11.
E. Laurillard translation
’t Zal feest bij Jochem zijn vandaag;
’t Zal doopfeest zijn. Reeds staat hij daar
Voor zijne huisdeur kant en klaar,
Met gladden rok en schoonen kraag.
Nu drentelt hij eens op en neêr,
Een deuntje fluitend, en dan weêr
Kijkt hij eens binnen, of zijn vrouw
Haast in gereedheid wezen zou.
„Maakt voort wat, Lotje! of ge zijt
Niet klaar, als onze gasten komen.”
„Geen nood;—wij hebben nog wel tijd;
Leer toch dat ongeduld betoomen.
Als ’k eerst mijn haar heb opgestoken,
Dan zal ik daad’lijk koffie koken.”
En Jochem kijkt nu weêr eens buiten,
En staat een poosje weêr te fluiten,
Maar ziet dan weêr naar binnen; en
Hij spreekt: Misschien wel gist gij al,
Waarnaar ik zeer nieuwsgierig ben?
’k Meen, of hij zelf hier komen zal.”
„Wie?” vraagt zijn vrouw. „Welnu, komaan!
Mij dunkt, gij zult mij wel verstaan,
’k Wil toch eens naar den berg daar gaan;
Wellicht is hij daar in ’t gezicht.”
Maar, als hij weerkomt, zegt hij: „Neen!
Hem zag ik niet; ik zag alleen
De rietmosch, onze waarde nicht.”
„Dat dacht ik wel,” roept Lotje; „zij,
Zij is er steeds het eerste bij;
’t Is naar genoeg; zij is zoo druk
En babbelt me mijn ooren stuk.”
De rietmosch komt; en, ver nog weg,
Roept ze al: „Wel lieve neef, ik zeg,
Dat gaat hier vlug. Er is zoo’n feest
Hier in de maand van Maart geweest,
En nu al weer! Nu, dat kan gaan!
En wie zal nu als peter staan?
Maar, kom! ’k wil Lot mijn hulpe bieden.
Dag, nicht!—Wie wacht je? Welke lieden
Heb je uitgenoodigd dezen keer?
Is ’t goed, als ik wat broodjes smeer?
En wie zal doopen?—Laatst, bij mij
Was ’t doom’né Raaf, zooals je weet,
En Hop was daar als koster bij.
En bij de goudvinksvrouw, daar deed
Het doom’né Kraai; en ’k meen wel, dat
Hij koster Ekster bij zich had.”
„Wel, schepsel!” zei toen Lotje, „jij
Weet bijster goed, hoe alles is;
Maar als je soms gelooft, dat wij
Het als de goudvink zullen doen,
Dan, moet ik zeggen, heb je ’t mis;
Wij zijn gesteld op ons fatsoen.
Hier komt hij zelf;—omdat de man
Wel weet, wat hij hier wachten kan;
Beschaafde lui, daar houdt hij van.”
„Wat?” zegt nu nicht, geheel en al
Verbaasd, door ’t geen zij heeft vernomen;
„De consistoriaalraad zal
Dus zelf hier op het doopfeest komen?”
„Ja wel,” zegt Jochem, „in persoon
Zal hij de plechtigheid hier leiden;
En zanger Haan geeft ons den toon,
Als wij tot zingen ons bereiden.
En peters zullen de ooievaar,
De nachtegaal en kievit zijn.
Eerst had ik plan ook nog een paar
Van hoogen adel op ’t festijn
Te nooden, zooals uil en wouw
En havik; maar mijn lieve vrouw
Vond toch wel wat bezwaar daarin.
Wie weet niet, dat de nachtegaal
Zeer democratisch is van zin?
Dus, dat zou op ons plechtig maal
Allicht den vrede kunnen storen;
Personen, die niet saâm behooren,
Moet men niet brengen bij elkaâr;
’k Mag anders de adellijken wel,
Vooral de dames, zie je?—maar,
Ze hebben soms een vreemd gestel,
En dikwijls kan ’t niet veilig heeten,
Met deze lieden kersen te eten.”
„Ja,” antwoordt nicht, „maar toch, er is
Zoo iets voornaams in, en”— —„Wel wis!”
Zegt Jochem, „dat’s volkomen waar;
Maar, naar ik meen, heeft de ooievaar
Ook iets voornaams; en evenzeer
De gans; dus, nicht! wat wil je meer?”
„Die doet niet onder voor de besten,”
Roept Lotje nu, „die heeft zoo veel
Voornaamheid dat je al met een deel
Een matig varken vet zou mesten.”
Terwijl zij nog zoo redeneeren,
Komt de ooievaar, die, lief en goed
En minzaam, uit de hoogte groet;
Vervolgens, in hun mooiste kleêren,
De lijster en de nachtegaal,
De vink en koekoek; en, benevens
Den specht, de spreeuw en zwaluw; tevens
Verschenen tot het feest’lijk maal
De leeuw’rik, putter en patrijs,
En ook de kievit;—daarna kwamen
De kwikstaart met den ekster samen,
En meer nog;—elk op zijne wijs
Heel netjes uitgedost, in ’t grijs,
In ’t rood, in ’t geel, in ’t groen, in ’t blauw,
In ’t wit, in ’t zwart, in ’t bruin, in ’t grauw.
Alleen ontbrak de goudvinksvrouw;
’t Was Lotje’s vaste wil geweest,
Dat die niet komen zou op ’t feest.—
Nu zetten allen in een kring
Zich neer; en Lotje toont nu dezen,
En dan weer genen lieveling;
En al haar kroost wordt luid geprezen.
De rietmosch acht zich nu verplicht
Verklaringen daarbij te geven,
Alsmede een duid’lijk overzicht
Van àl de kind’ren, èn die leven,
Èn die al dood zijn. En daarna
Treedt Jochem in den kring. Zijn wezen
Geeft als in ied’ren trek te lezen
Één woord;—het schoone woord „papa”.
En al de gasten opgetogen,
Bezweren,—zeldzaam eensgezind,—
Met luider stem, bij ieder kind:
„Net Jochem! Net zijn neus en oogen!”
En de ooievaar staat op één been;—
Zoo schijnt hij ’t best te kunnen kijken,—
En ziet zoo langs zijn snavel heen,
En zegt heel deftig: „Waarlijk! ja!
’t Is waar, volkomen waar, papa!
Gij ziet uw beeld in allen prijken.”
En nu wil Jochem, zijn waardij
Van vader zich bewust, iets zeggen,
’t Verschijnsel nader uit gaan leggen,—
Maar kwikstaart roept: „Hij komt daar! hij!
Hij zelf;—kijk, kijk! dat is toch aardig.”
En allen nemen nu een waardig
En deftig, ernstig wezen aan.
De consistoriaalraad komt;
Men noemt hem den kalkoenschen haan:—
Zijn beenen eenigszins gekromd,
Hoogrood zijn nog al vol gelaat,
Zijn haren glad, eenvoudig vroom,
En ’t zwart en wijdgeplooid gewaad
Net afgepoetst van kraag tot zoom.
Aan zijne linkerzijde gaat
De gans, die hem heel veel doet hooren
Van haar verdiensten op ’t gebied
Der kerk, en telkens naar hem ziet
Als om te ontdekken, of hem niet
Zoo’n lief’lijke ijver zou bekoren.
Welnu, hij is ook zeer voldaan.—
Terwijl de twee zoo samengaan,
Is hooge vroomheid hun van voren
Heel klaar en duid’lijk aan te zien;
Van achteren zoo niet misschien.
Ten minste, dit zei zanger haan,
Die meêkwam,—maar hij achteraan,—
Dat zij, van achteren bekeken,
Wel iet of wat hoogmoedig leken.
„Maar,” sprak hij, „och! wat raakt het mij?
De wereld heeft graag zand in de oogen;
Welnu, zij worde dan bedrogen;
Maar, hoofdzaak is, daar blijf ik bij,
Dat men zich steeds behoorlijk voedt.”
