← Table of contents
Hanne Nüte en de kleine Poedel

17.

E. Laurillard translation

De nachtegaal was heengegaan,

Nadat hij overtuigd was, dat

Zijn stem hier invloed had gehad,

En dat Johan hem had verstaan.

„Dag, Hanne!” zei hij, „Wees gegroet!”

En tot het weêuwtje: „Houd maar moed!

De tijd maakt heel veel dingen goed.”

En weldra zag hij, dat Johan

Den weg op ging en henentoog;

Maar was er ook getuige van,

Dat, met een echt boosaardig oog,

De slechte smid, die lui daar lag

In ’t dicht struweel, naar Hanne zag,

En fluist’rend sprak: „Ga maar voorbij!

Eens krijg je nog te doen met mij.

Mijn toorn is niet zoo gauw te stillen;

’k Heb steeds nog om die vechtpartij,

Een appeltje met jou te schillen.”

De nachtegaal vliegt, zonder lied,

Een heel eind verder, met het woord:

„Voor zulk een kerel zing ik niet!”

En telkens vliegt hij verder voort,

En waar, aan d’oever van een vliet

Een boschje staat, van blaad’ren dicht,

Of waar een heim’lijk plekje ligt,

Daar stort zijn zoete tooverfluit

De zachtste en schoonste tonen uit;

Maar waar een paartje, stil verrukt,

In liefde elkaâr de handen drukt,

Daar is ’t, alsof hij van die beiden

In eeuwigheid zich niet kan scheiden.

En, juist als bij den ooievaar,

Roept elk: „De nachtegaal is daar!

Nu wordt het hart eerst recht verblijd,

Nu is ’t eerst de echte lentetijd!”

De nachtegaal kiest zijn kwartier,

Waar hij verleden jaar al was.

De kleine Fiek woont immers hier.

Dus hier het nest gebouwd!—Alras

Ziet hij bekenden in dat oord:

’t Is Jochem met zijn gemalin;

Die hupp’len tusschen de erwten voort,

En nemen ’t noodige er van in.

„Hier zijn wij goed in ons gedoente,”

Zegt Jochem; „’k hou van jonge groente.”

De nachtegaal brengt hun een groet:

„Hoe is het, vrinden? Gaat het goed?”

„Wij houden steeds, gelijk gij ziet,”

Is Jochem’s antwoord, „’t hoofd nog boven.”

„Och ja,” zegt Lot, maar veel verdriet,—

Gij zoudt het bijna niet gelooven,

Zeer veel verdriet was weêr ons deel.

Men zaam’le ’s zomers nòg zooveel,

De winter brengt toch steeds weêr nood;

Wij stierven haast den hongerdood.

En daarbij plaagde mij de jicht,

Zoodat ’k geen lid haast kon bewegen;

Doch nu, dat is een groote zegen,

Staat weêr de tuindisch aangericht;

Wij vinden telkens nu ons maal,

En komen weêr op ons verhaal;

Maar toch blijft altijd zorg ons hind’ren:

Wij hebben weder ’t nest vol kind’ren.”

„Alweder?” vraagt de nachtegaal.

„Och ja! Alweder! En ditmaal

Zijn zes door ons weêr uitgebroed;

Ik weet niet, waar dat henen moet.”

„Maar, lieve Lotje! denk toch,” sprak

Nu Jochem, „is er niet een Macht,

Die steeds den raven voedsel bracht,

En ook ons, musschen, op het dak?

’t Is waar, ja! kind’ren zijn een last;

Maar, als men op hun vorming past,

En hen van dankbaarheid vervult,

Betalen ze op hun beurt hun schuld

Aan de ouders. Zie! ons beider leven

Zijn wij verplicht aan onzen Kris,

Die altijd nog gedachtig is

De lessen, die ’k hem heb gegeven.

Hij woont nog steeds bij Fieken in.

Welnu, vol vromen kinderzin,

Heeft hij voor de ouders, hem zoo waard,

Zich ’t eten uit den mond gespaard;

En wat hij spaarde, wierp hij uit

Door ’t scheurtje van een vensterruit.”

„’t Is waar,” zei Lotje, „hij is goed,

Hij heeft ons liefderijk gevoed:

Hij is de beste van ons kroost.

