Vijfde Dag. (continued 2)
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg, dat Nastagio ze niet meer kon zien.
[
Inhoud
]
Negende Vertelling.
Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk.
Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij de beurt om te vertellen, en—zeer geliefde donna’s—ik zal het gaarne doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen, welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.
Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen, worstelde, schermde hij, hield hij feesten en schonk en verkwistte zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg, begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve, van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende, dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte, ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij, zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen, geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en gelijk het de gewoonte is van onze donna’s, ging zij het zomerseizoen met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.
Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust, hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte, wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de overhand, dat zij besloot hem tevreden te stellen en wat er ook mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal, is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap.
De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg, was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel, Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden, die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.
Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder nadenken draaide hij hem den hals om, liet hem door zijn bediende, geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen.
Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is, waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak, geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees, dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde, die gij mij toedraagt—waardoor gij tot niets verplicht zijt—maar bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven, opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking tot wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in ’t algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren, de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen.
De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders: Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven, maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel, dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde, hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.
[
Inhoud
]
Tiende Vertelling.
Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven.
De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan, dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken, en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven, gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is.
Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij haar Gode aan. De oude zond haar na eenige dagen dien jongen, waarvan zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem: Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam: Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano, die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan, ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek, dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt.
Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit meer in iets genoegen hebben, als ik je dit niet betaald zet. Toen de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden, maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette, dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide.
Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij, hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend, dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte ’s avonds te eten, als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg, waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen!
Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook alles om te zien of hij water vond en kwam ook zoo in het midden van de kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte, dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers had gelicht, maar met klem vroeg hij: Wie is daar? en liep naar de mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had vervolgd, vroeg hem: Wat doet gij? waarop hij niets antwoordde maar hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro: Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij, hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde, nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag, dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide: Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel, weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is, dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden dan alles verder in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel, Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf, men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels.
Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken, zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw; ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed, zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna, want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna’s, dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt, opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt.
Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna’s zich weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd, plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar: Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking spreekt, namelijk van hen, die aangezet door een of andere scherts, zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden blik verlies, gevaar of schande ontkwamen. Dit werd door allen zeer geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal vrij. Het heele eerzame gezelschap rees op, toen het de koningin zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal, dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig: Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng. Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna, als ik cymbalen had, zou ik zingen: Licht de slippen van je hemd op, monna Lapa; of Onder den olijfboom en het groene gras of zoudt gij willen, dat ik zing: Het water van de zee doet mij groot kwaad? Maar ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou U bevallen: Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in het veld? De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo, zal ik zingen: Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October. De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak: Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij: O deze, mijn schelp, zoo ik haar niet prik of Zeg, zachtjes aan, mijn man, of wel: Ik zal een haan koopen van honderd lire. De koningin, een weinig boos, hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de grappen en begon spoedig aldus te zingen:
Amor, het levendige licht
Dat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt,
Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.
De glans, die uit haar schoone oogen vloeit,
Ontstak mij voor Uw vlam het hart,
Terwijl gij mij doorboorde,
En hoe groot uw macht is,
Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaard
En het mij verbeeldend,
Voelde ik al mijn deugden van mij gaan
En legde die aan haar voeten,
Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.
Zoo werd ik een der Uwen.
Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ik
Genade van Uw macht.
Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent,
Die zij mij in het hart heeft gebracht,
Noch mijn geheele trouw,
Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde,
Dat ik geen vrede zou hebben
Noch buiten haar willen zou.
Daarom bid ik U, mijn zoete Heer,
Dat gij haar die toont en haar doet gevoelen
Een weinig van Uw vuur
Tot mijn heil, want gij ziet, dat ik
Van liefde verteer en door mijn marteling
Langzaam sterf
En dan, als het tijd zal zijn,
Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet,
Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.
Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden dag voor zijn genoegen zou gaan slapen.
[
Inhoud
]
