jonge goed,
Als om met zekerheid te ontwaren,
Of geen verloren is gegaan;—
Waarna ze op éénen poot gaan staan,
En lodd’rig in de hoogte staren,
Terwijl zij uit de diepste hoeken
Van ’t ganzenhart de wouwen vloeken.
Doch, de oude gent, zoo valsch van aard,
Is nog zoo spoedig niet bedaard.
Den kop omhoog, den hals vooruit,
De vlucht gespreid, stapt hij, al blazend
Met boos en dreigend sisgeluid,
Langs de and’ren heen, of vliegt, als razend,
De kind’ren aan, die wijd en zijd
Verstuiven dan, door schrik gedreven,
Maar toch nog lachen bij hun beven,
En bij ’t geroep: „Pas op! Hij bijt!”
Terwijl het beest zoo woest zich roert,
Komt met een zeer voornamen gang,
Op ’t pad, dat langs de weide voert,
Een man aan, deftig, strak en lang.
„Daar komt de bakker,” roept Frits Smidt,
„De rijke bakker; kijk! hoe wit
Is hij van hoofd tot voeten toch:
’t Is net een wandelende trog.
En als je ’t eens niet beter wist,
Dan zou je zeggen: ’t vol gezicht,
Waar zoo iets bleeks en weeks in ligt,
Dat is een klonter deeg met gist.”
En op dien deegklomp zat, behoorlijk,
Een muts van fijn en helder doek,
Met zeven plooien, heel bekoorlijk;
Ze had iets van een ketelkoek.
De bakker blijft zijn tocht vervolgen,
En denkt soms onderweg aan niets,
En somtijds denkt hij weêr aan iets.
Maar, zie! daar pakt hem, fel verbolgen,
Op eens de valsche gent in ’t been.
De schrik vliegt door zijn aad’ren heen.
Hij slaakt een bangen schrillen kreet,
En schopt en slaat; de gent houdt beet;
En al de ganzen gaan aan ’t snaat’ren,
En al de kind’ren staan te schaat’ren,—
Om d’angst en gramschap van den man,
Die trapt, al wat hij trappen kan,
Naar adem hijgend, gansch ontsteld.—
Een leven was het van geweld.
Ten laatste komt de bakker vrij,
Doch stuift nu op de kind’ren af,
Ontvlamt in toornigheid; maar zij,
Zij gaan aan ’t loopen, op een draf,—
De schoenen uit,—door struik en hagen,
Totdat ze ’t veilig kunnen wagen,
Om weêr een wijle stil te staan.
Dan zien zij hem al spottend aan,
En roepen sarrend: „Dapp’re vent!
Daar komt de gent! Daar komt de gent!”
En Fiek, die dat tooneeltje zag,
Schoot ook,—ze moest wel,—in een lach.
De bakker wordt dien lach gewaar,
En, daar hij de and’ren niet kan grijpen,
Pakt hij nu Poedel in het haar,
En schreeuwt: „Wacht, nest! jou zal ik knijpen.”
Maar allen uiten éénen kreet:
„Pas op, hoor! je doet háár geen leed.”
De een dreigt: „hij zal ’t aan moeder zeggen.”
En de ander neemt een smeektoon aan;
Elk zoekt het hierop aan te leggen,
Dat hij toch Poedel niet zal slaan.
En Hannes Peters zet zijn tanden
Schier raad’loos in zijn eigen handen,
En brult zoo luid van angst en smart,
Als drong een braadspit door zijn hart.
En poedel weeklaagt: „Laat me gaan!
Ik heb je niets geen kwaad gedaan.”
Toch wil de booze man haar slaan,
En tilt zijn arm— — —maar onverwacht
Krijgt hij een oorveeg heel onzacht.
Waar kwam opeens die klap vandaan?—
Hij ziet daar Hanne Nüte staan;
Smidsjongen, flink, en blank van ziel,
Schoon zwart van buiten; vlug en wakker;
Hij was ’t, die, als een inktvlak, viel
Op ’t mooie krijgsplan van den bakker.
„Wat doet dat kind jou, valschaard? zeg!
Je blijft er af, en gaat je weg!”
En trotsch kijkt hij den bakker aan,
Die jongen, zwart tot in zijne oogen;
De kind’ren komen aangevlogen
En blijven achter Hanne staan,
En roepen: „Toe maar! Sla er op!
Toe! sla den bakker op zijn kop!”
En: „Wou hij poedel slaan? die vent!
Zij deê hem niks; alleen de gent.”
Zoo kraaien ze uit hun veilig nest.
De bakker vond het nu maar ’t best,
Zijn mooie muts, met zeven hoeken,
Die afgezwaaid was, op te zoeken.
Hij zet die op; en nu, hij gaat,
Maar draait zich om, en zegt, heel kwaad:
„Wacht, deugniet! ik spreek jou wel nader,
Ik kom vandaag nog bij je vader.”
„’t Is goed,” is ’t antwoord; „ga je gang!
Hoor bakker! ’k ben voor jou niet bang.”
En Frits roept: „Wat een malle broek!
En wat een muts!—Een ketelkoek!”
En Jochem roept: „Die domme poen,
Wat wou hij onze Fieken doen?”
En Hannes Peters schimpt nu meê,
Maar jammert weêr van angst en wee,
Terwijl zijn blos tot wit verschiet,
Zoo vaak de bakker ommeziet.
„Wel, Fiek,” spreekt Hanne en streelt haar wang,
„Ben je erg verschrikt? Je moet niet schromen;
Die Judas zal niet wederkomen;
Hij doet ons niets; wees maar niet bang.”
En Fieken grijpt zijn zwarte hand,
En doet deelnemend hem de vraag:
„Maar, Hanne! krijg jij nu geen slaag?”
„Ja, als die laffe, valsche klant
Naar vader gaat, zou ’t moog’lijk wezen;
Maar,—neen, dat is toch niet te vreezen:
Als ’k lieg of lui ben, slaat hij mij;
Maar hier, neen! hier komt moeder bij,
Als voorspraak; neen! hier is geen nood;
En dit geval bloedt zachtjes dood,”—
En toen ging Hanne Nüte heen.
De kind’ren dartelden al weder,
Fiek zat weêr met haar breiwerk neder,
En ’s avonds merkten ze: geen een
Der kleine gansjes was verloren.
Zoo eindigde alles naar behooren.
Maar allen waren toch nog kwaad
Op dien zoo valschen, witten vent,
En roemden Hanne’s heldendaad,
En Poedel en den grijzen gent.

Maar onverwacht krijgt hij een oorveeg heel onzacht. Waar kwam op eens die klap vandaan? Hij ziet daar Hanne Nüte staan.—
Pag. 639.
[
Inhoud
]