Tiende Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
De negende dag der Decamerone eindigt. De tiende vangt aan. Onder het bewind van Panfilo spreekt men over hen, die door mildheid, of grootmoedigheid iets doen om liefde of andere dingen.
Nog waren enkele wolkjes in het westen rood en glansden die in het oosten reeds aan hun rand als het schitterendste goud, getroffen door de zonnestralen, welke naderden, toen Panfilo de donna’s en zijn metgezellen deed roepen. Toen hij met hen vastgesteld had, waar zij tot hun genoegen heen konden gaan, begaf hij zich met langzamen tred, vergezeld door Filomena sprekend over hun toekomstig leven vooruit op weg.
Na een grooten tocht keerden zij, toen de zon warmer werd, naar het verblijf terug en nadat zij de bekers om de fontein hadden gezet om zich te laven, gingen zij in verfrisschende schaduwen van den tuin zich vermaken tot aan het etensuur. En toen zij gegeten en geslapen hadden, verzamelden zij zich, waar het den koning behaagde en daar beval hij aan Neifile de eerste vertelling voor te dragen, welke blijmoedig aldus begon:
[
Inhoud
]
Eerste Vertelling.
Een ridder dient den koning van Spanje. Hij meent daar slecht voor beloond te zijn. De koning bewijst met zekerheid, dat het zijn schuld niet is, maar van zijn ongelukkig lot en geeft hem prachtige geschenken.
Eerbare donna’s. Ik moet het als een groote gunst beschouwen, dat onze koning mij gekozen heeft om het eerst te spreken over zulk een schoone zaak als de grootmoedigheid, welke evenals de zon de schoonheid en het sieraad van den ganschen hemel de klaarheid en het licht is van elke andere deugd. Hierover zal ik U een kleine geschiedenis vertellen, mijns inziens zeer aardig, en het zal zeker nuttig zijn zich die te herinneren. Onder de dappere ridders, die sinds lang in onze stad waren, was er een, misschien de de beste, messer Ruggieri dè’ Figiovanni, rijk en grootmoedig. De levenswijze en de gewoonten van Toscane beschouwend en ziende, dat, indien hij er bleef, hij weinig van zijn moed zou kunnen toonen, verkoos hij daarom eenigen tijd te vertoeven bij Alphonse, koning van Spanje, daar de faam van diens dapperheid die van elk ander heer in die tijden overtrof. Voornaam uitgerust met wapens, paarden en dienaren begaf hij zich naar Spanje en werd door den koning genadig ontvangen. Messer Ruggierri, die daar luisterrijk leefde en wonderbaarlijke wapenfeiten verrichtte, deed zich spoedig als een dapper man kennen. Toen hij er een heelen tijd vertoefd had en op de handelwijzen des konings lette, meende hij te bemerken, dat die dan aan deze dan aan gene zoo maar een kasteel, een stad of een baronie schonk, die het niet waard was. En omdat aan hem, die wist, wat hij beteekende, niets werd gegeven, meende hij, dat zijn roem er zeer door verminderde en daarom besloot hij te vertrekken en vroeg aan den koning verlof. De koning stond hem dit toe en gaf hem een der beste en schoonste muildieren, wat voor de lange reis, die hij te maken, had zeer door messer Ruggieri werd op prijs gesteld.
Vervolgens gelastte de koning aan een bescheiden bediende op handige wijze met messer Ruggieri mede te reizen, zoodat hem dit niet zou schijnen door den koning te zijn bewerkstelligd. Alles, wat hij zou zeggen, zou hij goed opvangen en het weten te herhalen en den volgenden morgen zou hij hem bevelen naar den koning terug te keeren. De bediende loerde er op, wanneer messer Ruggieri het grondgebied verlaten zou, kwam op slimme manier in zijn gezelschap en deed hem gelooven, dat hij naar Italië ging. Terwijl messer Ruggieri den muilezel bereed en hij over dit en dat sprak, zeide hij, toen het haast drie uur was: Ik geloof, dat het tijd is onze dieren te laten wateren en nadat zij in een stal waren gegaan, waterden zij allen behalve de muilezel. Zij gingen weer voorwaarts; terwijl de stalknecht lette op de woorden van den ridder, kwamen zij aan een rivier en toen daar hun beesten gedronken hadden, waterde het muildier daarin. Toen messer Ruggieri dit zag, zeide hij: Kijk, God make je bedroefd, want jij lijkt, leelijk beest, op den heer, die jou aan mij gaf.
De bediende onthield die woorden en hoewel hij er veel opving, daar hij den ganschen dag met hem reisde, hoorde hij hem verder alles zeggen tot den hoogsten lof des konings. Toen hij den volgenden dag naar Toscane wilde rijden, meldde de bediende hem het vorstelijk bevel. De koning hoorde, wat hij van den muilezel gezegd had, liet hem roepen, ontving hem met blij gelaat en vroeg hem, waarom hij hem met zijn muilezel had vergeleken of liever den muilezel met hem. Messer Ruggieri zei ronduit: Mijn heer, omdat gij op hem gelijkt, want gij geeft, wanneer het niet moet en niet, wanneer het wel moet, evenals het dier waterde, toen het niet behoorde en niet, toen het wel behoorde. Toen sprak de koning: Messer Ruggieri, dat ik U niets heb geschonken, terwijl ik het velen deed, die bij U vergeleken niets zijn, komt niet daarvan, dat ik U niet erken als dapper en een groot geschenk waardig, maar het is Uw noodlot, dat hierin gezondigd heeft, daar dit mij niet in de gelegenheid liet en dat ik U de waarheid zeg, zal ik U duidelijk toonen. Hierop antwoordde messer Ruggieri: Mijn heer, ik ben niet verstoord, omdat ik geen geschenk ontvangen heb, maar omdat ik van U in geen enkel opzicht een getuigenis ontving van mijn waarde. Niettemin houd ik Uw verontschuldiging voor eerlijk en ben bereid te zien, wat gij mij wilt toonen, hoewel ik U zonder bewijzen geloof. De koning leidde hem toen in een groote zaal, waar, gelijk hij het van te voren besloten had, twee groote, gesloten koffers waren en in veler tegenwoordigheid zeide hij: Messer Ruggieri in een van die koffers is mijn kroon, de koninklijke schepter en de rijksappel en vele van mijn schoone gordels, ketens, ringen en verdere juweelen; de andere is vol aarde. Neem er een van en welke gij ook kiest, zal de Uwe zijn en gij zult kunnen zien, wie ondankbaar is geweest jegens Uw dapperheid: ik of het lot. Messer Ruggierri koos er een, welken de koning beval te openen en men vond, dat die vol aarde was. Hierop sprak de koning lachend: Gij kunt wel zien, messer Ruggieri, dat het waar is, wat ik U zeg van het lot, maar zeker verdient Uw dapperheid, dat ik mij tegen zijn krachten verzet. Ik weet, dat gij geen lust hebt Spanjaard te worden en daarom wil ik U hier noch kasteel noch stad geven, maar dien koffer, welken de fortuin U ontnam, wil ik U ondanks haar schenken, en gij kunt dien naar Uw land medenemen en U als bewijs van Uw moed bij Uw makkers beroemen op mijn geschenken. Messer Ruggieri nam dien aan en na die dankbetuigingen te hebben geschonken, bij zulk een gift passend, keerde hij met dezen verheugd naar Florence terug.
[
Inhoud
]
Tweede Vertelling.
Ghino di Tacco neemt den abt van Cligny gevangen, geneest hem van maagziekte en laat hem daarna vrij. Deze, naar het Hof van Rome teruggekeerd, verzoent hem met Paus Bonifacius en doet hem tot Prior der Hospitaal-Ridders benoemen.
Reeds was de grootmoedigheid van koning Alphonso jegens den Florentijnschen ridder geprezen, toen de koning, aan wien de geschiedenis zeer had behaagd, Elisa beval te volgen, die haastig aldus begon: Teedere donna’s. Het kan slechts als een lofwaardige en grootsche zaak beschouwd worden, dat een koning zich grootmoedig toont en die gulheid gebruikt jegens iemand, die hem gediend heeft. Maar wat zullen wij het noemen, als men ons verhaalt, dat een geestelijke een bewonderenswaardig mildheid heeft toegepast jegens iemand, waar geen mensch het gelaakt had dien als vijand te behandelen? Zeker niet anders dan bij den koning een deugd, maar bij den geestelijke een wonder, daar zij allen gieriger zijn dan de vrouwen en geslagen vijanden van alle vrijgevigheid. Hoewel iedereen wraak verlangt voor ontvangen beleedigingen, zoeken de geestelijken, hoezeer zij lijdzaamheid prediken en ten zeerste de vergiffenis voor beleedigingen, die met veel meer vuur dan de andere menschen. Dat een priester grootmoedig was, zult gij duidelijk uit mijn volgende geschiedenis begrijpen.
Ghino di Tacco, een man berucht om zijn wreedheid en zijn rooftochten, die uit Siena was weggejaagd en een vijand der graven van Santa Fiore, deed Radicofani opstaan tegen de Roomsche Kerk en terwijl hij daar woonde, liet hij door zijn volgelingen ieder, die in de omstreken voorbijging, uitplunderen. Toen nu Bonifacius VIII Paus was, kwam de abt van Cligny aan zijn Hof, dien men geloofde een der rijkste prelaten van de wereld te wezen. Daar hij er zijn maag had bedorven, werd hem door de doktoren aangeraden zich naar de baden van Siena te begeven.
Nadat de Paus hem dit had toegestaan, ging hij zonder zich om de faam van Ghino te bekommeren met praal van lastdieren, paarden en bedienden op reis. Ghino di Tacco, die zijn aankomst gewaar werd, spande zijn valstrikken en zonder zelfs een schildknaap te verliezen sloot hij den abt met zijn heele personeel op een enge plaats in. Hierop zond hij naar den abt een der zijnen, den best bespraakten, die hem uit zijn naam op zeer beminnelijke wijze, vroeg of het hem zou behagen met hem naar het kasteel van Ghino te gaan. Toen de abt dit hoorde, antwoordde hij verwoed, dat hij het niet wilde, omdat hij niets met Ghino te maken had, maar dat hij voortging en zou zien, wie het hem zou beletten. Hierop sprak de bode op nederigen toon:
Messire, gij zijt op een plaats gekomen, waar wij buiten Gods toorn niets vreezen en waar de excommunicaties en de banvloeken allen zelf in den ban zijn gedaan en daarom zou het het best zijn hiermee Ghino een genoegen te doen. Reeds was bij dit gesprek de gansche plaats door snorrebaarden omringd, zoodat de abt, die zich gevangen zag met de zijnen, zeer verontwaardigd met den bode den weg insloeg naar het kasteel en zijn heele gevolg. Hij werd in een kleine kamer van een zeer donker en ongeriefelijke verblijf gebracht maar ieder ander werd naar zijn rang vrij goed in de sterkte gehuisvest en de paarden en de heele bagage veilig geborgen. Toen begaf Ghino zich naar den abt en zeide: Messire, Ghino, wiens gast gij zijt, verzoekt U, dat het U behage hem te zeggen, waar gij heen gaat en waarom. De abt, die verstandig zijn trots had afgelegd, beduidde hem, waar hij heen ging en waartoe. Ghino ging daarop weg, en besloot hem zonder bad te genezen en nadat hij steeds in het kamertje een groot vuur liet branden en het goed liet onderhouden, kwam hij eerst den volgenden morgen terug en bracht hem in een blanke doek twee sneden geroosterd brood en een grooten beker witten wijn van Cornaglia, van denzelfden, dien de abt had en sprak aldus tot deze: Messer, toen Ghino jonger was, studeerde hij in de medicijnen en hij beweert, dat er geen beter genezing tegen maagpijn is dan hij U zal klaar maken, waarvan dit het begin is; neem dit dus en versterk U. De abt, die meer honger had dan lust om te schertsen, at, hoewel hij verontwaardiging voorgaf, het brood en dronk den wijn en sprak uit de hoogte, praatte veel, gaf veel raad en vroeg in het bijzonder om Ghino te zien. Ghino liet een deel daarvan ijdel maar waaien, maar op een en ander antwoordde hij zeer beleefd en beweerde, dat die hem zoo gauw mogelijk zou bezoeken. Toen ging hij heen en kwam pas den volgenden dag terug met een ander geroosterd brood en anderen, witten wijn en zoo onderhield hij hem verscheidene dagen, tot hij merkte, dat de abt droge boonen had gegeten, die hij in ’t geheim mee had gebracht. Daarom liet hij hem zijnentwege vragen, hoe het met zijn maag was. De abt antwoordde: Die zou mij in orde schijnen, als ik uit zijn handen was en verder heb ik in niets trek dan te eten, zoo goed hebben zijn medicijnen mij genezen.
Ghino, die vervolgens voor hem met zijn eigen bagage en zijn eigen bedienden een mooie kamer had laten inrichten en een groot gastmaal had laten maken, waar met vele mannen van het slot het heele personeel van den abt aanzat, ging den volgenden morgen naar hem toe en sprak tot hem: Messer, daar gij U zoo wel voelt, is het tijd uit het gasthuis te vertrekken. Hij leidde hem bij de hand naar zijn gereed gemaakte kamer, bracht hem bij zijn gevolg en liet een prachtig gastmaal aanrichten. De abt vermaakte zich met de zijnen en vertelde hun, hoe zijn leven geweest was, terwijl zij integendeel allen mededeelden, dat zij wondergoed door Ghino waren ontvangen. Maar op het etensuur werden de abt en al de anderen behoorlijk van goede spijzen en wijnen voorzien, zonder dat Ghino zich nog aan den abt deed kennen. Toen de abt eenige dagen zoo had doorgebracht, liet Ghino in een zaal zijn heele bagage brengen en op een binnenplaats daaronder al zijn paarden tot den ellendigsten knol toe, ging naar den abt en vroeg hem, hoe hij het maakte en of hij zich sterk genoeg geloofde om op te stijgen. Hierop antwoordde de abt, dat hij flink genoeg was en zijn maag goed genezen en gaarne uit de handen van Ghino zou raken. Toen leidde Ghino hem in de zaal, waar zijn bagage was en zijn geheele personeel en naar een venster, waar hij al zijn paarden kon zien en sprak: Heer abt, gij moet weten, dat het geen boosheid van ziel geweest is, die Ghino di Tacco er toe bracht—en die ben ik—straatroover te worden en een vijand van Rome’s Hof, maar dat hij edelman is en arm uit zijn huis verjaagd en vele en machtige vijanden heeft en zoo zijn leven en zijn adel moet verdedigen.
Maar omdat gij mij een waardig heer schijnt en ik U hier de maag heb genezen, ben ik niet van plan U anders te behandelen dan ik het een ander zou doen van wien ik, als hij in mijn handen was, dat deel van het zijne tot het mijne zou maken, dat mij zou behagen, maar ik wensch, dat gij dit deel van het Uwe tot het mijne maakt, wat gij zelf verkiest. Hier ligt alles en Uw paarden kunt gij uit dat venster op de binnenplaats zien. Neem daarom of een deel of alles en blijf of ga van nu af, gelijk het U bevalt. De abt verbaasd, dat de woorden van een straatroover zoo edelmoedig waren, onderdrukte dadelijk zijn toorn en verontwaardiging, en veranderde die daarentegen in welwillendheid, werd van harte met Ghino bevriend, wilde hem omarmen en zeide: Ik zweer bij God, dat om de vriendschap te winnen van zulk een man als gij, ik een veel grooter beleediging zou dulden. Vervloekt zij het noodlot, dat U tot zulk een afkeurenswaardig beroep dwingt! Daarna liet hij van zijn vele zaken er zeer weinig en slechts de noodige meenemen en eveneens van de paarden. Na hem al de anderen te hebben gegeven keerde hij terug naar Rome. Daar de Paus de gevangenneming van den abt had vernomen en dit hem zeer verdroot, vroeg hij hem, toen hij hem zag, of de baden hem goed hadden gedaan. De abt antwoordde lachend: Heilige Vader, ik heb dichterbij een beter dokter gevonden en hij vertelde hem het middel, waarover de Paus lachte. Hierop vroeg de abt volgens zijn belofte uit edelmoedigheid een gunst. De Paus denkend, dat hij wat anders zou verzoeken, stond hem dit gul toe. Toen sprak de abt: Heilige Vader, wat ik U wil vragen, is, dat gij genade schenkt aan Ghino di Tacco, mijn dokter, omdat hij van de waardige mannen, waarvan ik er velen ontmoette, zeker een van de beste is en welk kwaad hij ook doet, dit is, meen ik, veel meer een zonde van zijn lot dan van hem zelf. Verander dus zijn lot en maak dat hij naar zijn rang kan leven en ik twijfel er dan niet aan, dat het binnen kort U zoo zal voorkomen als aan mij. De Paus, die groot van ziel was en veel van waardige mannen hield, wilde dit gaarne doen, mits het was, gelijk de abt meldde. Ghino kwam zoo onder vrijgeleide ten hove en spoedig hield de Paus hem voor een waardig man en na zich met hem verzoend te hebben gaf hij hem een groot prioraat van de Hospitaal-Orde, van welke hij hem Tempelridder maakte. Dit ambt behield hij, zoolang hij leefde, als vriend en dienaar der heilige Kerk en van den abt van Cligny.
[
Inhoud
]
Derde Vertelling.
Mithridanes jaloersch op de edelmoedigheid van Nathan wil hem dooden en zonder deze te kennen, ontmoet hij dien zelf; onderricht door dezen over het middel daartoe, ontdekt hij hem in een boschje, dat die er voor had aangewezen, schaamt zich, als hij hem erkent en wordt zijn vriend.
Het scheen allen een wonder, dat een geestelijke een zaak grootmoedig behandelde, maar toen de de donna’s al met praten ophielden, beval de koning aan Filostrato voort te gaan, die haastig begon: Edele donna’s. Groot was de mildheid van den koning van Spanje en ook die van den abt van Cligny, maar het zal U nog wonderlijker voorkomen, dat een grootmoedig man jegens een ander, die zijn bloed en zijn leven begeerde, wijs besloot het hem te geven. En hij zou het geschonken hebben, als de ander het had willen aannemen, hetgeen ik U zal vertellen.
Mithridanes wachtte een oogenblik en besluitend zich hem toe te vertrouwen, vroeg hij met een lange omhaal zijn woord en daarna raad en hulp, zei, wie hij was en waarom hij kwam. Nathan was waarlijk hierbij geheel onthutst maar zonder te lang te dralen antwoordde hij met een gerust hart en een onbewogen gelaat: Mithridanes, Uw vader was een edel mensch, van welken gij niet moogt ontaarden, nu gij zulk een trotsch besluit genomen hebt jegens allen grootmoedig te zijn en ik prijs U zeer om Uw afgunst op de deugd van Nathan. Als er meer zoo waren, zou de wereld die nu zeer ellendig is, spoedig goed worden. Uw voorstel zal geheim blijven, maar ik kan er eer nuttigen raad dan groote hulp voor verleenen, en wel deze: Gij kunt van hier misschien op een halve mijl afstand een boschje zien, waarin Nathan elken morgen geheel alleen voor ontspanning een lange wandeling doet; daar is hij gemakkelijk te treffen. Ga, indien gij hem doodt, opdat gij zonder hindernis naar huis terugkeert, niet denzelfden weg terug, maar dien gij links uit het bosch ziet komen, omdat deze een weinig meer ongebaand dichter bij Uw huis is en veiliger. Daarna liet Mithridanes in ’t geheim aan zijn metgezellen weten, waar zij hem den volgenden dag moesten wachten. Nathan ging onveranderlijk in zijn gevoelens volgens den raad, dien hij had gegeven, naar het boschje om te sterven. Mithridanes nam zijn boog en zijn degen,—want andere wapens had hij niet,—ging er te paard heen en zag Nathan van verre alleen wandelen. Voor hij hem aanviel, wilde hij hem zien en spreken, liep op hem toe, greep hem bij den doek op het hoofd en zeide: Grijsaard, gij zijt des doods! Nathan antwoordde er niets op als: Dan heb ik dien verdiend. Mithridanes, die hem aan stem en gelaat herkende, als degene, die hem welwillend had ontvangen en trouw had geraden, liet opeens zijn woede varen en zijn toorn veranderde in schaamte. Daarop steeg hij af na den degen te hebben weggeworpen, viel klagend Nathan te voet en zeide: Nu ken ik Uw gastvrijheid, dierbare vader, nu ik zie hoe, gij hier gekomen zijt om mij Uw leven te geven, wat ik zonder rede toonde te begeeren. Maar God, die meer nauwgezet is op mijn plicht dan ik, heeft op het ware oogenblik mijn oogen geopend, die gesloten waren door ellendigen nijd. En ik verdien te meer straf voor mijn dwaling, naarmate gij meer bereid waart, mij te dienen. Neem die wraak, welke gij voor mijn zonde eischt. Nathan hief hem op, omhelsde en kuste hem teeder en sprak: Mijn zoon, voor uw plan of gij het misdaad of hoe ook noemen wilt, behoeft gij geen vergeving te vragen, omdat gij het niet uit haat hebt gevolgd maar om voor braver door te gaan. Leef ongestoord voort en wees er zeker van, dat er niemand is, die zooveel van U houd als ik, want ik begrijp den trots van Uw ziel, die er zich aan wijdde niet slechts te verzamelen, gelijk de ellendigen doen, maar het verzamelde te besteden. Evenmin behoeft gij U te schamen mij uit roemzucht te dooden noch te denken, dat ik mij er over verwonder. De beroemdste keizers en de grootste koningen hebben niet anders dan door moorden niet één man, zooals gij het wilde, maar oneindig veel menschen gedood, de landen plat gebrand en de steden vernield om hun rijken te vergrooten en bijgevolg hun roem. Als gij om U meer beroemd te maken mij hebt willen dooden, hebt gij niets wonderlijks of nieuws gedaan, maar iets zeer gewoons.
Mithridanes, die zijn boos plan niet verontschuldigde, maar die de vereerende verontschuldiging van Nathan zeer prees, zeide, dat hij zich zeer verwonderde over den raad, dien bij hem gaf. Hierop zei Nathan: Mithridanes, verwonder U niet, omdat ik, sinds ik mijn eigen wil had en besloot hetzelfde te doen als gij, niemand ooit in mijn huis ontving, dien ik niet voldeed, wat hij ook vergde. Gij zijt hier gekomen begeerig naar mijn leven, daarom, opdat gij ook niet onbevredigd zoudt weggaan, besloot ik het U te schenken. Ik gaf U den raad, dien ik, geschikt achtte; U mijn leven te geven en U het Uwe niet te doen verliezen. Gij kunt het nog nemen, daar ik het niet beter weet te besteden. Ik heb het al tachtig jaar voor mijn genoegens en voor mijn weldadigheid gebruikt en ik volg den loop der natuur, die mij nog maar weinig tijd overlaat. Daarom acht ik het veel beter dat te offeren, gelijk ik steeds mijn schatten gegeven en verteerd heb, dan dit te bewaren tot het tegen mijn wil mij door de natuur wordt ontnomen. Het is een klein geschenk honderd jaar te geven; hoeveel minder is het dan niet de zes of acht te schenken, die ik nog heb te leven? Neem het dus, als dit U bevalt, bid ik U, omdat ik, terwijl ik hier geleefd heb, niemand vond, die het heeft begeerd, en ik ook niemand zal vinden, die het wenscht. En mocht ik nog iemand vinden, dan weet ik, dat hoe langer ik het houd, hoe minder het waard zal zijn; en omdat het minder waard wordt, bid ik U het te nemen. Mithridanes zeide beschaamd: God verhoede, dat ik uw zoo kostbaar leven neem of dat ik er de begeerte toe krijg als voor kort, wat ik niet met zijn jaren wil verminderen maar gaarne met de mijne verlengen. Nathan sprak snel: Wel, gij kunt het verlengen en schenk mij uw leven, die nooit iets van anderen nam. Goed, zeide Mithridanes. Dan, sprak Nathan, handel, gelijk ik zeg. Blijf als jongeling in mijn huis en noem U Nathan en ik zal naar het Uwe gaan en Mithridanes heeten. Toen antwoordde Mithridanes: Indien ik nu wist te handelen als gij, zou ik het aannemen, maar omdat mijn handelwijzen den roem van Nathan zouden verminderen en ik niet bij anderen wil bederven, wat ik bij mezelf niet wist te verkrijgen, zal ik dit niet aannemen. Bij deze geestige woorden gingen zij naar het paleis terug, waar Nathan Mithridanes prachtig onthaalde en hem met al zijn vernuft en wetenschap in zijn grootsch plan versterkte. Mithridanes ging met zijn gezelschap huiswaarts, nadat Nathan hem wel had doen ondervinden, dat hij hem nooit in mildheid zou kunnen overtreffen.

Ridder Gentile.
10e Dag—4e Vertelling.
[
Inhoud
]
Vierde Vertelling.
Messer Gentil de’ Carisendi haalt teruggekeerd van Modena een donna door hem bemind, die voor dood is begraven, uit het graf, welke hersteld een zoon baart en messer Gentile geeft haar en den zoon terug aan Niccoluccio Caccianimico, haar echtgenoot.
Het scheen allen een wonder, dat iemand zoo vrijgevig was met zijn eigen bloed en zij erkenden, dat Nathan werkelijk den koning van Spanje en den abt van Cligny overtrof. Toen er over een en ander genoeg gezegd was, beduidde de koning Lauretta, dat zij zou spreken, die opgewekt begon:
Jonge donna’s. De verhalen waren prachtig en het schijnt mij, dat er niets voor ons overblijft te vertellen, zoo grootsch waren die. Alleen liefdesgeschiedenissen geven nog voor elk onderwerp de overvloedigste stof tot spreken. En zoowel hierdoor en omdat onze leeftijd ons daartoe hoofdzakelijk leidt, behaagt het mij U de grootmoedigheid van een minnaar vertellen, welke wel beschouwd U niet minder zal schijnen dan een der verhaalde feiten, indien het waar is, dat men de schatten geeft, dat men de vijandigheden vergeet en dat men het leven, de eer en den roem, die veel meer waard zijn in duizende gevaren brengt om het beminde voorwerp te bezitten.
Er leefde dan in Bologna, die zeer edele stad van Lombardije, een ridder zeer gezien om zijn deugd en den adel van zijn bloed, Gentil Carisendo, een jonkman, die verliefd werd op een edelvrouw, madonna Catalina (Catharina), de echtgenoote van een zekeren Niccoluccio Caccianimico. Omdat zijn liefde door haar slecht werd beantwoord, vertrok hij, tot baljuw van Modena benoemd, wanhopig. In dien tijd, terwijl Niccoluccio te Bologna was en de donna op een harer bezittingen misschien drie mijlen van de stad, waar zij voor haar zwangerschap heenging, werd zij door zulk een ernstige ongesteldheid getroffen, dat zij door elken dokter voor dood werd gehouden. Daar haar naaste verwanten uit haar eigen mond hadden vernomen dat het kind nog niet rijp kon zijn, begroeven zij haar met veel geklaag in een tombe van een kerk daar in de buurt zonder zich verder ongerust te maken. Dit werd dadelijk door een vriend bericht aan messer Gentil, die, hoewel hij zeer weinig van haar welwillendheid had genoten, er zeer bedroefd over was en dacht: Zie, mevrouw Catalina, gij zijt dood; zoolang gij leefde, heb ik nooit één blik van U gehad, daarom nu gij U niet meer kunt verzetten, moet ik een kus van U hebben. ’s Nachts gaf hij zijn bevelen, opdat zijn vertrek geheim bleef, steeg met een bediende te paard en zonder oponthoud bereikte hij de tombe, opende die, waarin hij binnenging, legde zich naast haar zijn gelaat bij het hare en kuste het meermalen met vele tranen. Daar wij de wenschen der mannen nooit bevredigd zien, maar die steeds vermeerderen en in het bijzonder die der minnaars en hij besloten had er niet langer te blijven, zeide hij: Wel, waarom zou ik haar niet even de borst aanraken? Ik mag die nooit meer beroeren en raakte die nooit aan. Door dit verlangen overwonnen legde hij de hand op haar boezem en toen hij die daar eenigen tijd gehouden had, scheen het hem, dat haar hart nog sloeg. Toen hij alle vrees van zich verjaagd had, bevond hij, dat zij zeker niet dood was, hoe gering en zwak hij haar leven ook achtte; daarom trok hij haar zoo zacht hij kon met behulp van zijn bediende uit de tombe en na haar voor zich op het paard te hebben gelegd, bracht hij haar heimelijk in zijn huis in Bologna. Daar was zijn moeder, een waardige en wijze vrouw, die, nadat zij van haar zoon alles vernam, door medelijden bewogen langzaam met groote hitte en een bad het verzwakte leven terug riep. Toen zij tot zich zelf kwam, stiet zij een grooten zucht uit en zeide: Wee mij! Waar ben ik? Waarop de waardige donna antwoordde: Houdt U goed, je bent op een goede plaats. Tot bezinning gekomen en niet goed wetend, waar zij was en messer Gentile voor zich ziende, vroeg zij vol verbazing zijn moeder haar te zeggen, hoe zij daar kwam, waarop messer Gentil alles vertelde. Zij, hierover bedroefd, bedankte hem, zooveel zij kon en bad hem bij de liefde, die hij haar vroeger toedroeg en uit beleefdheid, dat er niets zou gebeuren, wat tegen haar eer en die van haar man ging en haar, als het dag werd, naar haar eigen huis te laten terugkeeren. Messer Gentile antwoordde: Madonna. Hoedanig mijn verlangen ook eertijds was, ik ben thans niet van plan noch voortaan (daar God mij die genade schonk U uit den dood aan het leven terug te geven dank zij de liefde, die ik U vroeger toedroeg) U noch hier noch elders anders dan als geliefde zuster te behandelen maar de dienst, dien ik U vannacht bewees, verdient een belooning en daarom wil ik, dat gij mij die schenkt. De donna verklaarde zich hiertoe bereid, mits die gunst eerbaar was. Messer Gentil sprak toen: Madonna, al Uw verwanten en alle Bologneezen gelooven stellig, dat gij gestorven zijt. Ik verlang van U, dat gij hier zult blijven met mijn moeder, tot ik spoedig van Modena terugkeer. De reden hiervan is, dat ik U in tegenwoordigheid der beste burgers een duur en feestelijk geschenk wil geven. De donna, die zich verplicht gevoelde, stemde toe, hoezeer zij ook verlangde haar familie te verheugen en beloofde het hem op haar woord. Kort daarna meende zij te moeten bevallen en met zorg geholpen door de moeder van messer Gentile beviel zij weldra van een schoonen knaap, wat de vreugde van messer Gentil en van haar zeer verhoogde. Messer Gentile beval, dat zij van alles werd voorzien, behandeld als zijn eigen vrouw en keerde in ’t geheim naar Modena terug. Toen daar de tijd voor zijn baljuwschap om was, keerde hij naar Bologna terug. Den ochtend, dat hij zou binnen komen, beval hij voor vele edele lieden van Bologna een groot gastmaal te bereiden, waarbij Niccoluccio Caccianimico tegenwoordig zou zijn. Toen hij zich bij hen bevond, zag hij de donna schooner en gezonder terug dan ooit en het zoontje welvarend, zette met opgeruimdheid zijn gasten aan tafel en liet ze van allerlei spijzen bedienen. Toen het maal haast geëindigd was, begon hij, die met de donna alles geregeld had, aldus te spreken: Heeren, ik herinner mij eens te hebben gehoord, dat er in Perzië een aardig gebruik bestond namelijk, wanneer iemand zijn vriend ten hoogste wilde onthalen, hem bij zich uit te noodigen en hem vrouw, vriendin of dochter te toonen of wat hem het dierbaarst was met het verzoek, dat ook deze zou zeggen, wat hem het liefst was en ik doe dit nu hier in Bologna. Gij hebt mijn gastmaal eer aangedaan en wil u op zijn perzisch ontvangen door u het dierbaarste te toonen, wat ik op de wereld heb. Maar eer ik dit doe, bid ik u mij te zeggen, wat gij denkt van den twijfel, dien ik in mij omdraag. Iemand heeft een goed en trouw dienaar, die ernstig ziek wordt; zonder het einde van den zieke af te wachten, laat hij hem midden op straat dragen en zorgt niet meer voor hem; er komt een vreemde en bewogen door medelijden verzorgt hij hem en met groote kosten wordt hij weer gezond. Nu zou ik willen weten of, als hij dien in zijn dienst houdt, zijn eerste meester zich terecht kan beklagen over den tweede, indien die, als hij den dienaar terugvraagt, dezen niet afstaat. De edellieden kwamen tot één besluit en droegen Niccoluccio Caccianimico op, omdat hij een goed spreker was, te antwoorden. Deze prees het perzisch gebruik en meende als de anderen, dat de eerste meester geen recht meer op zijn dienaar had, omdat hij hem in dit geval niet alleen had verlaten maar zelfs verstooten en dat het, voor de diensten door den tweeden bewezen, rechtvaardig was, dat hij diens knecht werd, en hij, door hem te houden, den eerste geweld noch beleediging aandeed. Alle aanwezigen zeiden hetzelfde. De ridder hierover tevreden beweerde, dat hij van een andere meening was en zeide daarentegen: Het is tijd, dat ik u volgens mijn belofte eer bewijs. Hij liet door twee knechts de donna halen, die hij rijk had getooid, en verzocht haar om de edellieden met haar tegenwoordigheid te vereeren. Met haar mooi knaapje op den arm kwam zij in de zaal en ging naast een waardig man zitten. Hij sprak: Heeren, dit is het dierbaarste, wat ik heb. Ben ik in mijn recht? De edellieden vierden haar zeer en zeiden den ridder, dat hij haar moest liefhebben. Er waren er verscheidene, die hem gezegd zouden hebben, wie zij was, als zij haar niet dood hadden gewaand. Maar vooral Niccoluccio keek haar aan, die, toen de ridder even heen ging, daar hij brandde om te weten of ze het was, zich niet houden kon, en haar vroeg of zij uit Bologna was of een vreemde. De donna, door haar echtgenoot ondervraagd, zweeg om de afspraak te houden. Een ander vroeg of dit haar zoontje was en gene of zij de vrouw was van messer Gentile of met hem verwant; hierop antwoordde zij niets. Maar toen messer Gentile terug kwam, zeide een der gasten: Messire, zij is schoon, maar zij schijnt mij stom. Is zij dit? Heeren, sprak messer Gentile, dat zij tot nu toe niet gesproken heeft, is geen klein bewijs van haar deugdzaamheid. Zeg dan, wie zij is. De ridder sprak: Dat zal ik gaarne doen, mits gij mij belooft, dat niemand van zijn plaats zal bewegen, voor ik geëindigd heb en hierna, toen de tafel al was opgeheven, sprak messer Gentile, die naast de donna ging zitten: Heeren, deze donna is die eerlijke dienaar, waarover ik U sprak, deze werd geminacht en als gemeen en nutteloos op de straat geworpen, en door mij opgenomen. Door mijn zorg heb ik haar uit den dood opgehaald en God, die lette op mijn barmhartigheid, heeft haar van een afschrikwekkend lichaam weer schoon doen worden. Maar ik zal U in het kort verklaren, wat mij is overkomen, Hij vertelde van zijn verliefdheid af alles uitvoerig tot aller groote verbazing en voegde er nog aan toe: Als gij dus niet sinds zooeven van gevoelen zijt veranderd en vooral Niccoluccio, is die donna met recht de mijne en kan niemand haar met reden van mij weer opeischen. Niemand antwoordde, maar alle wachtten af. Men weende van ontroering; messer Gentile stond op, nam den kleinen jongen in zijn armen en de donna bij de hand en sprak tot Niccoluccio: Sta op, peetvader, ik geef U deze niet als Uw vrouw terug door Uw familie en haar verwanten verstooten maar als mijn petemoei en dit knaapje, waarvan ik zeker ben, dat het van u is, dat ik ten doop hield en Gentile heb genoemd. Ik bid u, dat zij, daar zij drie maanden in mijn huis is geweest, u niet minder dierbaar zal zijn. Want ik zweer u bij dien God, die mij op haar verliefd maakte, misschien om haar te redden, dat zij nooit eerbaarder bij haar ouders of u heeft geleefd dan bij mijn moeder in mijn huis. Hierbij wendde hij zich naar de donna en sprak: Madonna, ik ontsla u van elke belofte mij ooit gedaan en geef u over aan Niccoluccio en hij sloot de donna en het kind in diens armen. Niccoluccio ontving verlangend zijn donna en haar zoontje en des te meer verblijd, naarmate hij meer wanhopend was geweest en zoo goed hij kon, bedankte hij den ridder. Al de anderen weenden van ontroering en prezen hem zeer en ieder, die het later hoorde. De donna werd met groote vreugde tehuis ontvangen en zij werd met verbazing langen tijd door de Bologneezen beschouwd. Messer Gentile leefde steeds als vriend van Niccoluccio en zijn verwanten en die der donna.
Wat zult gij hier zeggen, welwillende donna’s? Zoudt gij denken, dat een koning, die zijn schepter en kroon geeft en een abt, die zonder schade een misdadiger met den Paus verzoende of een oude, die zijn keel biedt aan het mes van een vijand, vergeleken kunnen worden met de daad van messer Gentile, die jong en vurig, te recht meenend te bezitten, wat de dwaasheid van anderen had weggeworpen en wat hij door goed geluk had gevonden, niet alleen zijn liefde matigde maar ook terug gaf, wat hij langen tijd begeerd had en zocht te rooven. Zeker schijnt niets van het verhaalde mij hieraan gelijk.
[
Inhoud
]
Vijfde Vertelling.
Madonna Dianora eischt van messer Ansaldo een tuin in Januari even schoon als in Mei. Messer Ansaldo geholpen door een toovenaar, geeft haar dien. De echtgenoot staat toe, dat zij messire Ansaldo ter wille is, die dit hoorend haar van haar belofte ontslaat en de toovenaar, zonder iets van hem te verlangen, beschouwt hem als vrij van schuld.
Ieder van het vroolijk gezelschap verhief messer Gentile tot in de wolken, toen de koning beval Emilia te volgen, welke onbeschroomd verlangend te spreken, aldus begon: Teedere donna’s, Niemand kan ontkennen, dat messer Gentile ridderlijk gehandeld heeft, maar als men wilde beweren, dat men het niet noch schooner kan, zou het niet moeilijk zijn dit te weerleggen. Dit wil ik u in mijn verhaal toonen.
In Frioli, een koud land, maar vroolijk door schoone bergen, vele rivieren en heldere bronnen, leefde in een stad Udine, een mooie edelvrouw madonna Dianora, de gade van een voornaam, rijk man Gilberto, aardig en van knap uiterlijk. De donna won de liefde van een edelen en grooten baron, messire Ansaldo Gradense, een man van ondernemingsgeest en door zijn wapenfeiten en hoffelijkheid bij allen bekend. Hij deed alles, wat hij kon, om door haar bemind te worden en zond haar daartoe vaak boodschappen maar vergeefs. En daar de verzoeken van den ridder de donna hinderden en zij zag, dat hij niet ophield door haar weigeren noch haar te beminnen noch haar te bidden, bedacht zij door een naar haar meening onmogelijken eisch zich van hem te ontdoen en sprak tot een vrouw, die dikwijls zijnentwege tot haar kwam, aldus: Goede vrouw, gij hebt dikwijls beweerd, dat messer Ansaldo mij boven alles liefheeft en gij hebt wonderbare geschenken uit zijn naam aangeboden, die ik niet aannam, maar indien ik er zeker van ben, dat hij mij zóó liefheeft, als gij zegt, zou ik zeker trachten hem lief te hebben; indien hij wil beloven, wat ik hem zal vragen, zal ik tot zijn beschikking zijn. De goede vrouw zeide: Wat verlangt gij van hem? Zij antwoordde dit: Ik wil in de komende maand Januari bij deze stad een tuin vol groen gras, bloemen en boomen met bladeren evenals in Mei; als hij dit niet geeft, laat hij u dan niet meer sturen, omdat, als hij mij weer zal hinderen, ik mij bij mijn man en familie zal beklagen, wien ik tot nu toe alles verborg.
De ridder, die het voorstel van de donna hoorde, nam zich toch voor, hoe moeilijk en onmogelijk het hem scheen, het te beproeven en ging in vele deelen der wereld iemand zoeken om hulp en raad. Hij ontmoette iemand, die aanbood voor veel geld het te bewerkstelligen door tooverij. Toen messer Ansaldo voor een zeer groote som het met hem eens werd, wachtte hij verheugd den hem gestelden tijd af. Het was toen zeer koud en alles vol sneeuw en ijs en de waardige man handelde in een zeer schoone weide vlak bij de stad in den nacht voor één Januari zóó, dat op den morgen volgens ooggetuigen, een der schoonste tuinen verscheen met gras en boomen en vruchten van allerlei soort. Toen messire Ansaldo dit gezien had, liet hij zeer verheugd er de schoonste vruchten en bloemen plukken, liet die in ’t geheim zijn donna aanbieden en haar uitnoodigen den tuin, door haar geëischt, te zien, en dat zij zich de belofte zou herinneren en die zou houden.
De donna hoorde door velen over den wonderbaren tuin spreken, en kreeg berouw. Maar daar zij begeerig was wonderen te zien, ging zij er met vele andere donna’s van de stad heen, prees die niet zonder verbazing, en ging, bedroefder dan eenige vrouw, naar huis denkend aan wat zij verplicht was. Zij kon haar smart niet verbergen; de echtgenoot merkte dit en wilde de reden weten. De donna zweeg uit schaamte; ten laatste vertelde zij hem alles. Gilberto werd eerst heel kwaad. Toen de reine bedoeling van de donna in aanmerking nemend, gaf hij zijn besten raad na zijn toorn te hebben verdreven: Dianora, het is geen daad van een wijze of eerbare donna zulk een boodschap aan te hooren noch op eenige voorwaarden haar eerbaarheid aan een verdrag te wagen. Woorden in het hart opgenomen, hebben grooter kracht dan velen denken en bijna alles wordt voor minnaars mogelijk; gij hebt dus slecht gehandeld. Maar omdat ik de reinheid van uw ziel ken, zal ik om u van uw belofte te ontslaan, u dat toestaan, wat wellicht geen ander zou veroorloven ook, omdat ik bang ben voor den toovenaar, waardoor misschien messer Ansaldo, als gij met hem spot, ons schade zou doen. Ik wil, dat gij naar hem toe gaat en u best doet, zooveel gij kunt, dat gij met het oog op uw eerbaarheid van die belofte bevrijd wordt. Zoo het niet anders kan, geef hem dan ditmaal uw lichaam maar niet uw ziel. De donna weende en weigerde hem zulk een gunst toe te staan. Gilberto, hoezeer de donna zich ook verzette, wilde, dat het geschiedde. De donna ging, toen het daagde, zonder veel opschik met twee dienaren en een kamervrouw naar messere Ansaldo. Toen deze dit hoorde, verbaasde hij zich zeer, liet den toovenaar roepen en sprak: Zie, hoeveel goeds uw kunst mij verschafte! Hij ontving haar met eerbied, beteugelde zijn begeerte, en nadat hij haar en de anderen in een fraaie kamer met een groot vuur had laten plaats nemen, zeide hij: Madonna, ik smeek u, indien de langdurige liefde, die ik u heb toegedragen, eenig loon verdient, dat het u niet zal hinderen mij de ware reden mede te deelen van uw vroege komst met dit geleide.
De donna beschaamd en met de tranen in de oogen, antwoordde: Messere, geen liefde, noch de gegeven belofte leidden mij hier, maar het bevel van mijn echtgenoot, die meer lettend op de smarten van uw onbeteugelde liefde dan op zijn en mijn eer, mij hierheen stuurde en daarom ben ik voor deze keer tot uw beschikking. Messer Ansaldo, die eerst over de donna verwonderd was, verbaasde zich nu nog meer en door de gezindheid van Gilberto bewogen veranderde zijn hartstocht in medelijden en hij zeide: Madonna, God verhoede, dat ik de eer schend van hem, die zich over mijn liefde ontfermt en daarom zult gij hier zijn als mijn zuster en als het u aangenaam is, kunt gij vrij vertrekken op voorwaarde, dat gij aan uw man voor zooveel beleefdheid die gunsten schenkt, die gij goed zult achten en gij mij altijd in de toekomst tot broeder en dienaar wilt hebben. De donna blijder dan ooit sprak: Als ik op uw gewoonten let, had ik niets anders van u verwacht, waarvoor ik u altijd verplicht zal zijn. En na afscheid te hebben genomen, ging zij eervol begeleid terug naar Gilberto en vertelde hem het gebeurde. Daaruit kwam tusschen hem en messer Ansaldo een innige en trouwe vriendschap voort. De toovenaar, voor wien messer Ansaldo zich gereed maakte de beloofde som te geven, zeide, toen hij de mildheid van Gilberto jegens Ansaldo en die van messer Ansaldo jegens de donna zag: God beware mij, dat ik, die de edelmoedigheid van Gilberto jegens u bemerkte, niet even mild zou zijn en daarom wil ik, dat het uwe blijft, wat ik weet, dat u te pas kan komen. De ridder schaamde zich en deed zijn best hem alles of een deel te betalen, maar tevergeefs. Na drie dagen deed de toovenaar zijn tuin verdwijnen en beval hem Gode aan. Ansaldo na zijn overspelige liefde te hebben overwonnen bleef ontgloeid in een eerlijke vriendschap voor haar.
Wat zullen wij zeggen, verliefde donna’s! Zullen wij de dood gewaande donna en de liefde reeds verkoeld door de verloren hoop tegenover die edelmoedigheid van messer Ansaldo kunnen stellen, die meer dan ooit liefheeft en door meer hoop ontbrand is en in zijn handen de zoo lang gevolgde prooi houdt? Het schijnt mij dwaas te gelooven, dat die edelmoedigheid daarmee is te vergelijken.
[
Inhoud
]
Zesde Vertelling.
De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij haar en haar zuster eervol uit.
Wie zou de verschillende redeneeringen der donna’s kunnen navertellen over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten zou maken en zij begon zonder verwijl aldus:
Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven en notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar ons gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die met veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om wat uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen tuin zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar de ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een vriendelijker manier moest behandelen en liet hem melden, dat hij met vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen.
Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en geprezen had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den vijverkant geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan graaf Guido di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te nemen en messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren gekomen, dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen uitgezochte spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening was lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde over de eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, waarvan de eene misschien vijftien jaar was, met losse haren blond als gouddraad en daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm gewonden, wier oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt met een kleed van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het nauwst en dat van daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de voeten viel. Zij, die voorop ging, droeg op haar schouders een paar vischnetten, die zij met de linkerhand vasthield en in de rechter een langen stok. De tweede had op den linkerschouder een oventje en onder den linkerarm een bundel hout, in de hand een drievoet en in de andere hand een potje olie en een aangestoken fakkeltje. De koning verwonderde zich bij dien aanblik en wachtte gespannen af, wat dat beteekende. De meisjes traden eerbaar en beschaamd vooruit en maakten voor den koning een buiging. Zij, die de kachel droeg, plaatste die op den grond en toen het overige, nam den stok van haar gezellin en beide traden in den vijver, waarvan het water hun tot de borst steeg. Een der bedienden van Neri stak haastig het vuur aan en na de kachel op den drievoet te hebben geplaatst en er de olie op te hebben gegoten begon hij af te wachten, dat de meisjes hem visch zouden toewerpen.
De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van den koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd vele. Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven legde en daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel den koning, graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op tafel, waarin de koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er op zijn beurt van ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en zoo schertsten zij eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken had en die eer als een toespijs dan als een duur of keurig gerecht, gelijk messer Neri beval, den koning werden voorgezet. De meisjes, die de gebakken visch zagen en genoeg gevischt hadden, kwamen uit den vijver het witte en lichte kleed geheel klevend aan hun huid, zoodat niets van den fijnen vorm van hun lichaam verborgen bleef en nadat zij de voorwerpen weer hadden opgenomen, gingen zij beschaamd langs den koning naar huis terug. De koning, de graaf en de anderen hadden die meisjes heel mooi en welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, maar bovenal hadden ze aan den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig elk deel van hun lichaam beschouwd, toen zij uit het water kwamen, dat hij, als men hem geprikt zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds meer aan hen denkende voelde hij in het hart een brandende begeerte groeien ze te bezitten en dat hij verliefd zou worden, als hij zich niet in acht nam. Hij wist zelf niet, wie van de twee hem het meest beviel. Na eenig nadenken wendde hij zich tot Neri en vroeg hem, wie de twee jonge dames waren, die antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn dochters, beide op denzelfden dag geboren, waarvan de eene Ginevra, de Schoone, en de andere Isotta, de Blonde, heet. De koning prees ze zeer en spoorde hem aan ze uit te huwen, waarover Neri, omdat hij dit niet kon, zich verontschuldigde. Er bleef niets meer dan het fruit op te disschen en de twee meisjes kwamen in twee rokken van zeer fraai taf met twee zeer groote zilveren schotels in de hand vol verschillende vruchten en zetten dien voor den koning op tafel. Daarna gingen zij wat achteruit en begonnen een lied te zingen, dat aldus aanving:
Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht,
Lang kan men daar niet van verhalen .…
met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met genoegen toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar waren neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof aan den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een en ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de vorst zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook voorviel, de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet vergeten, waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en hij raakte zoo vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets anders kon denken. Hij greep andere voorwendsels aan om met messer Neri een innige vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den tuin de schoone Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was hij op de gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet één maar beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als zijn plan bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, hem zeide: Mijn heer, ik verwonder mij er zeer over, wat gij mij zegt en meer dan wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van af uw jeugd tot heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij in uw jeugd, waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, nooit zulk een hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, dat gij, de ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er over te laken, weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking neem, dat gij in een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een onbekend volk vol bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt met zeer groote zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om te gaan zitten, ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde.
Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd de twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn huis boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren ze u haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel vertrouwen hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet en geen roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit rijk hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou meer een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn hoop en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, dat het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust en bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd.
Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem te meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, hoe sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een goed geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest voor zich zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als de dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van dezen schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan messer Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo della Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te hebben toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië en met voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, zijn wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, voor de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef.
Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor een koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar ik zou zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een verliefd vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar liefde blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze, eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve.
[
Inhoud
]
Zevende Vertelling.
Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en noemt zich sedert voor altijd haar ridder.
Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna’s. Er is geen verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen.
Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van Aragon, heer van dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar feest en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: Lisa, zag hem uit een venster, waar zij met andere donna’s zat, en hij beviel haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het feest geëindigd was en zij zich in het huis van haar vader bevond, kon zij aan niets anders denken dan aan deze heerlijke en hooge liefde. En wat haar hierbij het meest hinderde was: het besef van haar nederigen stand, die haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar toch hield zij vol den koning lief te hebben en uit vrees voor meer verdriet, durfde zij het niet bekennen. De koning merkte het niet, wat haar meer dan men denken kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat haar liefde voortdurend aanwies en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd zij ziek en zij kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Haar ouders deden hun best haar met versterkingen en doktoren en medicijnen te helpen, maar niets baatte, omdat zij niet langer wou leven. Het kwam haar in de gedachte, als het op passende wijze kon, haar liefde en haar voornemen, eer zij stierf, aan den koning mede te deelen en daarom verzocht zij haar vader Minuccio d’Arezzo bij haar te brengen. Minuccio werd destijds voor een uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en was zeer gezien bij koning Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat wilde hooren spelen en zingen; daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij haar te komen en toen hij als aardig mensch haar met liefdewoorden gesterkt had, begon hij op zijn viool zacht een sonate te spelen en zong daarna eenige liederen; dezen waren voor het meisje vuur en vlam, terwijl hij haar geloofde te troosten.
Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak: Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem bij het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in den toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht mijn liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel verminderen en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder smart verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het niet eerst zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan mededeelen dan u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het niet weigert en als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, opdat ik bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend gezegd te hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar trots en wreed voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, hoe hij haar met eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn woord, en gij zult er nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij uw liefde gericht hebt op zulk een groot koning en bied u mijn hulp aan, waarmee ik hoop zoo te werk te gaan—wat u moet sterken—dat, voor de derde dag voorbij is, ik geloof tijdingen te hebben, die u zeer welkom zullen zijn. Om geen tijd te verliezen, wil ik dadelijk beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw smeekte en beloofde zich goed te houden, wenschte, dat hij ging met God. Minuccio ging een zekeren Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer van dien tijd en overreedde hem op haar verzoek het volgende lied te maken:
Liefde, ga en ijl tot mijn Heer,
Spreek hem van de pijnen die ik draag:
En zeg hem, dat ik sterven zal,
Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.
Amor, ik smeek u met gevouwen handen,
Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft,
Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin,
Zoo zoet verliefd is mijn harte:
En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt,
Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur,
Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart,
Die ik verduur in verlangen naar hem
In vrees en in schaamte.
Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.
Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd,
Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven,
Zoodat ik geen enkele maal
Hem mijn hartewensch kon openbaren,
Die mij zoo in spanning houdt.
Het is wreed zoo te sterven.
Misschien dat het hem zou behagen,
Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoel
En als gij mij den moed hadt gegeven
Om mij het hem te doen weten.
Daar dit, Amor, u niet behaagde,
Mij die beslistheid te geven,
Dat mijn Heer mijn hart kent,
Hetzij door een boodschap of door een teeken,
Vraag ik u de genade, mijn zoete heer,
Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren,
Den dag, toen ik hem zag met schild en lans
Met andere ridders in strijd,
Toen ik hem bleef aanschouwen.
Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.
Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar het hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken liet wat op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de koninklijke zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend en gespannen te luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen Minuccio zijn zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat hij die niet vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de woorden en de muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen de koning vroeg door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven openbaren dan aan u alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, toen de tafel was opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem alles vertelde. Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje zeer en zeide, dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde ontfermen en dat hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen zou, dat hij haar stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken.
Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen, ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles en zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover zoo verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning, die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht en daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij nog meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, deed hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van den apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen, waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar, dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel, wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn, als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen; wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop het meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar bij de hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest anderen troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, dat het u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen het meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles lief had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, of zij in het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van die ziekte is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde doen dragen, van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult zien. Alleen de koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en hij achtte er haar steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, dat haar tot de dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij eenigen tijd bij haar gebleven was en haar had getroost, ging hij weg. Deze menschlievendheid van den koning werd zeer geprezen en als een groote eer beschouwd voor den apotheker en zijn dochter en door de beste hoop gesteund was zij in weinige dagen genezen en schooner dan ooit. Maar toen zij hersteld was en de koning met de koningin had behandeld, welk loon hij haar voor die liefde moest geven, steeg hij eens te paard met velen van zijn baronnen, begaf zich naar het huis van den apotheker en in den tuin gegaan, liet hij dien roepen en zijn dochter. Ook de koningin kwam er met vele donna’s en zij ontvingen het meisje wonder goed. Nadat de koning wat met de koningin gesproken had, riep hij Lisa en zei: Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt toegedragen, heeft u groote achting bij ons verschaft en wij willen, dat gij uit liefde voor ons tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, dat gij, als gij huwt, nemen zult, dien wij u geven, altijd wel te verstaan, dat wij ons uw ridder noemen, zonder meer liefde van u te verlangen dan een enkelen kus. Het meisje, dat van schaamte geheel rood was geworden, stelde den koning tevreden en sprak met gedempte stem: Mijn heer, ik ben er zeker van, dat, indien men wist, dat ik verliefd op u was, de meeste menschen mij gek zouden verklaren, maar God, die alleen in de harten der stervelingen leest, weet, dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij bekoorde, besefte, dat gij de koning waart en ik de dochter van den apotheker Bernardo en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen rang den brand van mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik, dat niemand naar verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en welbehagen; tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer kunnend, beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is waar, dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw wil steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot man nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u die koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek ik daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, zal u met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor zulk een goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God u genade en loon, want ik kan het niet.
Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman, een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst te hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning en de koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee zeer goede en vruchtbare landgoederen en hij sprak: Dezen geven wij u als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later zien. En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht van uw liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het voorhoofd. Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, maakten een blijde bruiloft.
Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem door het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek zijn geworden.
[
Inhoud
]
Achtste Vertelling.
Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot vrouw en deelt met hem al zijn goederen.
Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings aldus: Grootmoedige donna’s. Wie weet niet, dat de koningen allerlei groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen in het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, wat hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel ik er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen, wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom wil ik u de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee medeburgers en vrienden.
In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, het Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in Rome een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk, dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond, die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen had vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de studies begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen naar de roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met wonderbaren lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste genoegen van Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op het einde van dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij met gelijke smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten van Cremetes wisten hen niet over het gebeurde te troosten.
Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem, spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van de bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen zien, wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij tusschen beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw van zijn vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, werd hij, zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit een minnaar ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd samen waren geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier dacht Titus aan het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe meer. Toen hij dit merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: Ach, uw ellendig leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en uw hoop? Of weet gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes en zijn huisgenooten als door de groote vriendschap tusschen u en Gisippos, wiens vrouw zij is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen als een zuster? Wie bemint gij dan? Waartoe laat gij u vervoeren met uw bedriegelijke liefde? Waarheen met valsche hoop? Open de oogen des geestes en ken, o ellendige, u zelf; geef plaats aan de rede, beteugel de begeerte tot bijslaap, matig de ongezonde verlangens en richt uw gedachten op iets anders. Weersta van af het begin uw lust en overwin u zelf, terwijl gij den tijd hebt. Wat gij wilt, past niet; dat is niet eerlijk en zelfs wanneer gij zeker zijt te slagen in wat gij doen wilt (wat gij niet zijt), moet gij het vermijden en acht geven op wat de ware vriendschap van u eischt. Wat wilt gij dus doen, Titus? Laat de onpassende liefde varen, indien gij behoorlijk wilt handelen. En toen aan Sophronia denkend, tot het tegengestelde gezind, veroordeelde hij al het gesprokene en zeide: De wetten der liefde zijn van meer kracht dan alle anderen; zij breken niet slechts die der vriendschap maar zelfs de goddelijke. Hoeveel keeren heeft reeds de vader de dochter bemind, de broer de zuster, de schoonmoeder haar schoonzoon! Die dingen veel monsterachtiger dan dat de eene vriend de vrouw van den ander lief heeft, hadden al duizend maal plaats. Bovendien ben ik een jonkman en vooral de jeugd is onderworpen aan de liefdewetten. Wie dus aan Amor behaagt, bevalt mij. De eerbaarder dingen passen rijpere mannen; ik kan niets anders willen dan Amor. Haar schoonheid verdient door iedereen bemind te worden en indien ik het doe, die jong ben, wie zal mij dit terecht kunnen verwijten? Ik heb haar niet lief, omdat zij van Gisippos is, maar ik bemin haar zelfs, die ik, al behoorde zij aan wie ook, zou beminnen. Hier zondigt de fortuin, die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft gegeven dan aan mij, en als zij bemind moet worden (wat zij door haar schoonheid verdient) moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het weet, dat ik haar lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf bespottend, naar het tegengestelde en van het een naar het ander draaiend, bracht hij niet alleen dien dag maar ook den volgenden nacht door zoo, dat hij eet- en slaaplust had verloren en uit zwakte gedwongen was te gaan liggen.
Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, deed hij zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang de oorzaak van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem meermalen met verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, voelde hij zich toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en zuchten aldus: Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het mij aangenamer wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat het noodlot mij gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd moest bewijzen en mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar zeker verwacht ik spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij liever zal zijn dan het leven door de herinnering aan mijn lafheid, omdat ik aan u niet kan noch mag verbergen, wat ik u niet zonder groote schaamte openbaren zal. Hij bekende alles en beweerde, dat hij wetend, hoezeer hem dit niet paste, tot straf had willen sterven en geloofde, dat het spoedig zou gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, bleef eenigen tijd in zich zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door de schoonheid van het jonge meisje maar kalmer bevangen was. Doch dadelijk bedacht hij, dat het leven van zijn vriend hem dierbaarder moest zijn dan Sophronia. Hij antwoordde, tot schreiens toe bewogen: Titus, indien gij niet zooveel behoefte hadt aan versterking, zou ik mij bij u over u zelf beklagen, daar gij onze vriendschap geschonden hebt door dien zeer ernstigen hartstocht zoo lang voor mij verborgen te houden. Want hoewel u die oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin als de eerbare zaken voor een vriend verbergen, omdat wie behagen schept in de eerbare daden van een vriend, zijn best doet hem af te houden van de schandelijke, maar wij zullen dit nu laten varen en ik wil komen tot wat ik moet weten. Indien gij vurig Sophronia bemint, verwondert dit mij niet, omdat ik haar schoonheid en uw zielenadel ken, een feit, dat te meer een hartstocht kweekt, naarmate het voorwerp er van door meerdere uitnemendheid behaagt. Hoe meer gij Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt gij u ten onrechte over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat het haar mij heeft afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar zoudt beminnen, als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij verstandig zijt als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter kunnen afstaan, opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook geweest ware, zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich zelf hebben lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te vreezen. Alles heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het niet anders kon, dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar het nog niet zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal ik dit ook doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere haar niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb haar zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat gij gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp verlangt dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar als uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid, roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen.
Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden hem zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid van Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te maken. Hij antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid en ware vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus verhoede, dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en zoo hij gezien had, dat zij mij paste, zou niemand moeten gelooven, dat hij u haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze gebruik en laat mij in smart doen verteren, die hij mij—zooveel goeds onwaardig—bereid heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen en ik zal u dierbaarder zijn of het zal mij overwinnen en dan ben ik uit mijn lijden.
Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu ten volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, zal ik met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, Sophronia tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, dat zij vaak de minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie u daar zóó dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te overwinnen, maar voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra volgen. Want om zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt dus de uwe; want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou behagen. Ik zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en moeilijk te vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet verliezen,—wat ik haar aan u schenkend niet doe,—dan u verliezen.
Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met goede hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het beminde voorwerp verlangt.
Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn vrouw werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van Gisippos hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet niet, of ik mijn genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat gij mij vraagt. Maar omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn schaamte overwint, geef ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het niet zal doen als een man, die hiermee meent alleen de beminde donna te ontvangen maar zijn leven. Mogen de Goden maken, dat ik u met eer en rijkdom kan toonen, hoe aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij barmhartiger handelt dan ik zelf.
Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk gij weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn verloofde geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot vrouw zou willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar daardoor de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, als ik haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een ander zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren hebben, die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, wat ik begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de bruiloft vieren. Daarna zult gij in ’t geheim met haar als uw vrouw slapen. Dan zullen wij op het goede oogenblik de zaak bekend maken, wat, als het hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch gebeurd zijn en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus en na een groot feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in het bed van haar man achter.
De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene in de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was, bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, nam hij het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk of zij zijn vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, zeide van ja, waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den vinger stekend zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het huwelijk gesloten was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder dat zij het bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit huwelijk stond, stierf Publius, Titus’ vader, waardoor hem geschreven werd dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen en daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij kon dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld was. Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en Titus verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd den een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog van Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar haar vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit was voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun te antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, dat het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar hij een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder een handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een tempel komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot de aanwezigen:
Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt de beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en daarom meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, hoewel er anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen, voor wat gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige aandacht beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een zaak, die niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer te willen toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat zij met eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken beschikken en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze en domme aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en welke ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid laten meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, wat gij steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl gij haar aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat in der eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne moest worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de geheime voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk te begrijpen is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet bekommeren en behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af te dalen. Hiervan sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen mijn gewoonten: het eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een weinig te laken of te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als in het ander niet van de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige aanleiding dit eischt, zal ik het toch doen. Uw klachten, meer door woede dan door redeneering ontstaan, en het voortdurend gemompel en rumoer schandvlekken, kwellen en schaden Gisippos, omdat hij mij die vrouw tot echtgenoote gaf, welke gij aan hem hadt willen geven, waarvoor ik vind, dat hij zeer te prijzen is, en wel hierom: ten eerste, omdat hij het uit vriendschap moest doen, ten tweede, omdat hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik wil nu niet uiteenzetten, wat de heilige wetten van de vriendschap eischen, maar zal tevreden zijn u te herinneren, dat de band der vriendschap veel meer bindt dan die des bloeds, omdat wij vrienden hebben naar keuze en verwanten, naar het toeval ze ons geeft. Als Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft dan uw welgezindheid, omdat ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt niet verbazen. Maar laat ons tot de tweede reden komen, waarin ik u met nog meer nadruk moet aantoonen, dat hij wijzer is geweest dan gij zijt, hoewel gij niets van de voorzienigheid der Goden schijnt te weten en nog minder den invloed kent van de vriendschap. Ik zeg, dat uw verstand, uw raad en uw overleg Sophronia hadden gegeven aan Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van Gisippos gaven haar aan een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een Athener en die van Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken jongeling, die van Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een jonkman, die haar niet alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende, die van Gisippos aan een jonkman, die boven alle geluk en zijn eigen leven haar lief had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen is dan wat gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik jonkman en wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijn studies, zonder langer te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd zijn dezelfden en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is waar, dat hij Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van onze stad zou twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en hij van een schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben: heerscheresse der gansche aarde en hij van eene aan de mijne gehoorzaam; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door zijn wapenfeiten, zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts op zijn scholen kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als een nederig leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het Romeinsche volk; mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol antieke beelden van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen op het romeinsche Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de Quintiië. De glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar schittert er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn rijkdommen, als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en overgroote erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening door het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, dat het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, maar ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als ik in aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer zult hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in openbare als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn er misschien eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, dat Sophronia de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, waarop zij het geworden is, in ’t geheim, steels, zonder dat een vriend of verwant er iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws.
Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet gebeurd met Sophronia, maar zij is vrijwillig, verstandig en eerlijk door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat het niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het dan iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt en nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat heb ik er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met zijn oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in ’t geheim of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker niet verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane zaak bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen over de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien gij niet op zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer zal trouwen en bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet zocht noch door list, noch door valschheid eenige smet te werpen op de eer en de waarde van uw bloed in de persoon van Sophronia en al heb ik haar in het geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een dief deze haar maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een vijand oneerbaar bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig ontvlamd door haar begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, dat, als ik haar op de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, die zeer door u bemind wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had geleid, niet had gekregen. Ik gebruikte dus een geheim middel en ik heb Gisippos doen toestemmen in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar vurig beminde, zocht ik niet als minnaar maar als man haar omhelzingen, omdat ik haar niet naderde, gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar met den ring had getrouwd en met de vraag of zij mij tot man wilde, waarop zij toestemde. Indien het haar schijnt, dat zij bedrogen is, ben ik niet te berispen, maar zij, die mij niet vroeg, wie ik was. Dit is dus het groote kwaad, de groote zonde begaan door Gisippos als vriend en van mij als minnaar, dat Sophronia in stilte de vrouw van Titus Quintius is geworden; daarom verscheurt, dreigt en beleedigt gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij haar aan een bedelaar, een landlooper, een slaaf had gegeven? Welke ketenen, welke kerkers, welke kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar laten wij dit nu ter zijde: mijn vader stierf onverwachts en ik moet naar Rome terugkeeren. Omdat ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u bekend, wat ik anders misschien u nog had verborgen. Dit zult gij, als gij verstandig zijt, met blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had willen bedriegen of beleedigen, haar als misleide had achtergelaten. Maar Zeus verhoede, dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid kan huizen. Sophronia is dus met goedvinden der Goden, door de kracht der menschelijke wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en mijn liefdelist de mijne, wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de Goden en de andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt.
De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden, dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en leef. Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, indien gij anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou onttrekken en als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, die met recht de mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een Romein vermag, als die u steeds vijandig blijft, zal ik u—hoop ik—doen ondervinden. Toen Titus zoo gesproken had, stond hij met verstoord gezicht op, nam Gisippos bij de hand en toonde, dat het hem weinig kon schelen, hoevelen er ook in den tempel waren en ging het hoofd schuddend tot bedreiging er uit. Zij, die daar binnen bleven ten deele verschrikt door zijn laatste woorden, vonden eenstemmig, dat het beter was Titus tot familielid te hebben, omdat Gisippos het niet had willen wezen, dan Gisippos als verwant te hebben verloren en Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen daarom weg, vonden Titus terug en keurden goed, dat Sophronia de zijne werd, hem tot familie te hebben en Gisippos tot goed vriend. Zij vierden samen een huiselijk feest, namen afscheid en gaven hem Sophronia terug. Zij maakte verstandig van den nood een deugd, richtte de liefde voor Gisippos spoedig naar Titus en ging met hem naar Rome, waar zij met groote eer werd ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij allen weinig in tel en werd niet lang daarna door zekere stadskuiperijen met al de zijnen arm en ellendig uit zijn huis te Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap veroordeeld. Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen. Maar toen Titus voorbij ging en Gisippos geloofde, dat die hem gezien had en vermeden en zich herinnerde, wat hij voor hem had gedaan, vertrok hij verontwaardigd en wanhopig.