Note 22 — Vierde Dag. (continued 2)
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Het uur van den vesper brak aan en de maëstro moest tot hem gaan. Toen kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi22, welke hij om niets ter wereld anders dan dadelijk zou moeten bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden, hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden23. Daarom begon de donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars, maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide, dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt, omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven, omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd.