← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Derde Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

De tweede dag van de Decamerone eindigt; de derde vangt aan, waarop men spreekt onder het bewind van Neifile van degenen, die een zaak, door hen zeer verlangd, weten te verkrijgen of een verlorene weten te herwinnen.

[

Inhoud

]

Eerste Vertelling.

Zeer schoone donna’s. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het hoofd is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij dan geen vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt, alsof door haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En als zij misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad, dat het is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur is bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten, dat zij zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid hebben en evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van de eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven, dat het houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen geheel aan de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en hun verstand en oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al diegenen, welke dit gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het mij gelast, en omdat het niet van het door haar voorgestelde afwijkt, u dit duidelijk te maken met een kleine historie. In onze streek was en is nog een nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid (wat ik niet zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen), waarin niet lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren met een abdis en allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun zeer schoonen tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening vereffende met den beheerder der donna’s en naar Lamporecchio, waar hij woonde, terug ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen, was een jonge, sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een knappe kerel, die Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was geweest. De goede man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto vroeg hem, wat hij in het klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte den mooien en grooten tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch om hout te halen, putte water en verrichtte meer zulke diensten; maar de donna’s gaven mij zoo weinig loon, dat ik er ternauwernood mijn schoenen van betalen kon. Bovendien zijn ze allen jong en het schijnt mij, dat zij den duivel in het lijf hebben, omdat men ze niets naar den zin kan maken; integendeel, wanneer ik op een keer in den tuin werkte, zei de een: Breng dat hier en de ander: Breng dat daar; en een ander nam mij de spade uit de handen en zeide: Dat is niet goed. En zij gaven mij zooveel last, dat ik het werk er bij neer legde en uit den tuin wegging, zoodat ik zoowel door het een als het ander er niet langer wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De beheerder vroeg mij, toen ik vertrok, of ik, als ik iemand wist, die dat werk kon doen, hem dien zou sturen en dat beloofde ik hem, maar God make hem sterk van ribben, als ik er iemand heenzend of ik stuur er niemand naar toe. Bij Masetto kwam, toen hij de woorden van Nuto hoorde zulk een groote begeerte op om bij die nonnen te wezen, dat hij er geheel van brandde en begreep door de woorden van Nuto, dat hij door hem moest bereiken, wat hij verlangde. Maar hij overlegde, dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto niet van sprak, en zeide: Wel, daar hebt gij goed aan gedaan om hier te komen! Hoe kan een man bij vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels kunnen samen zijn. Van de zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze zelf willen. Maar toen hun gesprek ophield, begon Masetto er over te denken zich een middel te verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar hij wist, dat hij wel de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was hij er niet bang voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij vreesde niet te worden ontvangen, omdat hij te jong en van te goed voorkomen was. Daarom na vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd, dacht hij: De plaats is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar; indien ik net zal doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn.

En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder gaf hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto niet had kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd geheel had klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan, nam hem met zich mede en liet hem daar hout hakken; toen, nadat hij den ezel voor hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar zijn stal te brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter hem verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen, hield hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg aan den opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme, stomme man, die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat ik hem goed heb gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die noodig waren. Als hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof ik, dat wij goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig is. Hij is sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en bovendien gij behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal spreken. Hierop antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt juist. Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden; geef hem een paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe, verzorg hem en geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het zou doen. Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon veegde, terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf: Indien je mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken, zooals het nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had, dat hij heel goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of hij daar wou blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen, wat de ander verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te onderhouden, gaf hem nog meer in het klooster te doen en liet hem toen alleen. Terwijl hij het eene na het andere deed, begonnen de nonnen het hem lastig te maken en hem te bespotten gelijk anderen dikwijls doofstommen doen en ze voegden hem de gemeenste woorden toe, daar zij geloofden, dat hij het niet verstond. En de abdis, die misschien dacht, dat hij evenzeer zonder bloed als zonder woord was, bekommerde zich daar weinig om. Nu gebeurde het op een goeden dag, dat hij na hard gewerkt te hebben uitrustte en dat twee jonge nonnen, die door den tuin gingen, naderden, waar hij lag en welke hem, die deed of hij sliep, begonnen te bekijken. Daardoor zei er een, die brutaler was dan de andere: Als ik mag gelooven, dat gij het geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte toevertrouwd, die u ook misschien genoegen zou doen. De ander antwoordde: Zeg het maar gerust aan mij, die het zeker nooit aan een ander zal vertellen. Toen begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er over hebt nagedacht, hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier durft binnen treden dan alleen die opzichter, die oud is en die doofstomme, en ik heb dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen, hooren zeggen, dat alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn bij die, welke de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls voorgenomen, omdat ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te beproeven, of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want al zou hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen. Gij ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig; ik zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander, wat zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel, dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin: En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het u bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er zijn duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits wij het zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust had om te ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu, hoe zullen wij doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het uur is van den noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve wij; laten wij door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan hebben wij niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem in gindsche hut te brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar zal de eene met hem zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo dwaas dat hij wel goed zal vinden, wat wij willen.

Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem op en deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met vleiende gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en zij leidde hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten uitnoodigen, dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf als eerlijke vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd den onnoozele spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er uit gingen, wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme kon. Daarna spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk een heerlijk genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen er voortaan op het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme zich te verheugen.

Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen, maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens en werden deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt had, door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto (die van weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht, vermoeid was) geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en slapende en daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte, lag hij geheel naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde, verviel zij tot dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na Masetto te hebben opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar zij hem verscheidene dagen tot groote teleurstelling van de nonnen, die den tuinman niet meer in den tuin zagen werken, hield en waar zij die zaligheid genoot en weer genoot, welke zij vroeger bij anderen gewoon was te misprijzen. Daar zij hem eindelijk van haar kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en hem vaak weer zag en meer voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel anderen kon geven, dacht hij er over, of zijn doofstomheid hem van dienst kon zijn, als bij langer verblijf die hem te veel zou verzwakken. Daarom verbrak hij op een nacht met de abdis alleen het zwijgen en zeide: Madonna, ik heb gehoord, dat een haan voldoet voor tien kippen, maar dat tien mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen voldoen, zoodat ik er geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter wereld niet uithouden, kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan, en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield, was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar niet van nature, slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en pas hedennacht voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor ik God prijs zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij met die negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto vertelde haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen non was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw zonder Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan over die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou worden geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen de nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank zij den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto, die lang stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem opzichter te maken. En zij verdeelden zijn taak zoo, dat hij die kon dragen. Hoewel hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef de zaak in ’t geheim bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van merkte behalve na den dood van de abdis, toen Masetto al oud was en verlangde rijk naar huis terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel dit hem te lichter. Aldus kwam Masetto oud terug, rijk en als vader zonder de moeite te hebben zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden en nadat hij door zijn overleg zijn jeugd wel had weten te besteden, waar hij heen was gegaan met een bijl op den schouder, beweerde hij, dat Christus aldus behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam.

[

Inhoud

]

Tweede Vertelling.

Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen, behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en wat niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de fouten te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen te verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat dit waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen door u in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen, die misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto.

Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen, beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed hij ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen kon. Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien palfrenier bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het gebeurde, als een zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij de teugels los, gelukkig als hij soms toch maar haar kleederen kon aanraken. Maar gelijk wij dikwijls elders zien, wanneer het verminderen van de hoop de liefde grooter doet worden, geschiedde het ook bij dien armen palfrenier, waarbij het voor hem zeer moeilijk was dit groote verlangen zoo verborgen te houden, daar hij door geen enkele hoop gesterkt werd. En meermalen besloot hij in stilte, daar hij zich van die liefde niet kon genezen, om te sterven. Terwijl hij dacht aan het middel, nam hij het besluit dien dood zoo te doen plaats hebben, dat men zou bemerken, dat hij gestorven was door de liefde, die hij de koningin had toegedragen en toedroeg. Hij stelde zich voor het zoo te doen, dat hij hiermee zijn fortuin beproefde om geheel of half zijn verlangen te bevredigen. Hij wilde er de koningin geen woord van zeggen noch door een brief zijn liefde doen gevoelen, daar hij wist dat het vergeefs was haar dit te zeggen of te schrijven, maar hij wilde door list beproeven met de koningin te slapen. Er was geen andere list noch een andere weg, als middel dan de persoon des konings zelf, van wien hij wist, dat die steeds bij haar sliep, om tot haar door te dringen en haar kamer binnen te treden. Daartoe, opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed de koning liep, als hij zich tot haar begaf, verborg hij zich meermalen ’s nachts in een groote zaal van het paleis, welke in het midden was tusschen de kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen zag hij op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een grooten mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de andere een ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte hij zonder een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met dien ring en dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand genomen. Toen hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien terugkeeren, dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een middel had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning had gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een warm bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal misschien de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar worden, verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote zaal. En toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd scheen aan zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den weg te banen naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met een zwam, die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en gehuld in en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de kamerdeur en klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer slaperige kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en gedoofd, waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging, den mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij sloot haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had (omdat hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen woord sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten zeggen en leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem zwaar viel, maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou zijn, dat het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond hij op en na zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij zonder eenige reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed terug. Hij kon er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar de kamer der koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen hij in het bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij door zijn opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat vannacht voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en buiten Uw gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug? Let op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk het plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van gemerkt had, om haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden dit niet hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet hier! Wie was het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit verschillende dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de koningin verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou hebben doen verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over zweeg, kon dit geen schande over hem brengen, maar als hij sprak, zou hij er oneer mee hebben behaald. De koning antwoordde haar dan ook meer innerlijk dan door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw, schijn ik U niet een man, die hier kan geweest zijn en die weer kort daarop kan terugkeeren? Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer; maar in ieder geval bid ik U op Uw gezondheid te letten. Toen sprak de koning: Het behaagt mij Uw raad te volgen en ditmaal wil ik zonder U verder te verontrusten terugkeeren. Het hart vol toorn en van ongenoegen over hetgeen hem was aangedaan, nam hij zijn mantel weer op, ging de kamer uit, dacht, dat hij wel stil zou vinden, wie dat misdreven had en meende, dat die tot het paleis moest behooren. Wie het ook was, hij zou er niet levend uit komen. Hij zette een klein lichtje in een lantarentje en begaf zich in een zeer lange slaapzaal in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin bijna zijn geheele personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht, dat bij wien dat gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het hart door de verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil beginnend bij een der uiteinden van het logies begon hij bij allen de borst aan te raken, om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast sliep, was dit niet het geval bij dengeen, die bij de koningin was geweest. Toen hij den koning zag naderen, en dacht, dat die aan het zoeken was, begon hij evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor de doorgestane angst, zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog grootere kwam en hij meende beslist, dat, als de koning het zou gewaar worden, hij hem dadelijk zou doen sterven. Daar hem verschillende gedachten door het hoofd gingen van wat hij moest doen, maar hij den koning zonder wapens zag, had hij plan net te doen of hij sliep en af te wachten, wat de koning zou aanvangen. Nadat de vorst zeer had gezocht en niet dengeen vond, dien hij meende, dat de dader was, kwam hij bij dezen en daar hij voelde, dat diens hart sterk sloeg, zei hij tot zich zelf: Die is het. Maar omdat hij iemand was, die niets wilde doen wat men zou kunnen merken, deed hij hem niets anders dan hem met een schaar, die hij hij zich had, aan eenen kant de haren afsnijden, welke men destijds zeer lang droeg, opdat hij door dit merk hem den volgenden morgen zou herkennen. Toen dit gedaan was, ging hij heen en keerde naar zijn kamer terug.

Hij, die dit had gemerkt, en die slim was, begreep al te wel, dat hij daarmee geteekend was. Daarom stond hij zonder verwijl op, vond toevallig een andere schaar, die in den stal diende voor de paarden, ging zacht langs allen, die in het logies sliepen en knipte ze allen boven de ooren het haar af op dezelfde manier en toen dit gedaan was, ging hij, zonder te worden opgemerkt, slapen. Toen de koning ’s morgens opstond, beval hij, dat, voor de poorten van het paleis opengingen, al zijn bedienden voor hem kwamen en dat gebeurde. Daar deze allen blootshoofds voor hem stonden, begon hij te kijken of hij den door hem geknipten zou herkennen en toen hij het meerendeel van hen op dezelfde wijze geknipt zag, verwonderde hij zich en zei in zich zelf: Hij, die ik zoek, toont hoe laag zijn stand ook is, van groot verstand te zijn. Daar hij toen zag, dat hij zonder gerucht niet dengeen kon vinden, dien hij zocht, en hij niet van plan was voor een kleine wraak een groote schande op te loopen, beperkte hij zich den schuldige met een enkel bedekt woord te waarschuwen en hem te doen gewaar worden, dat hij het gemerkt had. Hij keerde zich tot allen en sprak: Dat hij, die het deed, het nooit meer doet, en gaat gij allen met God. Een ander zou hem hebben laten blozen, pijnigen, onderzoeken en ondervragen, en dit doende, zou hij ruchtbaar hebben gemaakt, wat elk getracht zou hebben te verbergen. En als hij het geopenbaard had, had hij, al zou hij ook volledige wraak hebben genomen, niet zijn schande hebben verminderd maar vermeerderd en de eer van zijn vrouw geschonden. Zij, die deze woorden hoorden, waren verwonderd, en onderzochten lang onder elkaar, wat de koning hiermee had willen zeggen, maar niemand begreep dit, behalve hij op wien dit sloeg. Deze als een wijs man, sprak er nooit over zoolang de koning leefde en stelde nooit meer zijn leven door zulk een daad aan gevaar bloot.

[

Inhoud

]

Derde Vertelling.

Reeds zweeg Pampinea en werden de vermetelheid en de sluwheid van den stalknecht door het meerendeel van hun geprezen en evenzoo het verstand van den koning toen de koningin, die zich naar Filomena gekeerd had, haar gebood te vervolgen. Aldus begon Filomena vol gratie te spreken: Ik ben van plan u een grap te vertellen, die werkelijk is uitgehaald door een schoone dame met een ernstigen geestelijke, welke des te meer aan elken leek moet bevallen, omdat de geestelijken meestal zeer dwaas zijn en menschen van vreemde manieren en gewoonten, zich in alles van veel meer waarde achten en van alles veel meer meenen te weten, terwijl zij veel minder zijn dan de anderen. Want het zijn lieden, die door lafheid van ziel geen middel hebben als de anderen om zich te onderhouden en daar hun toevlucht zoeken, waar zij als het varken maar te eten kunnen krijgen. Ik zal die geschiedenis vertellen, o bekoorlijke dames, niet alleen om de ingestelde orde, maar ook om u te doen opmerken, dat ook de geestelijken, welke wij, veel te licht geloovig te veel vertrouwen verleenen, aardig voor den mal gehouden kunnen worden en soms ook misleid zijn, niet alleen door ons mannen, maar ook door een of andere vrouw uit ons midden.

In onze stad, waar meer misleiding voorkomt dan liefde en vertrouwen, leefde, nog niet lang geleden, een edelvrouw, die zich onderscheidde door haar bekoorlijkheden en manieren en die door de natuur met een hoogen geest en een fijne opmerkingsgave was bedeeld, wier naam ik niet wil openbaren als die van ieder ander, welke in deze vertelling voorkomt, daar ik weet, dat er nog menschen leven, die zich daarover zouden verontwaardigen, hoewel men er slechts met een lach zou moeten over heengaan. Die dame, die haar hooge afkomst kende en gehuwd was met een wolwever, kon evenwel het denkbeeld niet van zich afzetten, dat een man van lagen stand, hoe rijk ook, een edelvrouw waardig was. En daar zij zag, dat haar man met al zijn geld tot niets anders kon komen dan tot het afhaspelen van een streng of het spannen van een doek of met een weefster ruzie te maken over een weefsel, nam zij zich voor zich geheel aan zijn omhelzingen te ontrukken, zoover zij die kon weigeren en zij wilde om zich zelf te voldoen, iemand vinden, die meer dan de wolwever haar dit waardig scheen. Zij werd verliefd op een flink man van middelbaren leeftijd, zoodat, als zij hem zag, zij den volgenden nacht niet zonder smart door kon brengen. Maar de waardige man bemerkte het niet en bekommerde er zich dus niet om en zij, die zeer slim was, liet het haar minnaar noch door een vrouwelijke gezant, noch door een stoutmoedigen brief bemerken, vreezend voor mogelijke gevaren. Toen zij bemerkt had, dat die minnaar veel omging met een geestelijke, die, hoezeer hij ook kaalhoofdig en dom was, niettemin, daar hij zeer heilig leefde, door ieder voor een zeer eerwaardig man werd gehouden, dacht zij, dat die uitstekend tot bemiddelaar kon dienen tusschen haar en dezen.

Na wel het middel overdacht te hebben, dat zij moest gebruiken, begaf zij zich op het geschikte uur naar de kerk, waar hij woonde, liet hem roepen en zei, dat ze, als het hem beviel, bij hem wilde biechten. De broeder zag haar en daar hij meende, dat zij een edelvrouw was, hoorde hij haar gaarne aan. Zij sprak tot hem na de biecht: Mijn vader, ik moet tot U mijn toevlucht nemen en raad vragen voor hetgeen gij zult hooren. Daar gij weet, omdat ik het U zelf gezegd heb, wie ik ben en gij dus ook mijn ouders en mijn echtgenoot kent, die mij meer dan zijn leven lief heeft, verlang ook ik niets van hem, die een rijk man is en het wel doen kan, of ik heb het dadelijk, zoodat ik ook hem meer dan mij zelf lief heb. Ik laat ter zijde wat ik doen zou, maar, ik beweer, dat, als ik alleen maar zou denken aan iets wat tegen zijn eer of geluk was, geen slechter vrouw meer dan ik het vuur zou verdienen. Nu is er iemand, van wien ik den naam niet weet, maar die mij een goed mensch schijnt en die, als ik mij niet bedrieg, veel met U omgaat, knap en groot van stuk, zeer fatsoenlijk in ’t bruin gekleed, en die misschien niet denkt, dat ik zoo standvastig ben en mij schijnt te willen belagen, want ik kan mij niet aan deur of venster vertoonen, noch het huis verlaten of hij verschijnt dadelijk voor mij. En ik verwonder mij, dat hij thans niet hier is, waarover ik mij verheug, omdat die soort dingen, vaak zonder de minste schuld gebeurd, een blaam werpen op fatsoenlijke vrouwen. Ik heb mij eens voorgenomen het aan mijn broeders te zeggen, maar later heb ik bedacht, dat de mannen dikwijls een boodschap doen, zoo dat de antwoorden ongunstig zijn, waaruit twisten geboren worden en uit twisten ontstaat strijd. Daarom, opdat er geen kwaad en geen schandaal uit voortkomt, heb ik gezwegen en heb ik besloten het liever aan U te zeggen dan aan anderen, zoowel omdat gij zijn vriend schijnt te wezen als omdat het U past niet slechts vrienden maar zelfs vreemden over zulke zaken te berispen. Daarom bid ik U bij den eenigen God, dat gij hem hierover zult onderhouden en verzoeken, dat hij verder niet meer zoo handelt. Er zijn genoeg andere vrouwen, die gelukkig daartoe bereid zijn en het zal hun behagen door hem bespied en begeerd te worden, terwijl het voor mij een zeer hinderlijke last is, daar ik op geenerlei wijze in zoo iets zin heb. Nadat zij dit gezegd had, deed ze of zij wilde huilen en boog zij het hoofd.

De heilige broeder dacht dadelijk, dat, wat zij zeide, waar was en nadat hij de donna zeer over haar goed karakter had geprezen en hij vast geloofde, dat zij oprecht sprak, beloofde hij haar, dat hij zoo zou handelen, dat zij van hem geen last meer zou hebben. Daar hij wist, dat zij zeer rijk was, prees hij haar zeer voor haar daden van barmhartigheid en aalmoezen en vertelde haar zijn nooden. Hierop antwoordde de donna: Ik bid U er God voor, indien hij zou ontkennen, zeg hem dan bepaald, dat ik het geweest ben, die het U verteld heb en mij er over heb beklaagd. Toen zij daarna gebiecht had en boete had gedaan en zich de vertroostingen herinnerde haar door den broeder geschonken wegens haar liefdadige werkzaamheid, vulde zij hem stil de hand met geldstukken en verzocht hem missen te lezen voor de ziel en van haar overleden familie. Zij stond op en begaf zich naar huis. Kort daarop kwam de brave man als gewoonlijk bij den heiligen broeder, met wien hij over een en ander sprak, tot deze hem ter zijde nam en hem op zeer beleefde manier er over onderhield, dat hij de donna het hof maakte en bespiedde, gelijk hij ook geloofde, en zooals zij hem had te verstaan gegeven. De brave man verwonderde zich, daar hij haar nooit nageloopen was en gewoon was zelden haar huis voorbij te gaan en begon zich te verdedigen, doch de monnik liet hem niet uitspreken, maar zeide hem: Doe nu niet of gij u verwondert en verlies geen woorden door het te ontkennen, omdat gij het niet kunt; ik ben dat niet van buren te weten gekomen, maar zij zelf heeft het mij verteld en zich zeer beklaagd. Zoo weinig als die dingen u ooit passen, zoo zeker zeg ik u, dat, als er eenige vrouw wars is van die dwaasheden, dan is het deze. Daarom voor haar eer en om harentwil verzoek ik u, houdt op en laat haar gaan in vrede. De brave man, slimmer dan de heilige broeder, begreep zonder veel moeite de sluwheid van de donna, veinsde zich te schamen en zeide zich voortaan niet meer met haar bezig te zullen houden. Hij ging van den broeder weg en begaf zich naar het huis van de donna, die stond op te letten aan een klein raampje om hem te zien, als hij voorbijging. Toen zij hem zag aankomen, toonde zij zich zoo vroolijk en lief, dat hij maar al te wel besefte, dat hij het ware van de woorden des broeders gevat had. Van af dien dag placht hij voortaan zeer voorzichtig met genoegen en tot zeer groot welgevallen en troost van de donna, terwijl hij net deed of daar een andere reden voor was, door die buurt te gaan. Maar toen de donna bemerkt had na eenigen tijd, dat zij aan hem evenzeer behaagde als hij aan haar en zij verlangde hem nog meer te ontvlammen en zich van de liefde te verzekeren, die zij hem toedroeg, koos zij plaats en tijd, begaf zich naar den heiligen broeder en na zich in de kerk aan zijn voeten te hebben geplaatst, begon zij zich te beklagen. De broeder zag dit en vroeg haar medelijdend, welk nieuws zij had. De donna antwoordde: Mijn vader, de tijdingen die ik heb, zijn geen anderen dan van dien door God vervloekten vriend van U, waarover ik mij vroeger heb beklaagd, zoodat ik geloof, dat hij tot een zeer groote plaag voor mij geboren is en om mij iets aan te doen, waardoor ik nooit meer rust zal hebben en waardoor ik mij nooit meer aan uw voeten zal kunnen werpen. Hoe! sprak de monnik, heeft hij niet opgehouden u nog meer verdriet te doen? Zeker niet, antwoordde de donna, integendeel; nadat ik mij er bij u over had beklaagd, is hij, alsof hij er een hekel aan had, daar hij mij zeker kwalijk nam, dat ik mij er over uitte, tegen vroeger een, thans—geloof ik—wel zeven keer voorbij gekomen. En dat het Gode maar behaagde, dat het voorbijgaan en mij beloeren hem voldoende was, maar hij is zoo brutaal en onbeschaamd geweest om mij niet later dan gisteren een vrouw te sturen om mij bericht van hem te zenden en praatjes te verkoopen en alsof ik geen beurzen en geen gordels had, zond hij mij een beurs en een gordel, wat ik hem zoo kwalijk nam en nog neem, dat ik geloof, zoo ik niet vreesde te zondigen, en dan nog uit genegenheid voor u, dat ik voor den duivel zou hebben gespeeld. Maar ik heb mij toch ingehouden en ik heb niets willen doen of aan iemand iets zeggen, voordat ik het u liet weten. Bovendien heb ik de beurs en den gordel al terug gegeven aan de vrouw, die dezen bracht, opdat ze die hem weerom gaf en ik heb haar barsch weg gesnauwd, maar vreezend, dat zij die voor zich hield en hem zou vertellen, dat ik die zou hebben aangenomen, gelijk ik meen, dat ze wel eens doen, heb ik haar terug geroepen en ze die vol minachting uit de handen gerukt en ze hier naar U gebracht, opdat gij ze hem terug brengt en hem zeggen zult, dat ik zijn zaken niet noodig heb, omdat, dank zij God en mijn man, ik zooveel beurzen en gordels heb, dat ik er in zou kunnen wegzinken. Hierna vraag ik U als aan een vader mij te vergeven, dat, als hij nu niet ophoud, ik het aan mijn man zal zeggen en aan mijn broeders, er mag dan van komen wat wil. Want ik zie hem liever beleedigd, als het moet, dan dat ik door hem wordt geschandvlekt. Vaarwel, vader! Na deze woorden en zeer schreiend trok zij uit haar gewaad een zeer schoone en rijke beurs met een fraaien en duren gordel en wierp die den broeder in den schoot. Deze geloofde ten volle, wat de donna zeide, nam haar hevig vertoornd ter zeide en sprak: Mijn dochter, als gij U daarover kwelt, verwondert het mij niet en zou ik U er niet over kunnen misprijzen, maar ik vind het zeer goed van U, dat gij hierin mijn raad volgt. Ik nam hem voor kort onder handen en hij heeft slecht gehouden, wat hij mij heeft beloofd, daarom om het een en het ander, dat hij op nieuw heeft uitgehaald, ben ik van plan hem nu zoo de ooren te wasschen, dat hij U geen hinder meer zal veroorzaken en laat U met Gods zegen niet door toorn vervoeren over hetgeen hij U gezegd heeft, waaruit slechts al te veel kwaad voor hem zou volgen. Vrees ook niet, dat er voor U schande uit zal voortkomen, want ik zal altijd voor God en alle menschen de zekerste getuige zijn van Uw eerbaarheid.