Nu wendt hij zich tot zijne vrouw,
Die, hem tot eere en vreugd, heel trouw
Tien kuikentjes heeft uitgebroed:
„Vrouw! luister! Al het jonge goed
Moet paar aan paar hier vóór ons gaan,
En stemmig de oogen nederslaan;
En buig ook gij uw hoofd naar de aarde,
Zooals de gans nu; maar, mijn waarde!
Als ’t eten vóór ons klaar zal staan,
Dan val je maar recht dapper aan!”
En toen zij bij ’t gezelschap kwamen,
Toen groette, vol van welgevallen,
De consistoriaalraad allen;
Zelfs enk’len bij hun eigen namen.
Slechts vink en putter groet hij niet,
Want die beschouwt hij niet als vrinden
Ook kan hij geen behagen vinden
Zoo min in nachtegaal als lijster,
Omdat hij deze lui niet bijster
Getrouw bij zich ter kerke ziet.
Maar nu de gans! Wat vroom gemoed!
Wat reine blik! Hoe suikerzoet!
Gelijk een lichtstraal uit een wolk,
Zoo rust die blik op al dat volk,
Op al die slechten en verloor’nen;
Want zij behoort tot de uitverkoor’nen.
Zij zet met opzet nu zich neêr
Naast lijster en naast nachtegaal,
En trekt een zucht, met diepen haal,
Haar boezem uit, en nog eens weêr.
En zanger haan?—Ja zanger haan
Heeft als die and’re twee gedaan;
Hij is, verzeld van zijn gezin,
Het feestgezelschap ingetreden,
Het vroom gezicht, en zelfs zijn schreden,
Daar lag iets waardigs, plechtigs in.
Zijn oogen stonden streng en strak:
Maar lief zag hij ’t patrijsjen aan,
Een volle nicht van hem, en sprak:
„Och, nicht! wil ietwat verdergaan;
Dan kunnen hier mijn kind’ren staan.”
Als nu al de and’ren zijn gezeten,
Verheft zich de kalkoensche haan,
En vangt dan zijne toespraak aan,
’k Meen, uit Kronieken of Profeten.
Vervolgens wenscht hij nu te weten,
Hoe al de kind’ren moeten heeten.
Nu, daar had Jochem aan gedacht.—
Hij had een edel, fijn geslacht,
En meende daarom, eêl en fijn
Moest dan ook elk der namen zijn.
Dus: Oscar, Arthur, Boudewijn,
Had hij gekozen voor zijn zoons.
Melania en Olga kwamen
Hem daarbij voor als meisjesnamen,
Waar iets voornaams in lag en schoons.
Wat roept met donderend geluid
De consistoriaalraad uit:
„Zijn we in een Turksch of Heidensch land?
Of sloeg de waanzin je in ’t verstand?
Zal ik daartoe mijn hulpe bieden?
Zijn dat nu namen? Nimmer sprak
Van zulke namen de almanak!
Neen, Jochem! dat kan niet geschieden;
Dat bracht ook zeker onheil voort.”
En in ’t gezelschap bromde de een:
„Nu, zóó iets heb ik nooit gehoord.”
En de ander lispt: „Dat is door geen
Verstandig mensch ooit nog beweerd.”
Maar de ooievaar,—op ’t ééne’ been,—
Spreekt luid: „Ik heb al heel veel jaren
In wijsbegeerte gestudeerd;
En ’k zeg u, de philosophie.…”
„Ik bid u, wil mijne ooren sparen!”
Zoo antwoordt nu de spreker, die
Daarbij heel rood wordt in ’t gezicht.
De gans het oog omhoog gericht,
Slaat zuchtende haar handen samen.
En and’ren anders weêr ontsticht,
Beweerden: al die troeb’len kwamen
Alleen ook door die gekke namen.
En nu, hoe liep dat eind’lijk af?
Dat Jochem and’re namen gaf,
Gansch and’re namen nu, dan die
Hij toch zoo edel vond en fijn
Melania werd Annemie;
Kris kwam in plaats van Boudewijn.
En zoo zou ’t ook met de and’ren zijn.
De doop is uit. Het feestmaal wacht.
Nu komt de haan eerst in zijn kracht,
Hij wenkt en pinkt en wijst en lokt,
Zijn vrouwtje komt en kloekt en klokt,
En ’t kroost, met neêrgebogen kop,
Vult zich den kinderlijken krop.
De gans, die met haar zondaarsmin,
Ook sterken lust voor koffie paart,
Drinkt zoet en zacht de teugjes in
Reeds van het derde kopje, en staart
Met wellust in het bruine nat,
Dat zij zoo lekker vindt, en dat,
Zoo zegt zij, alle kwade sappen
Weldadig uitdrijft uit het lijf,
En iemand gansch’lijk op kan knappen.
Soms gunt zij, maar heel stroef en stijf,
Aan wie zij naast zich ziet gezeten,
Een woordje; maar de nachtegaal
En lijster zwijgen, want zij weten
Geen weg in haar verheven taal.
Of neen, zij zwijgen niet, maar spreken
Heel stil: „’k Verlang naar ’t eind van ’t maal;
Want gasten van die soort verbreken
De vreugd van ’t feestelijkst onthaal.”
En allen, die niet volop aten,
Gevoelden samen, dat ze daar
Bijzonder akelig en naar,
En ongemeen vervelend zaten.
Maar de ekster en de rietmosch samen
Verhandelden zoo druk, zoo veel,
Dat bijna likdoorns in hun keel
En op hun tong en lippen kwamen.
Ten laatste neemt nu Jochem ’t woord,
Nadat hij eerst zijn das en boord
Heeft recht getrokken en een poos
Zich in de handen heeft staan wrijven:
„Geliefde vriendenschaar! Altoos
Zal ’t mij een zeldzame eere blijven,
Dat ’k u hier zien mocht; u vooral,
Eerwaarde heer!—en nu, ik wil
Niet vreezen, dat ’k u hind’ren zal,
Wanneer ik …” Hier hield Jochem stil;
Hij was den draad der toespraak kwijt.
Maar Lotje kwam en sprak: „Gij kunt
Nog wel eens op een ander tijd
Zoo’n toespraak houden. Maar, vergunt
’t Gezelschap mij eens even ’t woord,
Dan wil ik wel eens iets vertellen,
En ’k heb daarbij iets voor te stellen.
Nu dan, geachte vrienden, hoort!
Eens heeft de kleine Poedel mij
Gered uit zwaren angst en nood;
Zij toonde een ziel, zoo goed, als groot;
En ’k ben haar dankbaar. Nu is zij
Ontvlamd in laaien liefdegloed
Voor Hanne Nüte, of, beter, Snoet.
En ’k vraag u thans, wie hem en haar
Voor ramp wil hoeden en gevaar,
En meê wil werken, om die beiden
Geluk en zegen te bereiden,
En ze eens te maken tot een paar.”
Toen klonk op eens één enk’le schreeuw:
„Wij allen!” Daarop zei de spreeuw
Nog in ’t bijzonder: „Ja, dat moet!”
En voorts de kwartel: „Zoo is ’t goed!”
En toen de koekoek, vink en specht
En kievit: „Zeker! dat is recht!”
En nachtegaal en lijster zingen:
„Ja wel! Wij hoeden de gelieven,
Wij helpen hen in alle dingen,
Bezorgen hunne minnebrieven,
En dragen tevens kus en groet
Van hem naar haar, van haar naar hem.”
„Wat?” roept nu met een barsche stem,
De consistoriaalraad. „Moet
Dat zóó hier gaan?—Zoo rood, als bloed,
Is dit gezelschap!—Anders niet
Dan democraten, jacobijnen!
