Vierde Dag. (continued 2)
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Het vreeselijke maal.
4e Dag—9e Vertelling.
Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag, ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij daar lag. Het lichaam werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de moeder met vele andere verwante donna’s en buurvrouwen en zij begonnen over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister, naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna’s geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd, werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood.
[
Inhoud
]
Negende Vertelling.
Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander te spreken had: Medelijdende donna’s. Ik heb thans een vertelling gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur Guillaume Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen, of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na: jij bent des doods! Dit te zeggen en hem die lans door de borst te stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken, viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten, zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer.
Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen (lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, ik heb van hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel.
De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u—zei de ridder—en het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer dan iets anders u aanstond.
De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze: Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van de donna met de grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood.
[
Inhoud
]
Tiende Vertellingen.
De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot geldboete veroordeeld.
Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning, begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet slechts aan u, donna’s, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd, waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing geef tot wat morgen moet verteld worden.
Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem ’s morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat dit was.
De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, als die er ’s nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen.

De slaapdrank.
4e Dag—10e Vertelling.
En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen.
Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden, toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik, dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd, maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong hij zoo bij mij aan, dat ik hem in uw huis in mijn kamer meenam om te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien, herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan.
Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna’s zeer hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd en terwijl de donna’s afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta, wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken van wat aan een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, gelukkig ten deel werd. Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, met hem te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen:
Weenend toon ik,
Hoe een hart zich met recht beklaagt,
Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.
Amor, die eerst
In mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht,
Zonder op heil te hopen,
Gij hebt haar zoo vol deugd getoond.
Dat ik elke marteling licht achtte,
Die in mijn geest,
Droef gebleven,
Mij was overkomen; maar mijn dwaling
Ken ik thans en niet zonder smart.
Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen,
Is mij van haar verlaten te zien,
In wien ik alleen hoopte;
Want toen dacht ik het meest te zijn
In haar gratie en haar dienaar.
Zonder de schade vooruit te zien
Van mijn toekomstig leed
Bemerkte ik, dat zij van anderen de waarde
Daarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.
Toen ik mij daaruit verjaagd zag,
Ontstond er in het hart een droeve klacht.
Die er nog in klinkt.
En dikwijls vervloek ik den dag en het uur,
Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheen
Door hooge schoonheid gesierd
En meer dan ooit ontvlamd,
Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed,
Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.
Hoezeer mijn smart zonder troost is,
Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roep
Met trieste stemme,
En ik zeg u, dat ik zóó brand,
Dat ik om minder foltering den dood verlang.
Kom dan en maak
Aan mijn wreed en ongelukkig leven
Met één slag een einde en aan mijn razernij;
Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.
Geen ander leven, geen andere troost
Redt mij meer dan de dood van mijn smart,
Dat men mij dien voortaan schenke.
Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnen
En dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft.
Ach, doe dit, omdat ten onrechte.
Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is,
Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer,
Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.
O mijn lied, indien niemand u leert,
Kan het mij niet schelen, omdat niemand
Dan ik u kan zingen,
En moeite alleen wil ik u geven,
Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleen
Toont ten volle, hoe onverschillig
Het trieste, bittere leven,
Mij is, hem biddend, dat hij in beter
Haven mij brengt door zijn waarde.
Weenend toon ik, enz.
De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien had nog beter het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was: daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug.
[
Inhoud
]