De brave man, zeer verheugd zoowel over de zekerheid, die hij meende te hebben omtrent de liefde van de donna als over de schoone gift, ging, zoodra hij den monnik verlaten had, naar een plaats, waar hij voorzichtig aan zijn donna liet zien, dat hij zoowel het eene als het andere voorwerp ontvangen had. Hierover was de donna zeer tevreden en nog meer, omdat het haar scheen, dat haar list hoe langer hoe beter slaagde. Zij wachtte op niets anders om haar werk te voltooien dan dat haar echtgenoot elders heenging en om een of andere reden moest kort daarop haar man zich naar Genua begeven. Denzelfden ochtend, dat hij te paard steeg en vertrok, ging de donna naar den heiligen broeder en na veel krokodillentranen te hebben geweend zeide zij: Mijn vader, ik zeg U nu eens en vooral, dat ik het niet meer kan uithouden, maar omdat ik vroeger U beloofd heb niets te doen zonder het U te hebben gezegd, ben ik gekomen om mij te verontschuldigen en opdat gij gelooft, dat ik reden heb om te schreien en te klagen, deel ik U mede, wat Uw vriend of liever die duivel uit de hel mij vanmorgen leverde. Ik weet niet welk noodlottig ongeval hem deed hooren, dat mijn man gisterochtend naar Genua ging; in ieder geval, vanmorgen, op het uur, dat ik U zeide, kwam hij in mijn tuin en klom hij langs een boom tot het venster van mijn kamer, dat boven den tuin is en reeds had hij dit geopend en wilde hij er binnen treden, toen ik ontwaakte en dadelijk opstond en begon te schreeuwen en zou geroepen hebben, als hij, die nog niet binnen was, mij niet om Gods wil en de Uwe genade gesmeekt had en mij zeide, wie hij was. Daarop, toen ik hem hoorde, zweeg ik om Uwentwil en zoo naakt, als ik geboren werd, liep ik naar het venster en sloot het voor hem en ik geloof, dat hij met den Satan weer wegging, want ik hoorde niets meer van hem. Nu, als dat behoorlijk is en uit te houden, probeer het dan zelf maar eens; ik voor mij ben niet van plan het langer te dulden, ik heb er veeleer terwille van U te veel door uitgestaan. Toen de broeder dit hoorde, was hij de vertoorndste man ter wereld en wist niet wat te zeggen; alleen vroeg hij haar meermalen of ze wel gezien had, dat het geen ander was dan hij. Ik zeg U, dat hij het is en als hij het ontkent, moet gij hem niet gelooven. Toen zeide de broeder: Mijn dochter, hier is niets anders te zeggen dan dat dit een al te groote vermetelheid en een al te groot kwaad is, en gij deed Uw plicht door hem weg te sturen. Maar ik wil U verzoeken, opdat God U voor schande behoedt, dat gij, daar gij twee keer mijn raad hebt gevolgd, het ook ditmaal nog eens doet, namelijk door mij te laten begaan zonder U er over te beklagen bij een bloedverwant, opdat ik zie of ik dien losgebroken duivel kan vast leggen, dien ik voor een heiligen hield. En als ik zooveel kan doen, dat ik hem dien dierlijken lust kan ontnemen, zal het goed zijn en als ik het niet zou kunnen, geef ik U nu tegelijk met mijn zegen mijn woord, dat gij zult kunnen doen, wat Uw ziel U zegt, dat welgedaan zal zijn. Nu, ziedaar—zei de donna,—ditmaal wil ik U niet boos maken noch U ongehoorzaam zijn, maar handelt U zoo, dat hij zich er voor in acht neemt mij voortaan te kwellen, want ik verzeker U, dat ik verder om die reden niet meer bij U kom. Zonder een woord meer te spreken ging zij van den broeder weg of zij boos was.

De donna was nog niet buiten de kerk, of de brave man kwam aan en werd door den broeder geroepen, wien deze, na hem terzijde te hebben gevoerd, de grootste beleediging toevoegde, die ooit iemand was toegeslingerd, en hem oneerlijk en meineedig en verrader noemde. De ander, die al twee keer had ondervonden wat de verwijten van dien monnik beteekenden, lette wel op en met verbaasde antwoorden zette hij hem aan tot spreken en zeide voor alles: Waarom zoo boos, waarde heer? Heb ik Christus gekruisigd? De broeder antwoordde: Wat een schaamtelooze kerel! Hoort me eens aan, wat die durft te zeggen! Hij spreekt niet meer of minder, alsof er al twee, drie jaar waren verloopen en door lengte van den tijd zijn misdaden en oneerlijkheid vergeten waren. Is het je dan van af van morgen pas uit het geheugen gegaan, dat ge anderen beleedigd hebt? Waar was je gisterenmorgen vroeg voor zonsopgang? De brave man antwoordde: Ik weet niet, waar ik was, maar de boodschap is U wel heel vroeg gebracht. Het is waar, zeide de broeder, dat het mij is bericht; ik denk, dat gij geloofde, nu de echtgenoot er niet was, dat de edelvrouw u dadelijk met open armen zou ontvangen. Ach, onschuldig lam, ach eerlijke vriend! Hij is nachtelijk zwerver, tuin-inbreker en boomklimmer geworden. Dacht gij door uw brutaliteit de eerbaarheid van die donna te overwinnen, omdat gij bij nacht door de boomen tot haar vensters klimt? Er is niets ter wereld wat haar meer mishaagt dan gij en toch beproeft gij het opnieuw. Waarlijk, laten wij ter zijde, dat zij het u in vele opzichten getoond heeft, maar gij zijt wel gebeterd door mijn vermaningen. Dit wil ik u echter zeggen: tot hiertoe heeft zij niet om de liefde, die zij u toedraagt maar op mijn aandringen verzwegen, wat gij haar gedaan hebt, maar zij zal niet langer zwijgen. Ik heb haar de vrijheid gegeven om, indien gij haar in wat ook nog mishaagt, te handelen naar haar goeddunken. Wat zult gij doen, als zij het aan haar broeders zegt?

De brave man, die voldoende begrepen had, wat hij noodig had te weten, deed den monnik, zoo goed hij wist en kon, bedaren. Toen hij vertrokken was, ging hij den morgen na den volgenden nacht den tuin in, klom op den boom, vond het venster open en wierp zich zoo gauw hij kon in de armen van zijn schoone donna. Daar deze hem met het grootste verlangen had gewacht, ontving zij hem verheugd en zei: Ik ben veel dank schuldig aan den heer broeder, die u zoo goed den weg wees om hierheen te komen. Vervolgens na van elkander te hebben genoten, spraken en lachten ze veel over de onnoozelheid van den dommen monnik, versmaadden de spinrokkens, de kammen en de koorden en verheugden zich met groot welbehagen. Nadat hun plannen geregeld waren, zonder den heer monnik meer noodig te hebben, vonden zij elkaar met gelijk genoegen vele volgende nachten terug. En ik bid God, dat Hij door zijn heilige genade mij spoedig hetzelfde schenkt en alle christenzielen, die het begeeren.

[

Inhoud

]

Vierde Vertelling.

Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo met zoete woorden de slimheid van de donna geprezen had en vooral het gebed aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin zich lachend tot Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of ander aardig verhaal ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig, dat hij het gaarne deed en begon: Madonna er zijn genoeg menschen, die, terwijl ze zich beijveren in het Paradijs te komen, zonder het te merken er anderen heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet lang geleden overkwam, gelijk gij zult kunnen vernemen.

Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij het grootste gebrek had en hij had plan, indien hij kon om broeder Puccio van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren, wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar kon het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de monnik zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel om met de donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder Puccio er ook was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb al meermalen begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is een heilige te worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken langs een langen weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de Paus en de andere hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik van en houden dien geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van aalmoezen leeft, dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze niet meer met aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn vriend zijt en mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof, dat gij het aan geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt volgen, zal ik U dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten, begon eerst met de grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem dien leerde en hem te zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde, nooit het aan iemand zou zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon volgen, hij het zou doen. Nu gij mij dat belooft, zeide de monnik, zal ik U dien ook wijzen. Gij moet weten, dat de heilige Kerkvaders volhouden, dat het noodig is voor wie zalig wil worden om de boete te doen, die gij zult vernemen, maar luister wel: ik zeg niet, dat gij na de boete geen zondaar zult zijn als thans, maar de zonden, die gij hebt bedreven tot op het oogenblik der boete, zullen allen uitgewischt worden en zullen U daardoor vergeven worden en die, welke gij later zult bedrijven, zullen niet opgeschreven worden tot Uw verderf, maar zullen daarentegen met wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men moet dus vooral met grooten ijver beginnen zijn zonden te bekennen, wanneer men de boete begint en daarna vasten en zich zeer onthouden, wat veertig dagen moet duren, waarin gij niet slechts geen andere vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet moogt aanraken. Bovendien moet gij in Uw eigen huis een plaats kiezen, waar gij ’s nachts den hemel kunt zien, op het uur van de lofzangen na den vesper daarheen gaan en gij moet daar een zeer breede tafel plaatsen, zoo gezet, dat gij, als gij overeind staat, er de ribben op kunt steunen en de voeten uitstrekkend naar de aarde de armen kunt uitbreiden in de gedaante van een kruis. Als gij de handen aan een paar palen wilt vasthouden, kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij naar den hemel staren en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den morgen. Indien gij geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij onderwijl zekere woorden zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar dit niet zoo is, past het u driehonderd paternosters te prevelen met drie honderd ave maria’s ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij naar den hemel ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper was van hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als hij aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij wilt, gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend daarna moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen hooren, vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave’s. Daarna kunt gij in eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan middagmalen en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult gij eenige gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder welke het anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze voortgaan. Als gij zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik, dat gij, voor het einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke gewaarwording der eeuwige zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete vroom hebt gedaan.

Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof alles stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel, wat de monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te verroeren op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar zeer goed scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren zijn zin zou volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou maken, zij met hem zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus eens en toen het Zondag was, begon broeder Puccio zijn boete en de heer monnik kwam met de donna samen, op een uur, dat hij niet kon gezien worden, gebruikte meestentijds ’s avonds met haar het maal, zorgde er steeds voor goed te eten en te drinken en legde zich dan met haar te slapen, waarna hij, als hij was opgestaan, heenging en broeder Puccio zich te bed begaf. De plaats, die broeder Puccio voor zijn boete had uitgekozen, terzijde van die, waar de donna sliep, was hiervan slechts door een dunnen muur gescheiden. Terwijl nu de monnik bij zijn geestelijke oefeningen met de donna en zij met hem wat al te heftig te werk ging, scheen het broeder Puccio, dat de planken vloer van het huis door beweging schudde. Derhalve, nadat hij honderd van zijn paternosters had opgezegd, hield hij op, riep de donna zonder zich te bewegen en vroeg haar, wat zij deed. De donna, die vroolijk geluimd was en misschien het paard van San Benedetto bereed of dat van San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij God, man, ik beweeg mij zoo hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio: Waarom beweegt gij u? Wat wil dat bewegen bij u beduiden? De donna lachend en in vroolijke stemming, daar zij een schelmsche vrouw was en ze zeker reden had om te lachen, hernam: Waarom weet gij niet, wat ik wil zeggen? Ik heb het al duizend keer van u gehoord: Wie ’s avonds niet eet, woelt den ganschen nacht.

Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd, niet vasten; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer met zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer de monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin, zoolang de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste genoegen samen waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde de donna naar haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio van de boete daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en de donna met den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen schertsend tot hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor wij het paradijs hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te bevallen aan de vrouw, raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht van den monnik, terwijl zij door haar echtgenoot lang op dieet was gehouden, dat, toen eenmaal de boete van broeder Puccio eindigde, zij een middel zocht om aldus met dezen daarvan te eten en zij maakte er in stilte nog veel gebruik van.

Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste, meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de monnik haar barmhartig voorzag.

[

Inhoud

]

Vijfde Vertelling.

Pamfilo had niet zonder gelach van de donna, de geschiedenis van broeder Puccio geëindigd, toen de koningin met vrouwelijke gratie Elisa gelastte om te volgen. Deze op hooger toon dan gewoonlijk—niet uit kwaadwilligheid maar oudergewoonte,—begon aldus te spreken:

Vele gelooven, doordat zij veel weten, dat anderen niets weten, zoodat zij zeer dikwijls, terwijl ze anderen meenen voor den mal te houden, zich later door anderen misleid zien. Daarom noem ik het een groote dwaasheid van ieder noodeloos de slimheid van een ander op de proef te stellen. Maar, omdat wellicht niet elkeen van mijn meening zal zijn, heb ik lust u te vertellen wat een pistojaansch ridder overkwam, terwijl ik den vastgestelden regel nakom.

Er leefde in Pistoja uit de familie der Vergellesi een ridder, messire Francesco genaamd, een zeer rijk en wijs man, in alles behoedzaam, maar buitengewoon gierig. Hij moest als gevolmachtigde naar Milaan gaan en had zich van al het noodige voorzien om voornaam op reis te gaan behalve van een paard, dat hij mooi vond. Daar hij er geen machtig werd, dat hem beviel, bleef hij er over nadenken. Er was toen in Pistoja een jonkman, die Ricciardo heette, van nederige afkomst maar zeer rijk, die zoo netjes en verfijnd was, dat hij gewoonlijk door iedereen il Zima (de fat) werd genoemd. Hij begeerde lang hopeloos diens vrouw, welke zeer schoon en eerbaar was. Nu had hij een van de mooiste sierpaarden van Toscane en hield er zeer veel van om zijn schoonheid. Daar iedereen wist, dat hij de vrouw van messire Francesco beminde, zeide iemand deze, dat, indien hij het hem vroeg, hij het zou krijgen door de liefde, die il Zima zijn vrouw toedroeg.

Messire Francesco door gierigheid geprikkeld liet il Zima bij zich roepen, en vroeg hem zijn paard te koop, opdat il Zima het hem ten geschenke zou geven. Il Zima, die dit hoorde, beviel dit en antwoordde den ridder: Heer, indien gij mij alles ter wereld gaaft, wat gij hebt, zoudt gij door aankoop mijn paard niet kunnen verkrijgen, maar gij kunt het ten geschenke ontvangen, wanneer het u belieft, onder deze voorwaarde: dat ik, vóór gij het neemt, met uw goedvinden en in uw tegenwoordigheid eenige woorden mag spreken met uw vrouw, maar zoo van iedereen afgezonderd, dat ik door niemand dan door haar verstaan wordt. De ridder aangespoord door hebzucht en die hoopte hem voor den gek te houden, antwoordde, dat het hem aanstond. Wanneer hij zou willen, mocht hij, toen hij hem in de zaal van zijn paleis had gelaten, naar de kamer van zijn vrouw gaan en na haar gezegd te hebben, dat hij gemakkelijk het sierpaard kon winnen, gebood hij haar il Zima aan te hooren, maar dat zij wel moest oppassen, dat zij op niets, wat hij zeide, weinig of veel zou antwoorden. De donna misprees dit zeer, maar daar zij zich er in schikte den zin van haar echtgenoot te volgen, zeide zij het toch te zullen doen. Daarop ging de man naar de zaal om te hooren, wat il Zima zou zeggen. Daar deze met den ridder de overeenkomst hernieuwd had, ging hij op een plaats in de zaal, ver genoeg verwijderd van elk ander mensch met de donna zitten en begon aldus te spreken:

Waarde donna, het schijnt mij zeker, dat gij zoo wijs zijt, dat gij reeds langen tijd wel hebt kunnen begrijpen, tot welk een liefde mij uw schoonheid heeft kunnen voeren, welke zonder twijfel die van ieder andere vrouw overtreft, die mij ooit verscheen. Ik laat nu de lofwaardige manieren en de bijzondere deugden terzijde, die gij bezit, en die de kracht hebben het trotsche hart van elk man te stelen en daarom is het niet noodig, dat ik u met woorden bewijs, dat mijn liefde de grootste en de hevigste is, die ooit een man een vrouw toedroeg. En zonder twijfel zal ik dit doen, zoolang mijn ellendig leven deze ledematen zal dragen en nog langer, want als men daarboven lief heeft als hier, zal ik u eeuwig beminnen. Daarom kunt gij er zeker van zijn, dat gij niets hebt, hetzij het kostbaar is of gewoon, dat gij zóó als het uwe kunt beschouwen en waarop gij in alles zóó kunt rekenen als op mij en evenzoo op al wat ik bezit. Opdat gij hiervan een zeker bewijs hebt, zeg ik u, dat ik het mijn grootste gunst zou noemen, als gij mij iets zoudt gelasten, dat ik om u te behagen, zou mogen doen en ik zou daar meer op gesteld zijn dan dat de geheele wereld mij zou gehoorzamen, als ik te bevelen had. En nu ik zóó de uwe ben als gij gehoord hebt, zal ik mij niet zonder reden beijveren mijn beden naar uw heerlijkheid te richten, waar alleen al mijn vrede, al mijn geluk en al mijn heil van kan komen en niet van elders. En wanneer ik u als uw nederigste dienaar smeek, mijn dierbaarst goed en eenige hoop van mijn ziel, die leeft voor het liefdevuur, waarin hij op u vertrouwt, laat dan uw welwillendheid zoodanig zijn en de hardheid, die gij jegens mij getoond hebt, zoo verzacht worden, dat ik door uw medelijden gesterkt kan zeggen, aan uw schoonheid, waardoor ik verliefd ben, het leven te danken te hebben, zoodat ik, als uw trotsche geest zich niet voor mij buigt, zonder twijfel zal verzwakken en sterven en dat gij dan mijn moordenaarster kunt genoemd worden. Daar latend, dat mijn dood u geen eer zou verschaffen, geloof ik niettemin, dat uw geweten u soms zou kwellen, omdat gij dit niet hadt moeten doen en gij zoudt soms, beter gestemd, tot u zelf zeggen: Helaas, wat een kwaad heb ik gedaan, doordat ik geen medelijden had met mijn il Zima en daar dit berouw u niet zou baten, zou het voor u de oorzaak zijn van nog grooter verdriet. Opdat dit niet gebeurt, nu gij aan mij denken kunt, denk er daarom nu aan, en wordt, voor ik sterf, door medelijden bewogen, omdat het van u alleen afhangt mij den gelukkigsten zoowel als den ongelukkigsten man te maken, die er leeft. Ik hoop, dat uw welwillendheid zoo groot zal zijn niet te zullen dulden, dat ik door zulk een en door zoodanige liefde den dood als loon ontvang, maar dat gij met een blijmoedig antwoord en vol gratie mijn geest zult versterken, welke geheel verschrikt siddert bij uw aanblik. En toen zwijgend kwamen hem na zeer diepe zuchten eenige tranen in de oogen en begon hij te wachten op wat de donna hem zou antwoorden.

De donna, die het lange zuchten, zijn wapenspelen, zijn aubaden, en andere gelijksoortige liefdebetuigingen van il Zima niet hadden kunnen bewegen, roerden de liefdevolle woorden van den zeer vurigen minnaar en zij begon te gevoelen, wat zij nooit van te voren had gevoeld namelijk, wat liefde is. En hoewel zij, om het bevel van den echtgenoot te volgen, zweeg, kon daarom echter niet een zucht dat verbergen, wat zij, als zij il Zima had kunnen antwoorden, getoond had. Il Zima, die een wijle gewacht had en die zag, dat geen antwoord volgde, verbaasde zich en begon daarna de list te bemerken door den cavaliere gebruikt, maar toch zag hij haar aan en merkte, dat zij hem soms blikken toewierp en bespeurde bovendien, dat zij zuchten slaakte, welke zij haar best deed niet met al hun kracht uit haar borst te doen ontsnappen. Hij vatte toen goeden moed en met behulp daarvan vormde hij een nieuw plan en begon, of hij de donna was, en zij naar hem hoorde, zich zelf op deze wijze te antwoorden:

Mijn Zima, zonder twijfel heb ik al lang gemerkt, dat Uw liefde jegens mij zeer groot en volmaakt was en ik ken haar nu nog beter door Uw woorden en ben hier gelukkig mee gelijk ik moet. Evenwel, zoo ik U hard heb moeten schijnen en wreed, wil ik niet, dat gij gelooft, dat ik in mijn ziel geweest ben, wat ik met het gelaat heb geveinsd; integendeel, heb ik U steeds lief gehad en zijt gij mij boven ieder ander man dierbaar geweest, maar zoo moest ik doen zoowel uit vrees voor anderen als om den naam van mijn eerbaarheid te dienen. Maar thans komt de tijd, waarin ik U klaar kan toonen, dat ik U lief heb en U als loon van die liefde wat kan terug geven, die gij mij toe hebt gedragen en nog toedraagt. Houdt daarom moed en blijf hopen, daar messire Francesco binnen enkele dagen naar Milaan moet gaan als gezant, gelijk gij weet, omdat gij uit liefde tot mij hem het sierpaard hebt geschonken. Zoodra hij heen zal zijn gegaan, beloof ik U zonder twijfel bij mijn geloof in God en bij de goede liefde, die ik U toedraag, dat gij in enkele dagen bij mij zult zijn en dan zullen wij onze liefde heerlijk en geheel bevredigen. En opdat ik U niet weer noodig heb hierover te spreken, zult gij binnen weinige dagen twee mutsen aan het venster van mijn kamer zien hangen, welke zich boven onzen tuin bevindt, en de avond van dien nacht moet gij oppassen, dat gij niet gezien wordt, opdat gij mij bij de tuindeur komt zoeken. Daar zult gij mij vinden, waar ik U zal wachten en wij zullen den ganschen nacht verheugd zijn en van elkaar genieten, gelijk wij verlangen.