En wat hier een verbond wil schijnen
Is samenzwering. Ziet toch, ziet,
Met hoeveel wijsheid onze wet,
De staatswet, is inééngezet,
Die zooveel mogelijk ’t vermeêren
Der menschenmassa zoekt te keeren.
Met reden. Want een groot getal
Van menschen met en bij elkaâr,
Dat brengt het zekerst tot den val.
En ook, wat wordt er van een paar,
Dat zoo maar luchtig trouwen zal?
Eerst dan, wanneer de zeed’lijkheid
Van twee verloofden tal van jaren
Zich rein en zuiver bleef bewaren,
Eerst dan kan de echtelijke stand
Iets zijn, dat zegen hun bereidt
En heil aan ’t lieve vaderland.
Wat denkt gij? Dat ’k die jonge menschen
Zal helpen? Enkel hier maar om,
Dat zij zoo gaarne zouden wenschen
Te trouwen?—Neen! neen! niet zoo dom,
Niet zoo lichtzinnig zal ik wezen.
En,—allen, die hier samen zijt!
Gij hebt mijn toornigheid te vreezen,
Als gij aan zulk een zaak u wijdt;
Als gij niet ied’ren vriendschapsband,
Die u aan dezen Jochem bindt,
In wien ik nu een booswicht vind,
Terstond verscheurd met vaste hand.”
Hij draait zich om en hij vertrekt,
Den staart al pronkend uitgestrekt.
En nu de gans? Die krijgt een schrik,
Een schok, als drong er in haar vleesch
Op eens een diepe speldeprik.
„Wat?” roept zij, van ontroering heesch:
„Is ’t hier te doen om minnarij?
Foei! foei! daar blijf ik ook niet bij!—
Wacht, waarde vriend! ik ga met u.”
En zanger haan?—Ja, die moet nu,
Dat kan niet anders, ook vertrekken,
En duidt dit vrouw en kind’ren aan.
En de ekster en de rietmosch wekken
Elkaâr ook op, om heen te gaan;
Want, zeggen zij, nu gaan ze ontdekken,
Dat ze op onreinen bodem staan:
Ook kon een strafgericht hen slaan.
Zij rollen ’t breiwerk dus inéén,
En heel voornaam gaan beiden heen.
„Laat gaan maar!” roept nu zeer verheugd
De wachtelkoning. „Want de vreugd
Zal nu eerst recht zich kunnen uiten.”
„Die spellebrekers!” knort de vink.
En Jochem zegt: „Kom, Lotje, flink!
Breng eens wat fijnen wijn naar buiten,
En ook wat lekk’ren worst er bij.
Dan zal ’t eerst feest zijn, en dan zullen
De vrinden hier gezellig smullen,
En klinken samen, vrij en blij.”
En nu begint het zingen;—allen
Doen de oude, lieve liedjes schallen,
Die ze altijd zongen in hun jeugd,
Wanneer hun ’t harte was verheugd.
„Nachtegaal! ik zie je drinken
Uit het beekje, frisch en klaar,
En ik hoor je zangen klinken,
Honigzoet en wonderbaar.”
„Mijn liefste! Tusschen u en mij
Zijn bergen en zijn dalen;
Maar waar gij zijt, daar ruischt u toe
Het lied der nachtegalen.”
„Koekoek! zeg me eens even.
Als je ’t zeggen kunt,
Hoeveel jaren leven
Mij nog zijn gegund.”
„Zeg, kievit! waar blijf ik? Bij braamstruik en vlier;
Daar zing ik, daar spring ik, daar heb ik pleizier.”
Zoo vloeiden en zoo klonken daar
Veel blijde deuntjes door elkaâr.
Toen trok de waardige ooievaar
Recht vergenoegd één poot omhoog,—
’t Schijnt, dat het denken beter gaat,
En hij meer heeft aan oor en oog,
Wanneer hij in die houding staat,—
En zegt: „Nu voel ’k geen dwangbuis meer,
Nu kom ik tot mij zelven weêr,
Nu ongestoord mijn harte smaakt
De vreugd, waarop het is gemaakt.”—
Het zonlicht straalt en ’t koeltje stoeit
Met bloem en blad; ’t gebloemte bloeit,
En ’t vogelvolkje kweelt en zingt
Een lied, dat schel ten hemel dringt,
En ’t is alom, of God, de Heer,
Naar de aarde ziet, van boven neêr,
En roept: „Zing op en nog eens weêr!”