De rest is van ons heengegaan

En bood ons nimmer hulp of troost;

Maar Krisje heeft zijn plicht gedaan.”

„Dat ’s mooi,” hervat de nachtegaal.

„Maar, lieve vrinden! och, verhaal

Me eens, een van beiden, hoe het gaat

Met Fieken.”—„’t Ging haar eerst heel kwaad,”

Zei Lot; „in ’t eerste halve jaar

Werd zij niet lief behandeld; zwaar

Viel haar ook ’t vele werken; maar

Nu heeft ze ’t beter; ja, wel let

De bakker schier op ied’ren tred,

Dien zij maar doet; maar toch, ’t is net,

Of hij nu meer toch om haar geeft.

’t Moet al gebeurd zijn,—want dat heeft

Ons Krisje ons wel eens aangebracht,—

Dat hij des avonds, ja! bij nacht,

Op hare deur kwam tikken.”—„Wat!”

Roept nu de nachtegaal; „en dat

Vertel je, of ’t niets bijzonders waar’!

Je lijkt wel een krankzinnig paar!

En, Jochem! jij,—ja, waarlijk! jij

Krabt niet om niet je kop hierbij;—

Jij, die de wereld toch zoo kent,

Jij laat dat toe! En van zoo’n vent!

Jij, die zoo ridderlijk vaak snoeft,

Dat de onschuld, die een schut behoeft,

Op jou kan reek’nen, zit hier stil!

Jij ziet niet, dat die lage bakker

Haar onheil zoekt, en dat de rakker

Het lieve kind verleiden wil?”

„’t Is waar,” zegt Lotje, „de ooievaar

Zei ’t óók al; en ik óók al; maar

Dan lachte Jochem om dat blijk

Van mijn bekomm’ring; want, niet waar?

De vrouw krijgt altijd ongelijk.”

„Hm! hm!” zegt Jochem, „’t is wel raar,

Dat ik daarin geen doorzicht had;

’t Kan zijn, dat jijlui ’t beter vat;

Wats,—nu je ’t zegt,—ja, ’t is zoo; hij

Vervolgt haar met zijn vleierij,

Maar altijd ruw en lomp en plat.

Nog gist’ren deed hij zoo.”—„En zij?”

Vroeg nu de nachtegaal.—„Zij stiet,

Toen hij wou streelen om haar kin,

Hem van zich af; dus, ’t lukte niet;

Haar blik had angst en afkeer in,

Gelijk òns oog, wanneer een lid

Van ’t kattenras nabij ons zit.”

„Derhalve blijkt uit dit verhaal,”

Zoo antwoordt nu de nachtegaal,

„Dat waakzaamheid hier noodig is;

’k Beveel u die zeer ernstig aan;

Pas op dus; goed uw plicht gedaan!—

Ik ga eens praten nu bij Kris.”

Toen vloog hij weg, en weldra kwam

Hij, met zacht fladd’rend wiekgeruisch,

Aan d’achtermuur van ’t bakkershuis,

Waar hij een plaats voor ’t venster nam,

En riep toen met een zoet geluid

Den braven, kleinen Kris er uit:

„Kom, Krisje! mijn jongen, zoo lief mij en dier!

Kom buiten! Ik ben het; je peetoom is hier.

Kom bij me! Vertel me van dit en van dat;

Kom, Krisje! mijn jongen! dan geef ik je wat.

En Krisje komt, maar bevend, ach!

En zoo vermagerd, zoo armoedig,

Dat peetoom schrikte, toen hij ’t zag,

„Wel, kind! wat scheelt je?” vroeg hij goedig,

„Wat zie je bleek! En zoo bedrukt!

En heel je staart is uitgerukt!”

„Dat deed onze oude grijze kat,

Die haast mij opgevreten had,”

Zoo zuchtte Kris.—„Wel, wel! Wel, wel!”

Is ’t antwoord, „Kris! wat is dat naar!”

„Ja, oom!” hervat hij, „mijn gestel

Is ondermijnd; en ’k voel heel klaar,

Dat ik ’t niet lang meer maken kan.”

„Maar, jongenlief! ik schrik er van;

Kom meê wat, in den zonneschijn;

Daar zou je, dunkt me, beter zijn.”

„Neen, oom! ik ga van hier niet heen;

Want dan is Fieken zoo alleen.

Zij heeft altijd aan mij gedacht,

En me altijd spijs en drank gebracht;

Zij is zoo lief voor me, en zoo zacht.

’k Hou veel van Fieken, innig veel.”

„Ja, Kris! dat ’s goed; maar als ’t je deel

Moest worden, om eens door de kat,”— —

„Die heeft me toch al beet gehad;

En als me die eens weder vat

Ja! opeet,—wat beteekent dat?

Och, ik voor mij, ben ’t leven zat.

Intusschen, neen! dat vrees ik niet;

Ginds is,—ik weet niet, of gij ’t ziet,—

Daar, in dien hoek, een muizengat;

Daar sluip ik in, wanneer ’k iets hoor,

En blijf daarin, zoolang mijn oor

Beweging waarneemt, die verdacht

Mij is.”—„Maar, jongen! ieder uur,

Daar, in dat hol, zoo doorgebracht,

Moet dan wel eind’loos zijn van duur.”

„Neen, tòch niet. Al te nauw is ’t niet;

Integendeel, ’t is ruim en wijd;

En ’k vind daarbinnen, meest altijd,

Iets, wat mij veel genoegen biedt.

Gij weet niet, wat ik daar al vond:

Een jas, mooi bruin; een vest heel bont;

Den jaszak kruip ik dikwijls in,

Als ’t koud is; en die is mij zóó

Een nest, volkomen naar mijn zin.

En in den zak van ’t vestjen,—o!

Daar vond ik eens een prachtig ding:

Een mooien, halven gouden ring,

Waar ’k menigmalen nog meê speel.”

Wanneer ik mij somtijds verveel.”

„Wat,” roept de nachtegaal, „is dit?

Als daar maar niet wat achter zit!

Kris-lief! verkondigd deze zaken

Vooral niet,—hoor je?—van de daken;

Houd dicht je mond! Houd dicht je mond!

Dat is een stuk, dat ik terstond

Aan d’ooievaar bekend moet maken,

En aan den kievit. Maar vertel

Jij ’t niemand, hoor! Nu, Kris, vaarwel!

Groet Fieken van me, en zeg, dat ik

Eens zingen kom, en van Johan

De groetenis haar brengen kan;

Dan is zij zeker in haar schik.”— —

De Junimaand is aangebroken:

En Lotje en Jochem letten goed,

Gelijk ze hadden afgesproken,

Op alles, wat de bakker doet.

„Mij dunkt,” zei Jochem op een keer,

„Ik moet vandaag met haar naar ’t veld;

Ze is daar zoo ver, en onverzeld;

Ze moet gaan hooien.”—„Nooit is ’t meer

Dan heden noodig, dat gij ziet,

Wat daar met onze Fiek geschiedt,”

Zegt Lotje. En Fieken,—’t was nog vroeg,—

Ging uit, naar buiten; en zij droeg

De rijf en ook wat eten meê.

Toen ze in de stad nog was, toen deê

Vrind Jochem, die haar trouw bleef volgen,

Al hupp’lend over goot en dak,

Niet anders, dan zeer fel verbolgen,

Zich uiten: „Zie! zoo’n schobbejak!

Zoo’n deeg-aap, die wel zou gelooven,

Dat niemand hem een kool kan stoven!”

En als daarna Fiek door het veld

Haar weg neemt, langs het groene koren,

Doet Jochem zich daar weder hooren,

En knort en gromt nog steeds en scheldt,

Op alle menschen, Jood en Christen,

En vraagt, verstoord, of zij niet wisten,

Dat, wie ooit Fiek mocht willen deren,

Het heel onzacht gauw af zou leeren:

Hun Fieken is ’t; dus niemand doe

Haar kwaad; zij laten dat niet toe.

Gekomen op ’t bestemde land,

Neemt Fiek met vlijt haar werk ter hand.

De lange en dichte zwaden wendt

Zij om, van ’t een’ naar ’t andere end;

En waar geen dauw het land meer net,

Strooit zij de hoopjes uit elkaâr.

Terwijl zich Jochem nederzet

Hoog in een wilgeboom, van waar

Hij heel den weg kan overzien.

Intusschen zoekt hij, of die plek

Geen wormpje of rups hem heeft te biên,

En hapt in ’t rond met gragen bek,

Nu naar een vlieg, dan naar een mug.

Maar dikwijls zijn ze hem te vlug;

En,—moog’ hij nu en dan iets vangen,

Toch heeft hij niet veel smaak er van:

Zijn hart blijft over Fieken hangen

En voelt zich kwetsen, voelt zich prangen,

Wanneer hij denkt aan ’s bakkers plan,

Dat hij vermoedt.—Daar komt hij, daar!

En nauw wordt Jochem hem gewaar,

Of ’t gaat, van toorn, zóó in hem branden,

Dat hij in staat zou zijn geweest

Een moord te plegen, onbevreesd,

Ja! zelfs den duivel aan te randen.

En nu juist snort, met dof gebrom,

Een bij rondom hem, om en om.

Hap! zegt hij, en hij pakt het dier:

„Wat heb jij zoo te brommen hier?”

Het arme beest maakt veel misbaar,

En bidt en smeekt: „Och, laat mij maar,

Laat mij, grootmoedig, maar in ’t leven,

En wil mijn euveldaad vergeven!

Och, lieve Jochem! laat mij gaan!

’k Heb u toch nimmer kwaad gedaan.”

„Kanalje! zwijg me daarvan stil!

Brom jij niet, rekel! op den duur,

Als ik in ’t rustig middaguur

Somtijds een beetje slapen wil?”

„Och, lieve Jochem! Och ontferm

U over mij, en uit mijn zwerm

Zal zeker niemand u meer storen.”

„Welnu, ik wil uw beê verhooren,”

Zegt Jochem, „mits gij heden doet,

Wat ik u zeg.” En Jochem fluistert;

De bij, vol dankb’re vreugde, luistert,

En antwoordt eindelijk: „’t Is goed!”

De bakker nadert. Fieken ziet

Hem komen; maar zij slaat ook heden,

Als immer, de oogen naar beneden:

Hem in ’t gezicht zien, durft zij niet.

Maar hij is minzaam, en hij prijst

Haar vlijt en arbeid, en hij zegt,

Dat zij hem grooten dienst bewijst;

Door haar komt eerst zijn hooi terecht;

Zij is zoo’n fiksche, lieve meid,

En hij heeft, uit erkent’lijkheid,—

Wanneer ze een korten tijd nog wacht,—

Een hooger loon haar toegedacht,

Vervolgens wordt hij vroolijk, aardig,

Maar, zóó gemeen en zóó onwaardig,

Dat Jochem gruwt en walgt er van,

En langer ook niet zwijgen kan.

„Jou smeerpoes!” roept hij, „laat dat staan,

En tast het schuld’loos kind niet aan!”

En zij,—wat zij daarbij gevoelt?

’t Is, of een koorts haar pols doorwoelt;

De schaamte schiet een blos haar aan;

Zij weet niet, waar zij ’t oog zal slaan;

Ontsteld, verlegen, staat ze daar,— —

Och! was nu Hanne Nüte er maar!— —

De lage kerel wordt hoe langer

Zoo driester; zij wordt immer banger;

Zij voelt, hoewel ze van den praat,

Door hem geuit, geen woord verstaat,

Dat onder schertsen, als hij doet,

Een groote zonde schuilen moet,

Gelijk een adder, fel van beet,

Zich schuilhoudt onder ’t bloemtapeet,

Zij wil ontvluchten, maar terstond

Grijpt hij haar aan, en houdt haar vast,

En wil haar kussen op den mond.

En Jochem roept: „Gemeene hond!

Kom, bij! ’t Is tijd; nu opgepast!

En nu mijn last voltrokken,—kom!

Daar komt de bij,—Zom, zom, zom, zom;—

De bakker heeft schier eer hij ’t weet,

In zijnen neus den steek al beet,

Springt achteruit, en hem vergaat

De lust tot kussen.—„Kameraad!”

Roept Jochem van zijn wilgetak,

„Hoe smaakt je dat pikant gebak?”

[

Inhoud

]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings