8.
E. Laurillard translation
En Jochem sluipt, met zachten tred,
Heel stil zijn kamerdeurtjen in.
Zijn wijfje draait zich om in ’t bed.—
„Wel, Lotje! die ’k zoo teêr bemin,”
Spreekt Jochem, „ben je wakker nog?”
Zij hoort zijn vraag heel goed, maar toch,
Zij zwijgt. „Wat is ’t een lieflijk weêr!”
Zegt hij. Zij zwijgt ook dezen keer.
En hij ontkleedt zich wat; en nu
Vervolgt hij: „’k Heb wat nieuws voor u;
Ik kan u, naam’lijk, dit berichten:
De nachtegaal is weder hier,
Met nieuwe lied’ren en gedichten;
En woont niet ver van ons kwartier.
En wat de kraai betreft, die wacht
Weêr kleintjes; ’k heb haar man ontmoet,
Die ’t kraambed al in orde bracht.”
Maar Jochem’s vrouw zegt niets, en—broedt.
„Zij is,” zoo mompelt hij, „niet recht
In haar humeur.” En luide zegt
Hij nu tot Lotje weêr: „Wel vrouw!
Hoe is ’t geweest hier? Niets geschied?”
Maar zij, aan haar systeem getrouw,
Zij antwoordt hem al weder niet.
„Is niemand hier geweest vandaag!
Geef dan toch antwoord, als ’k iets vraag!”
En nu gaat Lotje’s mond ook open:
„Jij losbol! die je nooit een zier
Om mij bekreunt en uit gaat loopen,
En mij alleen laat zitten hier,
Jij bent er eentje. Weet je wie
Naar jou gevraagd heeft hier vandaag?
Het meisje van den dokter, die
Haar stuurde, want hij wou zoo graag,
Dat zijne meerle leerde fluiten
’t Lied van „de slemperscompagnie,”
En dat ken jij geheel van buiten;
Zoo zei ze, en dat zei ook haar heer;
Je mag wel blij zijn om zoo’n eer!”
„Foei, Lotje! leer uw drift toch smoren!”
Zegt Jochem. „Wees zoo haat’lijk niet!
Gij baart mij waarlijk zielsverdriet.
’k Heb je immers lief nog, als te voren.
Vergeet gij, hoe ik tot u kwam,
Terwijl gij hier als weduw zat,
En ’t heele nest vol kind’ren hadt?
Hoe ’k u terstond tot gade nam?
Vergeet ge, welk een teed’ren eed
Gij dáár, in gindschen tuin, mij deedt?”
Nu loopt hij driftig op en neêr,
Geheel ontdaan van bovenkleeren,
En blijft, bij ’t loopen heen en weêr,
Veel over ondank declameeren,
En rukt zich, boos, de nachtmuts af,
En vraagt nog eens, of zij vergat,
Wat zij hem daar gezworen had,
En of ze daar dan niets om gaf,
En nu begint ze zacht te weenen
En kijkt weemoedig voor zich henen.
En Jochem zet zijn muts weer op,
En knorrig schudt hij met den kop,
En zegt: „Ja wel, dat ’s ’t ouwe lied:
Eerst draaf je koppig door, en dan,
Dan komt de droefheid en ’t verdriet;—
’t Is heel pleizierig voor je man!
Kom! schik maar wat op zij, en ’k zal
Je toch maar helpen weêr in ’t broeden.”
En bij die woorden zit hij al
Op de ei’ren mee. „Je zoudt vermoeden,
Misschien, dat mij de reine gloed
Der vaderlijke liefde ontbreekt.
Neen! in mij spreekt de stem van ’t bloed,
Zóó sterk, als die in iemand spreekt.
Ik ben geen koekoek, die zijn kroost,
Nog ongezien, geheel verzaakt;
Zijn eigen kind’ren weezen maakt,
Die zwerven zonder heul of troost;
Ik ben echt vaderlijk gezind.
Maar hou nu op met schreien, kind!
’t Wordt vrees’lijk nat hier.”—Half gesmoord,
Duurt nog ’t geween van Lotje voort.—
„Maar spreek dan toch! Wat scheelt je toch?
Hoelang wel wil je aan ’t stelsel nog
Je houden, Jantje huilt te spelen,
Terwijl ik Jantje lacht wil zijn?”
En Lotje snikt: „Mijn boezempijn,—
Ik wil het langer niet verhelen,—
Komt van dat gele goudvinkswijf.”
„O, zoo!” zegt hij, „is dàt de zaak?
’t Is waar, soms woelt mij door het lijf
Een booze neiging, ja!—maar maak
Je om deze weêuw nooit ongerust.
Hoor dit: zoolang ’k mij zelf bewust,
Geleefd heb, kan ’k je zeggen, dat
Het geel altijd een kleur was, die
Voor mijn gevoel iets stuitends had:
Dat heet idiosynkransie.
En schoon je nou dat woord niet vat,
Geloof me, jij blijft steeds mijn schat;
En anders hale mij de kat.
Maar hou dan op met dat geween.”
Hij strijkt nu langs haar koontjes heen;
En Lotje zegt: „Wat is ’t hier heet!
’k Wou, dat je ’t raam wat opendeedt.”
Hij doet zoo, en heel zwoel en zacht
Kust hem het avondwindje en lacht,
En fluistert stil hem in het oor:
„Zend door, dit kusje; zend het door!
Het komt van lentebloem en graan;
’t Moet verder, àlweêr verder gaan.”
En Jochem geeft den kus aan Lotje,
En zegt: „Zend door, zend door, mijn dotje!”
Maar, niemand was daar, en heel vlug
Gaf zij dus hèm dien kus terug.
Nu kust hij haar weêr en hervat:
„Zie, vrouwtje, sympathie heet dat.”
Zij buigt zich neer en lacht weer blij,—
Daar snapt een kusje haar voorbij.
En ’t avond windje grijpt het aan,
En draagt het weer naar bloem en graan;—
Zoo blijft het in de rondte gaan.
[
Inhoud
]