En alles, wat op de aarde leeft,
Met moeite kruipt of lustig zweeft,
Voelt, dat Gods vriend’lijk aangezicht
Heel ’t landschap toelacht en verlicht.
Maar— —plots’ling slaat Hij ’t venster dicht
En wendt van de aard Zijn oogblik af.
Die zooveel vroolijkheid haar gaf.
De donk’re wolken trekken woest
Langs ’t hemelvlak; de stormwind hoest
En steunt en gromt met zwaar gezucht,
En roeit zich op zijn zwarte vlucht,
Als somber nachtspook, door de lucht.
En, waar hij soms een wijle zwijgt,
Als een, die van vermoeidheid hijgt,
Daar barst hij plotseling weêr uit;
En, dreunend als ’t bazuingeluid
Van d’oordeelsdag, zoo hol en sterk,
Vliegt hij langs ’t veld en door het zwerk;
De bliksem schiet met wilde vaart;
Aan alle zijden neêr op de aard;
De donder rolt met dof geknal
Langs weide en woud en berg en dal,
Als stem des Heeren Zebaoth,
Die roept: „Ik ben een ijv’rig God!”
De voog’len, eerst zoo blij, beteug’len
Hun lust, terwijl zij hunne vleug’len
Deemoedig laten nederhangen,
Door bange ontsteltenis bevangen.
En,—tusschen ’t hout in staat een man,
Die ook het woord des Heeren hoort,
Dat krachtig en ontzettend woord;
En hij verschrikt en beeft er van;—
Maar toch verhardt hij zijn gemoed.
Zijn hand roofde eens des naasten goed,
Een hand, besmet met menschenbloed.
Nu wendt zijn strak en bleek gezicht,
Zoo stout, en toch zoo bang metéén,
Gedurig naar de plek zich heen,
Alwaar ’t verslagen offer ligt.
En telkens schiet de bliksem weêr
Juist op die plek al sissend neêr.
De musch roept uit: „Daar staat hij! Dáár!
De bakker is ’t,—die moordenaar!”
De kievit geeft zich op, omhoog,
En òm hem fladd’rend in een boog,
Vervult zij ’t luchtruim met den kreet:
„Een doodslag, waar ook ik van weet!”
„Verwenscht gedierte!” roept verstoord
De moordenaar; „voort! maak u voort!
Wat wilt gij? Wie aanschouwde mij?
Alleen de duivel was er bij.”
„Neen!” riep toen weêr der voog’len stem,
„Wij zagen ook, o moordenaar!
Uw doodslag en het lijk van hem:
Dáár ligt dat lijk! Daaronder! Dáár!”
De bakker werpt nu met een steen
En vloekt: „Vliegt naar den Satan heen!”
En, nauw ontglipt dit woord zijn mond,
Of weder schiet de bliksem rond.
De rijzige eik, die, vol van pracht,
Eene eeuw trotseerde door zijn kracht,
Valt, als een riet geknakt in ’t zand;
Terwijl des Heeren sterke hand
De teek’nen Zijner majesteit,
Maar ook van Zijne toornigheid,
Met vuur in rots en boomstam brandt.
De moordenaar zinkt duiz’lend neêr,
Maar ziet weêr op, verheft zich weêr,
En ijlt dan voort, voort, uit dit oord,
Door nacht en storm, voort! immer voort!
Het onweêr brult nog steeds door ’t woud;
De voog’len krijschen om hem heen,—
En ’t dringt hem als door merg en been:—
„Ja! in den hemel is er Een,
Die ook uw gruwel heeft aanschouwd.”
[
Inhoud
]