Toen il Zima aldus had gesproken in plaats van de donna, begon hij weer voor zich te spreken en antwoordde: Zeer geliefde donna, de overmatige vreugde, die uw antwoord mij veroorzaakte, heeft mijn kracht zoo in beslag genomen, dat ik ternauwernood een antwoord kan schenken om de door u gegeven gunsten te vergelden. Als ik kon spreken gelijk ik wensch, zou ik geen lang genoeg antwoord kunnen vinden, dat mij voldoen zou om u ganschelijk te bedanken en gelijk mij past te doen. Daarvoor laat ik het aan uw kiesche zienswijze over te erkennen, wat ik, hoewel ik het verlang, niet met woorden u kan zeggen. Alleen zeg ik u, dat ik stellig denk niet anders te handelen dan op uw bevel en misschien meer verzekerd van het zoo groote geschenk, dat gij mij hebt toegestaan zal ik mijn best doen u mijn dank te toonen, zooveel mij dit mogelijk is. Er blijft ons niets anders te zeggen voor het oogenblik en daarom mijn allerliefste donna, geve God u die, blijmoedigheid en dat heil, dat gij het meest verlangt en beveel ik u Gode aan.

De donna sprak bij dit alles geen woord, daarop stond il Zima op en begon zich naar den ridder te wenden, die dit zag, hem tegemoet kwam en lachend zeide: Hoe bevalt het je? Heb ik mijn belofte niet goed aan je gehouden? Neen, heer, antwoordde il Zima, want gij hebt mij beloofd mij met uw vrouw te laten spreken en gij hebt mij laten praten tegen een marmer beeld. Dit woord beviel zeer aan den ridder, die daarbij een goede meening over de vrouw had en een nog betere kreeg en zeide: Nu behoort toch het sierpaard wel aan mij, dat het uwe was? Hierop antwoordde il Zima: Ja, heer, maar als ik van die gunst het gevolg had kunnen verkrijgen, dat ik er van verkregen heb, had ik het U gegeven zonder het te vragen en had het God nu maar behaagd, dat gij het paard van mij gekocht had voor geld, dan zou ik het U op die manier niet verkocht hebben. De ridder lachte hierom en voorzien van het sierpaard ging hij een paar dagen daarna op reis en begaf zich belast met de volmacht naar Milaan. De donna, vrij achtergebleven in haar huis, herinnerde zich de woorden van il Zima, dacht aan de liefde, die hij haar toedroeg en zag hem dikwijls haar huis voorbijgaan. Ze zeide toen tot zich zelf: Wat doe ik? Waarom verlies ik mijn jeugd? Hij is naar Milaan gegaan en zal er in geen zes maanden vandaan komen en wanneer zal ik mijn schade ooit kunnen inhalen? Wanneer ik oud ben? En bovendien, wanneer zal ik ooit zulk een minnaar als il Zima terugvinden? Ik ben alleen en ik heb angst voor niemand. Ik weet niet, waarom ik van de goede gelegenheid geen gebruik zou maken, als ik kan. Ik zal niet steeds tijd hebben gelijk nu en niemand zal dit ooit weten. En als hij het later mocht weten, is het beter het te doen en er berouw over te hebben dan er alleen berouw over te gevoelen en het te hebben gelaten. En na aldus met zich zelf te hebben overlegd, plaatste zij op een goeden dag twee mutsen aan het venster van den tuin, gelijk il Zima gezegd had. Toen deze dit zag, ging hij, toen het nacht was geworden, zeer verheugd heimelijk en alleen naar den uitgang van den tuin van de donna en vond dien open en vervolgens trad hij door een andere deur het huis in, waar hij de edelvrouw vond, die hem wachtte. Zij zag hem komen, stond voor hem op en ontving hem met de grootste vreugde, en hij omhelsde en kuste haar honderdduizend maal en volgde haar de trap op. Zonder verwijl gingen zij naar bed en kenden zij de hoogste genietingen der liefde. Evenwel was die eerste keer de laatste niet, omdat, terwijl de ridder te Milaan was en nog na zijn terugkeer il Zima er vele van de andere malen terugkwam tot groot genoegen van alle partijen.

[

Inhoud

]

Zesde Vertelling.

Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello Fighinolfi. Daar hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij haar gelooven, dat Filipello zijn eigen vrouw bij zich in een badhuis wil laten komen en haalt haar over daarheen te gaan. Als zij echter meent, dat zij haar man betrapt heeft, ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest is.

Er bleef voor Elisa niets meer over om te vertellen, toen de koningin, nadat zij de slimheid van il Zima geprezen had, aan Fiammetta beval, dat die met een verhaal voortging. Deze antwoordde nog lachende: Gaarne, Madonna, en begon:

Wij moeten een oogenblik onze stad verlaten, die in alle opzichten overvloed heeft en vol is van voorbeelden voor ieder onderwerp en gelijk Elisa gedaan heeft, iets vertellen van de dingen, die in een ander deel der wereld gebeurd zijn. Daarom zal ik naar Napels mij verplaatsend verhalen, hoe een van die huichelaarsters, die veinzen van de liefde niets te willen weten, er door de slimheid van haar minnaar toe gebracht werd de vrucht der liefde te kennen voor haar bloemen, wat u tevens voorzichtig zal maken voor die dingen, die kunnen gebeuren en u genoegen zullen geven over hetgeen gebeurd is.

Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden en hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken, wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand werd hem door dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat hij van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed, want Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij zoo jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door de lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen, welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon hem ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist, dat ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het zijne heen en werd in dat der donna’s van Catella ontvangen na zich eerst lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was er in te verblijven. Hier begonnen de donna’s en met hen Catella met hem te schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer ontbrand te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op den langen duur de donna’s, deze hier en gene daarheen waren gegaan, gelijk men op die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter gebleven was, waar Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een woord toe over een zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij plotseling zeer jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon te branden te weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te hebben ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo, dat hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen, mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met hem noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik zal zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten, hoe gij het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan en deed haar te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het nooit te zeggen. Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat zij niet door anderen zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus te spreken: Madonna, indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger lief had, zou ik iets durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet zou doen, maar omdat die liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden u de waarheid van alles te openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit zich boos heeft gemaakt over de liefde, die ik u toedroeg of dat hij heeft geloofd, dat ik ooit door U werd bemind. Maar of dit zoo zij of niet, ik toonde het nooit uit mezelve, maar thans, misschien den tijd afwachtend, wanneer hij geloofde, dat ik er minder argwaan in zou hebben, schijnt hij mij dat te willen doen, wat ik vermoed, dat hij vreest door mij aan hem te zijn gedaan, namelijk zijn genoegen er van te nemen met mijn vrouw en naar wat ik bespeurde, heeft hij haar sinds korten tijd heimelijk met meerdere boodschappen vervolgd, welke ik allen van haar heb vernomen en zij heeft de antwoorden gezonden, gelijk ik haar beval. Maar toch van morgen, voor ik hier kwam, heb ik in huis met mijn vrouw een andere in druk gesprek gevonden, welke ik dadelijk beoordeeld heb naar wat zij is, waarom ik de mijne riep en haar vroeg wat die verlangde. Zij zei mij: Zij is de handlangster van Filippello, dien gij, door het geven van antwoorden en van hoop, mij op den hals hebt geschoven en zij zegt, dat hij, voor alles wil weten, wat ik van plan ben en dat hij, wanneer ik mocht willen, zou maken, dat ik heimelijk hier in de stad in een badhuis zou komen. Daarom bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat gij mij er toe bracht, ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol te houden, dan zou ik mij er op de een of andere manier aan onttrokken hebben, zoo, dat hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen scheen het mij, dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de houden en ik het U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw gansche vertrouwen kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven. En opdat gij niet gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij het, wanneer de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien als tasten, heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als antwoord laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van den noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft, dat ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou ik maken, dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te zullen vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn, zou ik hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem dan de eer aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij zich zoo schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil aandoen en mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij zonder eenigzins acht te geven wie het was, die het haar vertelde of op zijn bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen, dadelijk aan zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien tijd gebeurd, hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn ontbrand antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet zoo moeilijk was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam, hem zoo zou beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag, dat zijn hoofd er van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden, het scheen hem, dat zijn overleg goed was geweest en gevolg had, hij versterkte haar daarin nog met vele andere woorden en deed het haar nog meer gelooven, terwijl hij haar verzocht het aan niemand te vertellen, dat zij het van hem had gehoord, wat zij hem bij haar geloof in God toezegde.

Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar, wat hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij kon ter wille te zijn.

De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of te zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht gaf. Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo in orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af te wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij meer geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap ’s avonds naar huis, waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon was te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had en sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen, hoe zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef zij den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het begin van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder haar plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo haar had aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben, vroeg zij haar of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde daarop voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen spreken? Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw, hem dan opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had willen vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam met het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo zag haar komen, stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend, als zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker, waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te blijven kregen de oogen er meer macht.

Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren, begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het geluk der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door hun echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer dan acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij, gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde voor een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met wie denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij al genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige, die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor dien bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen, dat ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest, wel goed geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos placht te toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat van een ander hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er niet over, dat gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders te zijn om Uw last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den veldslag beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water toch daarheen geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet, trouwelooze kerel? Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij te hooren stom geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik je niet de handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht, dat verraad heelemaal in het geheim te kunnen doen. Bij God! De een weet er net zooveel als de ander van; het is niet gelukt. Ik heb je beter speurhonden achter de hielen gezet dan je geloofde.

Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets te antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij haar hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht je mij nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende kerel, die je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt gedwaald. Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg, raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen, wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft lief gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar één keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het te doen. Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij haar gehad hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik, als ik hem had gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten.

Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet, er veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar uit den waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn armen had gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon wegrukken, zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te beminnen vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik ben uw Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde zij zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide: Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene zal wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede naam verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier tot bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd, waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte, kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet, dat de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven en daarom zal men mij eerder gelooven dan u. Daaruit zal tusschen Uw man en mij doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren, dat ik hem eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn lichaam, schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij in strijd. Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die bedrogen is en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen, maar door de overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid ben U steeds toe te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En daar het al lang geleden is, dat ik en mijn goederen en al wat ik kan en begeer, de Uwen zouden geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik van plan, dat ze het van nu af aan meer dan ooit zullen wezen. Nu zijt gij onderricht in de andere zaken en ik ben er zeker van, dat gij het ook hierin zult zijn. Catella weende bitter, terwijl Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer boos was en hem zeer sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel toe aan de waarheid van Ricciardo’s woorden, dat zij het mogelijk dacht te gebeuren, wat Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik weet niet of God de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog te verduren, die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen, waar mijn onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht hebben; maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou zijn, eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over hetgeen gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet langer vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij bedrogen gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los, bid ik U.

Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen, goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond, hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot, verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons van de onze genieten.

[

Inhoud

]

Zevende Vertelling.

Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich daarna listig met diens vrouw.

Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon: Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers zijn verloren donna herwon.

Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde zingen, dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van de liefde, die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door haar was bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had vergeten, ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien, dat hij het niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar Florence terug te keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt, kwam hij alleen met een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage was aangekomen, zond hij die te Florence naar een vriend van zijn Ancoonschen compagnon en hij kwam zelf daarna vermomd als pelgrim, die van het Heilige Graf terugkeerde, met zijn knecht. In Florence aangekomen, begaf hij zich naar een herberg van twee gebroeders, die dicht bij het huis was van zijn donna. Hij ging het eerst naar haar huis om als het kon haar te zien. Maar hij zag de ramen en de deuren en alles gesloten, zoodat hij zeer twijfelde of ze niet dood was of vandaar was verhuisd. Hierover zeer nadenkend begaf hij zich naar het huis van haar broeders, waarvan hij vier van dezen alle in het zwart gekleed zag, en was daarover zeer verwonderd. Daar hij wist, dat hij zóó was veranderd van kleed als van de persoon, die hij was, toen hij vertrok, dat hij niet licht kon herkend worden, sprak hij flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem, waarom die lieden in het zwart gekleed waren. De schoenmaker antwoordde: Die zijn in het zwart gekleed omdat nog geen veertien dagen geleden een broeder van hen, die sinds lang niet hier was en Tedaldo heette, vermoord werd en ik begrijp wel, dat zij voor het gerecht hebben bewezen, dat een zekere Aldobrandino Palermini, die gevangen is genomen, hem vermoord heeft, omdat hij diens vrouw welgezind was en niet herkend was teruggekomen om met haar te zijn.

Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar ik weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene dan van de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij dan en ik zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna, zei toen de pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u niet ondervragen om het nog beter te weten, maar opdat gij door het zelf te bekennen er meer berouw over zult hebben. Doch laat ons tot het feit zelf komen. Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar gehad te hebben? Toen de donna dit hoorde, slaakte zij een diepe zucht en verwonderde zich zeer, dat ooit iemand dit wist, behalve hij die gedood was en welke, voor Tedaldo gehouden, begraven werd, tenzij men er iets van verraden had met zekere woorden onvoorzichtig geuit door den metgezel van Tedaldo, die dit wist en zij antwoordde: Ik zie, dat God U al de geheimen der menschen openbaart en daarom ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het is waar, dat ik in mijn jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had, wiens dood aan mijn man wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer betreur als dit mij verdriet deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch jegens hem getoond heb voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid, noch zijn treurige dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop antwoordde de pelgrim: De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U nooit bemind, maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden waarom gij boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd? Hierop antwoordde de donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn toorn waren de woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens biechtte, omdat, toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen toedroeg en de vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een spektakel maakte, dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als ik niet ophield, ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel zou terecht komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur. Hierdoor werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen vriendschap met hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te geven, wilde ik boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof, dat als hij meer had doorgezet—maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig weg—ik, daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard voornemen had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar hem.

Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit eigen beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde, kwam hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met woorden en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien hij ook al het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed verdubbelen. Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke reden hadt gij dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt gij eerst moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten hebben als van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk hij de Uwe is geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven naar verkiezing te doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem te onttrekken, die de Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk, daar dit tegen zijn wil geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik ben en dus al hun gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel er van spreek, is mij dat niet verboden gelijk aan een ander en het bevalt mij dit te doen, opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan gij tot nu toe schijnt te hebben gedaan. Vroeger waren de monniken zeer heilige en eerbare mannen maar wie zich thans broeders noemen en er voor willen worden gehouden, hebben van het monnikschap niets anders dan de kap en zelfs die niet, omdat, terwijl de stichters der orden bevalen, dat die nauw, armoedig en van grof goed zouden zijn en van den geest getuigden, die de wereldsche zaken minachtte, wanneer zij het lichaam in zulk een simpel gewaad staken, zij thans rijk en dubbel en schitterend en van fijne stof zijn en ze die in een sierlijken en priesterlijken vorm hebben gebracht, zoodat zij zich niet schamen in de kerken en op de wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden doen, er als pauwen mee te pronken. En gelijk de visscher met het net met één ruk in de rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in hun wijde dracht rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters, vele weduwen en tal van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat meer dan eenige andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid is. Daarom, om U oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der monniken maar alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der menschen zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en zij hebben er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel en hun bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te geven, dat zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen, opdat hun, die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en om niet te werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander zielemissen voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat de aalmoezen en de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die de aalmoezen geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen, zouden zij die even graag houden of ze liever voor evenveel andere zwijnen werpen. Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten, zijn zij daarentegen meer tevreden en doen zij hun best met hun geschreeuw en hun bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun eenig verlangen uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen, opdat zij, die aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen en de vrouwen naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en de oneerlijke winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven, hun kappen rijker kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en andere, hoogere priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee zij hebben beweerd, dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten.

Notes in this chapter

Note 1 · Reeds begon de dageraad bij het naderen van de zon van rozenrood oranje te worden, toen de koningin op Zondag opgestaan, haar heele gezelschNote 2 · Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen eindigen met met hem te slapeNote 3 · Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een lok haar af; de geknipte dNote 4 · Agilulf, koning der Longobarden4 gelijk zijn voorgangers plaatste te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn regeering na TeuNote 5 · Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn van vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen monnik er toe, zonderNote 6 · De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der andere monNote 7 · Don Felice leert aan broeder Puccio8, hoe die gelukzalig kan worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder Puccio9 dit doet, maakt don Note 8 · Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio10 een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel opgegaanNote 9 · Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard voor het verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij echter zwijgt, geeft hij Note 10 · In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet meer dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man, bekend dNote 11 · Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo degli Elisei14 heette en die vreeselijk verliefd was op een dame Monna ErmeNote 12 · Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. ToNote 13 · Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen, ten
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings