Zesde Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
De vijfde dag van de Decamerone eindigt, de zesde vangt aan. Onder het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die, aangespoord door een of andere aardige zet zich verweert, of met een snel antwoord of doorzicht zich behoedt voor schade, gevaar of schande.
De koningin had haar wel zes maal het zwijgen opgelegd, maar het hielp niets, zij hield maar niet op voor ze gezegd had, wat haar uit den mond viel. Toen zij klaar was, zeide de koningin lachend tot Dioneo: Dioneo, dat is iets voor U. En daarom, als wij onze verhalen verteld hebben, zult gij zorgen, dat gij hierover het eindoordeel uitspreekt Hierop antwoordde Dioneo haastig: Madonna, het oordeel is uitgesproken zonder dat er meer voor noodig is om te hooren en ik zeg, dat Licisca gelijk heeft en geloof, dat het is zooals zij zegt en Tindaro is een ezel. Toen Licisca dit hoorde, begon zij te lachen en tot Tindaro gewend, zeide zij: Dat heb ik je wel gezegd. Ga weg met Gods genade; geloof jij er soms meer van te weten dan ik, jij, die als de zuigelingen je oogen nog niet open hebt gedaan. Ik heb, Goddank, niet voor niets geleefd.
Als de koningin haar niet met een kwaad gezicht het zwijgen had opgelegd, en haar niet bevolen had er geen woord meer aan toe te voegen noch ruzie te maken, als ze geen slaag wou hebben en met Tindaro weggejaagd worden, had men den heelen dag wel met haar aan den gang kunnen blijven. Toen zij heengegaan waren, beval de koningin aan Filomena, dat zij met de verhalen aanving. Zij begon blijmoedig aldus:
[
Inhoud
]
Eerste Vertelling.
Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna’s dan de heeren te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna’s of geen zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in ’t algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het stilzwijgen wist op te leggen.
Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen wil—zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger Spina—welke toevallig buiten was gelijk wij nu. Zij ging van de eene plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna’s en cavalieri, welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen, dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn.
Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei: Ik heb het niet goed gezegd, en vaak de namen verwarde en den een met den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend: Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was, begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte.
[
Inhoud
]
Tweede Vertelling.
Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker, messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen, dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren, het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken.
Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend?
[
Inhoud
]
Derde Vertelling.
Monna Nonna de’Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde.
Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,—en dat waren er vele—die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting af te wisschen maar stoot om stoot te geven, antwoordde zij snel: Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet verboden anderen met scherts terug te bijten.
[
Inhoud
]
Vierde Vertelling.
Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.
Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen, zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden, gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij: Ho, ho, door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt niet Ho, ho, geroepen tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.
[
Inhoud
]
Vijfde Vertelling.
[
Inhoud
]
Zesde Vertelling.
Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en wint er een avondmaal mee.
Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent, zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren, maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen, dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts van Florence, maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom, dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen naast een der Baronci.
[
Inhoud
]
Zevende Vertelling.
Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen, toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te zeggen: Waardige donna’s. Het is een schoone zaak in alle opzichten goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren.
In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval, dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw, schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de’ Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de’ Guazzagliotri, een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien hij niet aan zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had, kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato, wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd, zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd, haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn, was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar, in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht.
Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna’s en mannen, en door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden, van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde, dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven, terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde, die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen, maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd, er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en ziel, ben ik tot Uw beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst, namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan, vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen, die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan of het te laten bederven?
Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter, veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis.
[
Inhoud
]
Achtste Vertelling.
Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.
De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna’s met eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen.
Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend Ciesca genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu; er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben ik naar huis gegaan.
Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde: Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap: Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.
[
Inhoud
]
Negende Vertelling.
Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche ridders, die hem hadden verrast.
Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna’s. Hoewel gij mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.
Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik messer Betto voor een slim en verstandig ridder.
[
Inhoud
]
Tiende Vertelling.
Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke donna’s. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp, waarover gij allen zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen.

De veer van den engel Gabriël.
6e Dag—10e Vertelling.
Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik, bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij mij. Ik draag de veer van den engel Gabriël, opdat die niet bederft, in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U de kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen.
Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar niet minder opbracht dan dien dag de kolen.
Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna’s te regeeren en te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had, zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna:
Waardige donna’s. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan gesproken, dat, als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca er mij aanleiding toe gaf, over de streken, die of uit liefde of tot hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die het al of niet merkten. Het behandelen van deze stof scheen aan elk der donna’s slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna’s. Ik ken het onderwerp, dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder met goed geluk een mooi verhaal doen.
Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde. De zon stond nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, zeide Elisa, die de andere donna’s geroepen had. Daar wij hier zijn, heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De donna’s antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek meer dan een halve mijl, omringd door zes kleine bergen niet al te hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven, amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond, drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien, wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in de kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken, als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen, waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten.
Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen,
Kan ik nauwelijks gelooven,
Dat niet een andere klauw mij grijpt.
Ik ging heel jong in uw oorlog
Geloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was,
En ik legde al mijn wapens neder
Als hij die vertrouwen heeft:
Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek,
Gij waart mij op de hielen
Met uw wapens en uw wreede nagels.
Toen, eenmaal omslingerd door uw ketens
Voor hem, die geboren werd om mij te doen sterven,
Vol bittere tranen en smarten,
Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld;
En zijn heerschappij is zoo wreed,
Dat nooit zuchten hem bewogen
Noch klachten, die mij dooden.
Al mijn gebeden vervaagt de wind.
Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hooren
Daardoor stijgt mijn marteling ieder uur
En is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven.
Heer, heb medelijden met mijn smarten
En doe, wat ik niet vermag
Lever mij hem over in uw ketenen.
Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althans
De banden geknoopt door de hoop.
Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt,
Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwen
Weer schoon te worden, zooals ik placht te wezen,
En als de smart verdwijnen zal,
Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.
Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was, liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, dat elk zou gaan rusten.
[
Inhoud
]
