Note 19 — Zesde Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont’ Ughi was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti’s waren, en anderen de Lamberti’s en deze die en gene weer anderen, naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen, simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van de Maremma19 zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore. Toen de jongelieden, die van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen, in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles, wat door hem gezegd was.