Achtste Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
De zevende dag van de Decamerone eindigt; de achtste vangt aan. Onder het bewind van Lauretta spreekt men van de streken, welke de vrouw met den man of de man met de vrouw of de eene man met den anderen uithaalt.
Reeds verschenen op den Zondagochtend boven den top der hoogste bergen de stralen van het stijgende licht en verdween iedere schaduw en herkende men duidelijk alle bergen, toen de koningin en haar gezelschap opgestaan door het met dauw bedekte gras liepen. Omstreeks het midden van het derde uur bezochten zij een naburig kerkje, waarin zij bij den heiligen dienst toehoorden. Terug gekeerd zongen en dansten zij een wijle na met genoegen en vreugde ontbeten te hebben en daarna met verlof van de koningin kon, wie het wilde, ter ruste gaan. Toen de zon den cirkel van den meridiaan reeds was doorgetogen, gingen zij allen, gelijk het de koningin behaagde, volgens het gebruik om te vertellen zitten bij den schoonen fontein en op haar bevel begon Neifile aldus:
[
Inhoud
]
Eerste Vertelling.
Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar terugbetaalde.
Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna’s, daar er tot nu toe veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed was, maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, dat ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, evenals zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het zou goed zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap te noemen maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar moet zijn en haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden heeft haar te misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal toegeven door onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard is, die zich hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde hiertoe komt—ik ken de zeer groote krachten daarvan—van een niet al te streng rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden Filostrato toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato.
Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo (Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan verblijf houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna Ambruogia, de echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo Cagastraccio, die met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte beminde, vroeg hij haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag te spreken en smeekte haar, dat het haar zou behagen zijn liefde te beantwoorden en dat hij van zijn kant bereid was alles te doen, wat zij zou bevelen. De donna na lang praten besloot te doen, wat Gulfardo wilde, als daaruit twee dingen zouden volgen: ten eerste, dat hij het nooit aan iemand zou openbaren; ten tweede, dat hij rijk, haar tweehonderd goudguldens zou geven, die zij voor iets noodig had en dat zij hem daarna altijd van dienst zou zijn. Gulfardo, die dit hoorde, veranderde verontwaardigd door haar laagheid zijn liefde voor haar, die hij voor een waardige donna hield, in haat. Hij peinsde er over haar te bedriegen en deed alsof hij zeer gaarne een en ander voor haar wilde doen om haar te behagen en liet haar vragen, wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam om het geld te brengen en zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve een metgezel, waarop hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot. De slechte donna was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar man, voor zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij hem dit nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo naar Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig, welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij dit gaarne wilde doen en gaf hem het geld.
Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij berichtte Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd goudguldens. Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar had gevonden, was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd goudguldens ter hand te stellen, terwijl zijn metgezel er bij was en Gulfardo sprak: Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, als hij terug zal gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, waarom Gulfardo dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om zijn metgezel niet te laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen gaf. Daarom zeide zij: Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, hoeveel het is, en nadat zij ze op een tafel geworpen had en bevonden, dat er twee honderd waren, was zij innerlijk zeer tevreden, legde ze weg, keerde tot Gulfardo terug en na hem in haar kamer te hebben geleid, voldeed zij hem niet alleen dien nacht maar vele anderen. Toen Guasparruolo van Genua kwam en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij te samen met zijn vrouw zou zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot Guasparruolo: De twee honderd goudguldens, die gij mij geleend hebt, had ik niet noodig. En daarom bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug en gij zult dus mijn rekening wel willen uitwisschen. Guasparruolo vroeg de donna of zij het geld ontvangen had. Zij, die den getuige er bij zag, kon niet ontkennen, maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; ik had vergeten het U te zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, het is in orde; ga met God, en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo vertrok en de donna bleef in de klem achter en gaf aan haar man den gemeenen prijs van haar slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar zich vroolijk over zijn gierige donna zonder kosten.
[
Inhoud
]
Tweede Vertelling.
De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken.
Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke, daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige bewoordingen ’s Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen elders heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij hun dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf hun zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen het meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna del Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin was, bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan iedere ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan en zingen: Het water loopt naar het ravijn en beter een rondedans of een rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen met een schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester zoo op haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij een Kyrie of een Sanctus op en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar niet zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist hij zoo te werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, noch een buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna Belcolore te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein geschenk. Soms zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van welke hij de schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een mandje met erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen hij de kans schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte hij uit verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, deed of zij het niet merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de pastoor zijn doel niet kon bereiken.
Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde, ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna: Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping mij gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je doet goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en als gij Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de riemen voor mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het zou gebeuren en terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, dat het tijd was naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En nadat hij was doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was binnen getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, die op den zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt welkom; waarom dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: Als God wil, zal ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad gegaan. Belcolore daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te zoeken. De pastoor zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend laten versmachten? Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat doe ik u? De priester hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u niets doen, wat ik zou willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, ga weg, ga weg! O, doen priesters zulke dingen? De priester antwoordde: Waarom niet? Ik zeg u, dat wij het beter doen dan andere menschen. En weet je waarom? Omdat wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk het zal u voordeel doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: Welk voordeel kan mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig zijt als de duivel. Toen voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een paar schoenen of een haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt ge? Belcolore sprak: Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar waarom geeft gij mij niet iets anders, dat ik wil en ik zal doen, wat gij wilt. Toen sprak de pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal het gaarne doen.
Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, meende hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw over. Hij peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug zou krijgen. En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over na, hoe hij zou handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden dag, een feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar Belcolore om haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken en ontbijten met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore zond hem dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de pastoor, die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, zijn klerk en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij Belcolore en zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed terugvraagt, dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar het huis van Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij zette den vijzel op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore hoorde, dat het kleed werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, maar Bentivegna zeide met een boos gezicht: Gij vraagt dus een pand aan mijnheer de pastoor? Ik beken voor Christus, dat ik grooten lust heb je een flinke stomp onder de kin te geven; ga, haal hem zou gauw als je kunt en als hij weer iets vraagt, al was het onze ezel of iets anders mag hem niets geweigerd worden. Belcolore stond grommend op, ging naar haar linnenkist onder het bed, trok het kleed er uit, gaf het aan den klerk en sprak: Gij zult aldus namens mij tot den heer pastoor spreken: Belcolore zegt, dat zij God bidt, dat gij nooit meer met haar vijzel saus zult maken, omdat gij haar daarmee geen groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het kleed weg en deed aan den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend zeide: Zeg, haar, wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel niet leenen zal, ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde, dat de vrouw die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er niet meer over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem tot den wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd had, haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer bang en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed met hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een schel aanhangen en daarmee was zijn voldaan.

De steen die onzichtbaar maakt.
8e Dag—3e Vertelling.
[
Inhoud
]
Derde Vertelling.
Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna’s, evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa op, dat die zou volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna’s. Ik zal mijn best doen u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig en die u evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne.
In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder, Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij van zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde er in Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch en voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig in de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan deze praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het geen geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze zette zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige steenen gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, waar men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor geld krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar was een berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen staan, die niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken in kippensaus en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van nam, had er ook het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van den besten witten wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een druppel water in kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, maar zeg mij, wat doet men met de kapoenen, die zij braden? Maso antwoordde: De Basken eten die allen op. Toen sprak Calandrino: Waart gij daar ooit? Hierop antwoordde Maso: Ik ben er meer dan duizend maal geweest. Toen antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen is het ver? Maso hernam: Het is meer dan zooveel mijlen loopen, als een heele nacht door zingen duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet dan verder zijn dan de Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder.
De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, van zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand gezien wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar waar vindt men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in de Mugnone vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke kleur heeft hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte en bijna zwart. Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, deed, alsof hij iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die steensoort te gaan zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, zonder dat Bruno en Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel hield. Hij ging ze zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel van den morgen om ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij was, herinnerde hij zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van Faënza en hoewel het zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, ging naar hen toe en zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden, daar ik van een betrouwbaar man gehoord heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke dengeen, die deze draagt, onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed lijken, dat wij, vóór iemand anders er heengaat, er ons heen begeven om te zoeken. Wij zullen dien zeker vinden, daar ik dien ken en als wij dien gevonden hebben, wat zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien in onze beurs te steken en naar de tafels der wisselagenten te gaan, welke altijd vol zijn van grossen en florijnen? En dan zullen wij er van nemen, zooveel wij willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons verrijken zonder den ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk de slakken doen. Toen Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen zij te glimlachen en deden, of zij zeer verbaasd waren en prezen den raad van Calandrino, maar Buffalmacco vroeg, welken naam die steen had. Calandrino, die weinig hersens had, was de naam ontschoten. Daarom antwoordde hij: Wat hebben we met dien naam te maken, als wij de kracht er van kennen? Laten wij hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, hoe ziet hij er uit? Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, maar allen zijn haast zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die zwart zijn. Laat ons daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno tot Buffalmacco gewend: Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is nu het uur niet, daar de zon hoog is en recht op de Mugnone valt en het net is of de steenen verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor de zon ze gedroogd heeft zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, daar het heden werkdag is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden raden, wat wij gingen doen; wellicht zou de steen hun in handen komen en wij zouden den draf door den galop verloren hebben. Dus is het beter morgen te gaan, omdat men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is het dan feestdag en niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van Bruno en Calandrino vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij den volgenden zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino verzocht hen beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden dit te doen, vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van Bengodi en bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze verlaten had, spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen.
Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den dag op en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de San Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen zoeken. Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig overal, waar hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en bewaarde dien op zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af en toe ook een op. Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de borst vol van, toen hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan het lichaam gesloten was en maakte daarvan een wijden zak door ze over zijn leeren gordel te slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel een zak te hebben gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno zagen, dat Calandrino geheel beladen was en toen het etensuur naderde, zeide Bruno tot Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem dichtbij zag, keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: Ik weet het niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: het doet er weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om te eten en ons tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den Mugnone te gaan zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, zei toen Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo dwaas waren hem te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn geweest te gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt gevonden? Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de steen hem in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet zagen. Ten zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder iets te zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco dit zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien, dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik.
Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem te hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op die wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier van de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich naar zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de grap zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door de stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote, monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap en een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen en begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer thuis brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino merkte, dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte vrouw, zijt gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: ik zal het je betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van de verzamelde steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren aan zijn voeten en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen kon, gaf hij haar overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd te laten of één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets met gevouwen handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen Calandrino, nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam achterop en toen zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak ransel, dat hij zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, riepen zij hem. Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde zich aan het venster en verzocht ze boven te komen. Zij hielden zich eenigszins verstoord, gingen naar boven en zagen de kamer vol steenen en in een der hoeken de vrouw met loshangende haren, gehavend, doodsbleek, het heele gelaat verminkt, droevig huilende en in een anderen hoek Calandrino met gescheurde kleeren en hijgend als een afgemat mensch. Toen zij dit een oogenblik hadden aanschouwd, zeiden zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat gij bouwen, dat wij hier zooveel steenen zien? En wat scheelt monna Tessa? Het schijnt, dat gij haar hebt geslagen. Wat is dat voor fraais? Calandrino, vermoeid door het steenen dragen, de woede, waarmee hij zijn vrouw had geslagen, en door de smart over het geluk, dat hij meende te hebben verloren, kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden. Buffalmacco ging voort: Calandrino, als gij een andere reden tot toorn hadt, hadt gij ons toch niet voor den gek moeten houden, want gij hebt ons er toe gebracht met U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons zonder een woord tot God of den duivel te spreken in de Mugnone als een paar mallen achtergelaten en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer kwalijk nemen, maar zeker zal het de laatste grap zijn, die gij met ons uithaalt. Bij die woorden deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen: Metgezellen, wordt niet boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had dien steen gevonden en wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen gij mij de eerste maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen afstand van U en daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt, ging ik voor U de stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit gegaan. En nu vertelde hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan en gezegd en toonde hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en ging voort: Toen ik de poort inging met al die steenen, werd er niets gezegd en gij weet, hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te kijken. Ook kwam ik op straat verscheidene buren en vrienden tegen, die mij altijd aanspreken en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half woord zeiden, alsof zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam heeft die duivelsche, vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe vrouwen elk voorwerp hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den gelukkigsten man van Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb haar daarom zooveel geslagen, als ik maar kon en ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur, waarop ik haar zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer aanwakkerde, wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en Bruno deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat Calandrino zeide en hadden zoo’n grooten lachlust, dat zij haast stikten, maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw wilde slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de donna er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen van de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd had, op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem dat geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt vallen of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen. En na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen.
[
Inhoud
]
Vierde Vertelling.
De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.
Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen; deze begon: Waardige donna’s. Hoe de priesters, de broeders en alle geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, die ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, doch, daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende.
Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen, heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar twee broeders, welopgevoede en hoffelijke jongelieden. De provoost van de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich niet bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij haar dit mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem ook te beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel aan hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet mocht lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de slimme vrouw:
Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet, hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen, toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen, maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk zag komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en zij besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor zij er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, wat de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te doen en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij een paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen dadelijk naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar te spreken. Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij een verheugd gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat hij haar veel had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna na een diepen zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen kasteel bestaat zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, eens wordt genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo om mij gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt, de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en om u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden zij geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer kunnen wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; ik heb geen echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar zullen wij samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna antwoordde: Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht en dag thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; daarom kan dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme en in het donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit wilt doen, zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, maar de hunne is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje kan gezegd worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed voor een of twee nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons gemak zijn. De donna sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één ding bid ik u, dat dit geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: Madonna, twijfel daar niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij vanavond te zamen zijn. De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te hebben gezegd, hoe en wanneer hij zou komen, ging hij heen.
Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit de kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte groot was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met hen te drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met hem op weg en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te zijn gegaan, waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot genoegen van een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden de jongelieden: Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, dat gij u verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, dat het u zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De bisschop antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, ging voorop en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar de kamer, waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich gehaast tot ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor vermoeid en door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen de jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, werd bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde hem zeer en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, met wie hij geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, werd ook door de schande de treurigste man ter wereld; na zich op bevel des bisschops gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden om een groote boete te doen onder goede bewaking. Later wilde de bisschop weten, hoe het kwam, dat hij met Ciutazza had geslapen. De jongelieden vertelden hem alles. Toen de bisschop dit had gehoord, prees hij de donna en ook de jongelieden, die zonder zich met het bloed van den priester te bevlekken hem hadden behandeld, zooals hij het verdiende. De bisschop legde hem veertig dagen kerkerstraf op, maar de liefde en de woede deden hem die negen en veertig dagen beklagen. Behalve dat kon hij sinds dien tijd nooit uitgaan zonder door de kinderen te worden bespot met: Kijk daar heb je hem, die met Ciutazza sliep, wat voor hem zoo hinderlijk was, dat hij er haast gek van werd. En op die manier raakte de donna den last van den vervelenden provoost kwijt en verdiende Ciutazza het hemd en een goeden nacht.
[
Inhoud
]
Vijfde Vertelling.
Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit.
Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u is thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat hij gereed was en begon: Verrukkelijke donna’s. De jongeling, waarvan Elisa u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert mij aan een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel er uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin zooveel stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen.
Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter bij de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, zagen zij, dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat de planken, waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat men er met gemak hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot zijn kameraden: Laten wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want dat gaat best. Ieder van de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk was. Den volgenden morgen kwamen zij terug en daar het gerechtshof vol menschen was, ging Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de bank en begaf zich juist onder de plaats, waar de rechter de voeten zette. Maso, die den rechter aan den eenen kant genaderd was, nam hem bij een slip van zijn toga en Ribi, die van den anderen kant kwam, deed het zelfde en Maso sprak: Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid u bij God, dat gij, eer die spitsboef, die daar aan uw zijde staat, weggaat, mij door hem een paar schoenen doet terug geven, welke hij van mij gestolen heeft en toch zegt hij van niet, en ik zag nog geen maand geleden, dat hij ze opnieuw liet zoolen. Ribi van den anderen kant schreeuwde hard: Edelachtbare, geloof hem niet, want hij is een bedrieger en omdat hij weet, dat ik hier gekomen ben om een valies op te eischen, dat hij van mij heeft weggenomen, is hij hier gekomen en praat van de schoenen, die ik pas sinds eergisteren in huis heb. En als gij mij niet gelooft, zal ik tot getuigenis brengen la Trecca, die naast mij woont en la Grassa, de dikke pensverkoopster en iemand, die het vuil ophaalt van Santa Maria tot Verzaja, die ze zag, toen hij van het dorp terugkeerde. Maar van zijn kant liet Ribi hem niet uitspreken, maar schreeuwde ook en ging nog meer te keer. Terwijl de rechter rechtop stond om beter te hooren, nam Matteuzo de kans waar, stak de hand door een scheur van de planken en trok zeer hardhandig het achterstuk van de broek van den rechter omlaag. Onmiddellijk viel de broek neer, daar de rechter mager en zonder heupen was. Hij voelde iets, maar wist niet wat het was en wilde de broek optrekken, zich weer bedekken en gaan zitten, doch Maso hield hem aan den eenen en Ribi aan den anderen kant vast en zij riepen luid: Messere, gij beleedigt mij door mij niet aan te willen hooren en weg te willen gaan. Zulke kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze gemeente.
En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, dat allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder te zijn opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, zeide: Bij God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, die de toga losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug komen, als gij het niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als zij konden weg. Mijnheer de rechter, die zijn broek had opgetrokken in tegenwoordigheid van iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker werd, de grap en vroeg, waar die twee heengegaan waren, die gevraagd hadden naar de schoenen en het valies, maar daar men ze niet terugvond, zwoer hij bij de darmen van God zelf, dat hij wilde weten of het te Florence gewoonte was aan rechters de broek uit te trekken, wanneer zij zetelden in het gestoelte der justitie. De schout, die dit hoorde, maakte veel kabaal, maar toen zijn vrienden hem hadden uiteengezet, dat dit alleen was geschied om hem aan te toonen, dat de Florentijners wisten, dat hij dwazen had gebracht, omdat hij die goedkooper kon krijgen, waar hij behoord had rechters te brengen, vond hij het beter te zwijgen en ditmaal had die zaak daarom geen verder gevolg.
[
Inhoud
]
Zesde Vertelling.
Bruno en Buffalmacco stelen van Calandrino een zwijn. Zij geven hem hoop het weer te vinden met gemberpillen en witten wijn en geven hem er twee van, als die voor de honden in aloë gekonfijt en het schijnt hem, dat hij het zelf heeft geroofd. Zij laten hem er voor betalen, indien hij niet wil, dat zij het aan zijn vrouw zeggen.
De novelle van Filostrato, waarover zeer werd gelachen, was nog niet uit of de koningin beval aan Filomene, dat zij zou volgen, die aldus begon: Genadige donna’s. Daar Filostrato door den naam Maso er toe werd aangetrokken de geschiedenis te vertellen, die gij hebt gehoord, zoo ben ik er toe geneigd door die van Calandrino en zijn metgezellen U een andere van hen te vertellen, die, naar ik geloof, U zal behagen.
Het is niet noodig, dat ik U zeg, wie Calandrino, Bruno en Buffalmacco waren, omdat gij daarvan genoeg hebt gehoord en daarom zeg ik alleen, dat Calandrino een klein buiten had niet ver van Florence, dat hij van zijn vrouw als bruidschat ontvangen had. Onder de inkomsten, die hij daaruit trok, kreeg hij elk jaar een varken. Het was zijn gewoonte in December met zijn vrouw daar heen te gaan en het varken te slachten en in te zouten.
Calandrino ging eens, toen zijn vrouw alleen was, alleen het zwijn slachten. Toen Bruno en Buffalmacco wisten, dat zijn vrouw niet mee ging, begaven zij zich naar een priester, een zeer goed vriend van hem, een buurman van Calandrino om een dag of wat bij hem door te brengen. Calandrino had den morgen, toen zij aankwamen, het varken gedood. Toen hij ze bij den pastoor zag, riep hij ze en sprak: Wees welkom en ziet, hoe goed ik het huishouden kan waarnemen. Na ze in huis te hebben geleid, toonde hij hun het varken. Zij zagen, dat het zeer mooi was en hoorden van hem, dat hij het voor zijn huishouden wilde inzouten. Bruno sprak: Wel, wat zijt gij dom! Verkoop het en laat ons van het geld plezier hebben en zeg aan Uw vrouw, dat men het gestolen heeft. Calandrino antwoordde: Neen, dat gelooft ze niet en ze zou mij het huis uitjagen; dat doe ik nooit. Zij praatten genoeg, maar het hielp niets. Calandrino noodigde hen gulweg tot het avondmaal uit; zij gingen evenwel weg. Bruno zeide tot Buffalmacco: Willen wij vannacht dat varken van hem stelen? Buffalmacco antwoordde: Och, hoe zullen wij dat kunnen? Bruno sprak: Hoe, dat weet ik wel, als hij hier maar niet weggaat. Buffalmacco zeide: Laten wij het dan doen? En later zullen we er met den pastoor plezier van hebben. De pastoor zeide, dat het hem zeer beviel. Toen sprak Bruno: Men moet hier een weinig listig te werk gaan; gij weet, Buffalmacco, hoe gierig Calandrino is en hoe hij gaarne drinkt, als een ander betaalt. Laat hem naar een taveerne brengen en daar zal de pastoor doen, of hij alles betaalt om ons en hem eer te bewijzen. Hij zal zich dronken drinken en dan zullen wij onze kans waarnemen, omdat hij alleen thuis is. Zoo gezegd, zoo gedaan. Calandrino, die zag, dat de priester betaalde, begon duchtig te drinken en hoewel hij er niet veel van noodig had, nam hij er toch een goede lading van in en daar het al laat was, toen hij de taveerne verliet, trad hij binnen zonder te eten, geloofde de deur gesloten te hebben, liet die open en ging naar bed.
Buffalmacco en Bruno gingen met den priester avondmalen en daarna namen zij zekere gereedschappen mede om heimelijk in het huis van Calandrino binnen te dringen, waar Bruno het had aangewezen. Toen zij de deur open vonden, haakten zij het varken af, droegen dit naar het huis van den pastoor, en gingen slapen. Calandrino, dien de wijn uit het hoofd was gegaan, stond ’s ochtends op en toen hij beneden was, keek hij, zag het varken niet en de deur open. Daarom vroeg hij aan iedereen of ze het varken gezien hadden en toen hij het niet vond, schreeuwde hij: Wee mij, ongelukkige! Bruno en Buffalmacco stonden op en gingen naar Calandrino om te hooren, wat hij van het varken zou zeggen. Zoodra hij hen zag, zeide hij klagend: Wee mij, mijn vrienden, het varken is mij ontroofd. Bruno sprak zachtjes: Het is een wonder, dat gij één keer wijs zijt geweest. Wee mij, riep Calandrino, want wat ik zeg, is waar. Vertel dit maar, sprak Bruno, en schreeuw het zoo hard, dat het schijnt, dat het zoo is gebeurd. Calandrino klaagde toen nog harder en zeide: Bij het Lichaam van God, ik zeg de waarheid, en Bruno hernam: Zeg dat maar en indien gij het zoo wilt vertellen, schreeuw dan hard en doe denken, dat het waar is. Calandrino sprak: Gij zult mij aan den duivel overleveren. Gij gelooft mij toch niet; ik zal opgeknoopt worden, als het niet geroofd is. Toen sprak Bruno; Kijk, hoe is dat mogelijk! Ik zag het nog gisteren. Meent gij mij te kunnen wijs maken, dat het gestolen is? Calandrino sprak: Het is, zooals ik u zeg. Hè, hernam Bruno, hoe kan dat zijn! Zeker, zeide Calandrino, zoo is het, en ik weet niet, hoe ik naar huis zal komen. Mijn vrouw zal mij niet gelooven en als zij het toch doet, zal ik het heele jaar geen vrede meer met haar hebben. Toen sprak Bruno: God beware mij, het is leelijk genoeg, maar gij weet, Calandrino: ik raadde u gisteren aan aldus te spreken en ik zou niet willen, dat gij tegelijkertijd uw vrouw en ons voor den mal houdt. Calandrino begon te schreeuwen: Wel, waarom maakt gij mij wanhopig en doet mij God en de heiligen en al, wat er is, lasteren. Ik zeg u, dat het varken vannacht van mij gestolen is.
Toen sprak Buffalmacco: Als het toch zoo is, moeten wij een middel zien te vinden om het terug te hebben. En welk middel, sprak Calandrino, is er dan? Buffalmacco hernam: Er is zeker niemand uit Indië gekomen om het varken van u te stelen; het moet dus een van uw buren geweest zijn en als gij die bijeenroept, zal ik de brood- en kaas-proef nemen en wij zullen dadelijk zien, wie het gestolen heeft. Ja, sprak Bruno, gij zult wel de proef kunnen doen, want een uit den omtrek moet het gestolen hebben, maar men zal het gewaar worden en niet hier komen. Hoe moeten wij dan doen? sprak Buffalmacco. Bruno antwoordde: We moeten ze uitnoodigen en goeden, witten wijn met gemberpillen te drinken geven. Ze zullen er dan niet aan denken en aldus zullen wij de gemberpillen kunnnen zegenen zoo goed als het brood en de kaas. Buffalmacco zeide: Dat is goed en gij, Calandrino, wat zegt gij er van? Wat zullen wij doen? Calandrino sprak: Ik bid U er om bij de liefde tot God. Want als ik wist, wie het gestolen heeft, zou ik al half getroost zijn. Goed, hernam Bruno, ik ben bereid daarvoor naar Florence te gaan, indien gij mij geld geeft. Calandrino had misschien veertig stuivers, welke hij hem gaf. Bruno, die naar een intiemen vriend te Florence ging, kocht een pond flinke gemberpillen en liet er twee van het soort voor honden maken, die hij in deeg van aloë liet doen. Hij liet ze vervolgens in suiker rollen evenals de anderen en om ze niet te verwarren gaf hij ze een merk. Hij kocht een flesch goeden witten wijn, keerde in het dorp naar Calandrino terug en zeide: Gij moet morgen degenen bij U te drinken vragen, tegen wien gij argwaan hebt; het lijkt dan een feest; iedereen zal gaarne komen en ik zal vannacht met Buffalmacco de bezwering over de pillen uitspreken en uit vriendschap voor U zal ik zelf alles uitvoeren. Calandrino deed dit.
Toen hij een heel gezelschap van florentijnsche jongelieden en van boerenarbeiders had verzameld, ging hij den volgenden morgen voor de kerk bij den olm staan, en kwamen Bruno en Buffalmacco daar met een schotel pillen en met den wijn en na ze in een kring geplaatst te hebben, zeide Brano: Heeren, ik moet U de reden zeggen, waarom gij hier zijt, opdat, als er iets onaangenaams voorvalt, gij U niet zult beklagen. Aan Calandrino werd gisteren een mooi varken ontstolen en men weet niet, wie het heeft gedaan en daar een van ons het moet hebben weggenomen, geeft hij om dien te ontdekken U deze pillen en dezen wijn. Wie het varken stal, zal de pil niet opeten, maar die zal hem bitterder smaken dan venijn. Hij zal haar uitspuwen en opdat die schande hem in tegenwoordigheid van zoovelen zal aangedaan worden, is het daarom misschien beter, dat diegene het boetvaardig aan den pastoor zegt. Elk van hen zeide, dat hij gaarne de pil wou slikken; daarom, nadat Bruno Calandrino tusschen hen geplaatst had en hij bij een der uiteinden van den kring aanving, gaf hij er ieder een. Toen hij tegenover Calandrino stond, nam hij een der hondenpillen en gaf hem die. Calandrino deed die snel in zijn mond en begon te kauwen, maar zoodra zijn tong de aloë proefde, die de bitterheid niet kon verdragen, spuwde hij die uit. Zij keken elkaar aan om te zien, wie de zijne zou uitspuwen en daar Bruno nog niet klaar was met het uitdeelen en deed of hij er niet op lette, hoorde hij achter zich zeggen: He, Calandrino wat is dat? Hij keerde zich snel om, zag, dat Calandrino de zijne had uitgespuwd en zeide: Wacht, misschien deed een andere reden hem die uitspuwen; neem een andere en nadat hij de tweede genomen had, stopte hij hem die in den mond en gaf de tweede rond, die hij nog had.
Zoo de eerste aan Calandrino bitter leek, scheen de tweede nog bitterder, maar toch schaamde hij zich die uit te spuwen. Hij hield haar kauwend in den mond hoewel met tranen in de oogen, daar het hem zeer pijnlijk scheen. Eindelijk kon hij het niet meer uithouden, en spuwde die ook uit. Buffalmacco liet het aan het gezelschap en Bruno drinken; dezen, die dit met de anderen te samen merkten, zeiden, dat Calandrino het zeker zelf had gestolen en er waren er onder, die hem dit hevig verweten. Maar toen Bruno en Buffalmacco met Calandrino waren achter gebleven, zeiden zij tot hem: Wij waren er wel zeker van, dat gij het zelf hebt gedaan en dat gij ons hebt willen wijs maken, dat het u ontstolen was om geen rondje te geven van het geld, dat gij daaruit geslagen hebt. Calandrino, die de bitterheid van de aloë nog niet had uitgespuwd, begon te zweren, dat hij het niet had gedaan. Buffalmacco zeide: Maar wat hebt gij er voor gehad, grappenmaker, te goeder trouw? Hebt gij er zes florijnen aan verdiend? Calandrino, die dit hoorde, begon te wanhopen. Hierop sprak Bruno: Hoor, Calandrino, in het gezelschap was er iemand, die zeide, dat gij hier een jonge vrouw tot uw beschikking hield en haar alles geeft en dat hij vast geloofde, dat gij dien het varken gestuurd hebt; gij kunt anderen goed misleiden. Gij hebt ons eens naar de Mugnone gebracht om zwarte steenen te verzamelen en toen gij ons op de galei hebt gezet zonder scheepsbeschuit, zijt gij er vandaan gegaan. Met uwe eeden gelooft gij op een andere manier ons wijs te maken, dat het varken, hetwelk gij hebt weggeschonken of verkocht hebt, u is ontstolen. Wij kennen nu uw grappen en gij zult ze ons niet meer leveren en daarom, om u de waarheid te zeggen, hebben wij die proefneming gedaan, daar wij wenschen, dat gij ons twee paar kippen geeft of wij vertellen alles aan monna Tessa. Calandrino, die zag, dat het niet werd geloofd en genoeg leed had, wilde niet den naijver van zijn vrouw op den koop toe hebben en gaf hun twee paar kippen. Toen zij het varken hadden gezouten, droegen zij het naar Florence en lieten Calandrino met de schade en misleid achter.
[
Inhoud
]
Zevende Vertelling.
De donna’s moesten erg lachen om dat ongeluk van Calandrino en zij zouden dit nog meer hebben gedaan, als het hen niet gespeten had, dat hem bovendien nog de kapoenen werden afgenomen. Bij het einde gelastte de koningin Pampinea te vertellen en zij begon aldus: Zeer geliefde donna’s. Het gebeurt heel dikwijls, dat list met list wordt overwonnen en daarom is het niet verstandig zich er in te verheugen anderen te misleiden. Wij hebben bij vele geschiedenissen over de uitgehaalde streken gelachen, maar nooit werd daarin gesproken van wraakoefening. Nu ben ik van plan met medelijden te spreken over een rechtvaardige boete, waarin een onzer burgeressen een grap haast met den dood moest betalen, daar deze zelf misleid werd en de list zich tegen haar keerde. Dat te hooren zal voor u van groot nut zijn, omdat gij u wel zult hoeden anderen te misleiden en voorzichtigheid te betrachten.
Ik ben hier heden niet vergeefs gekomen, want als ik mij niet vergis, zal ik een haantje bij den snavel hebben genomen. Zij begon hem te begluren en deed haar best hem te toonen, dat zij op hem gesteld was. Want zij dacht, dat hoe meer zij hem inpakte en behagen in hem toonde, hoe meer haar schoonheid op prijs zou worden gesteld. De geleerde student, die de wijsgeerige gedachten terzijde had gesteld, richtte zijn gansche ziel tot haar meenend, dat hij haar bekoorde. Hij wist er verschillende redenen voor te vinden haar huis voorbij te gaan. De donna door de al genoemde oorzaak was er zoodoende zeer trotsch op en liet blijken, dat zij hem gaarne zag. De student vond aldus een middel zich met haar dienstmeid te verstaan, openbaarde haar zijn liefde en bad haar, dat zij zoo zou te werk gaan, dat hij de gunst der donna zou verwerven. De meid beloofde dit, vertelde het haar donna, die haar met het grootste gelach aanhoorde en zeide: Ziet, waar die zijn verstand ging verliezen, dat hij van Parijs heeft meegebracht! Laten wij hem geven, wat hij zoekt en gij moet hem zeggen, dat ik hem veel meer bemin dan hij mij, maar dat het mij past mijn eerbaarheid te bewaren, zoodat ik niet als de andere donna’s met ontbloot gelaat kan loopen en hij zal, als hij zoo wijs is, als hij zegt, mij zeer op prijs stellen. O die ongelukkige! Zij wist niet goed, mijn donna’s, hoe gevaarlijk het is zich met de studenten in verbinding te stellen.
De meid vond hem, en zeide, wat de donna haar had gelast. De student richtte verheugd warmer smeekbeden tot haar en schreef brieven, zond geschenken en dat alles werd goed ontvangen, maar hij kreeg slechts een vaag antwoord en zoo hield zij hem langen tijd aan het lijntje. Toen zij ten slotte alles aan haar minnaar had bekend, die er een weinig boos en jaloersch over was, zond de donna om te toonen, dat zijn wantrouwen ongegrond was, haar meid naar den student, die het haar zeer lastig maakte en berichtte uit haar naam, dat zij nooit gelegenheid had gehad zijn verlangen te bevredigen, sinds hij haar van zijn liefde had verzekerd, maar dat hij den volgenden avond—het was Kerstfeest—als het donker was, op haar binnenplaats zou komen en dat zij dan, zoo gauw zij kon, naar hem toe zou komen. De student meer dan welgemoed ging op den vastgestelden tijd naar het huis van de donna en werd door de meid op de binnenplaats gelaten; zij sloot die en hij wachtte de donna af. De donna had dien avond haar minnaar laten komen om aangenaam met hem te vertoeven, vertelde hem, wat zij van plan was te doen en voegde er bij: Nu kunt gij zien, hoe groot de liefde is, die ik hem toedraag, op wien gij dwaas jaloersch zijt geworden. De minnaar hoorde die woorden met groot genoegen aan verlangend te zien door daden, wat de donna hem met woorden te verstaan gaf. Het had juist dien dag sterk gesneeuwd en alles was blank, zoodat de student nog pas kort op de binnenplaats zich kouder begon te gevoelen dan hem lief was maar in afwachting, dat hij zich zou herstellen, hield hij dit geduldig uit. De donna sprak na eenigen tijd tot haar minnaar: Laat ons in de kamer gaan om uit een venster te zien, wat hij doet op wien gij zoo jaloersch geworden zijt en wat hij aan de dienstmeid zal antwoorden. Beide gingen dus naar een klein venster en toeziende zonder zelf gezien te worden, hoorden zij de meid uit een ander tot den student spreken en zeggen: Rinieri, mevrouw is de bedroefdste donna van de wereld; vanavond is een van haar broeders gekomen en heeft druk met haar gesproken; daarna wilde hij met haar avondmalen en is nog niet weggegaan. Maar ik geloof, dat hij spoedig zal heengaan. Zij kan natuurlijk niet komen; zij zal het zoo vlug zij kan doen en zij bidt, dat het U niet hindert te blijven wachten. De student, die geloofde, dat dit waar was, antwoordde: Gij moet aan mijn donna zeggen, dat zij zich over mij niet bezorgd maakt, voordat zij op haar gemak bij mij kan komen, maar dat zij dit zoo spoedig doet, als zij kan. De meid begaf zich naar binnen en ging slapen.
Toen sprak de donna tot haar minnaar: Welnu, wat zegt ge? Gelooft gij, dat, ik als ik wilde, wat gij vreest, zou dulden, dat hij daar beneden bleef om te bevriezen? Na die woorden ging zij met haar minnaar, die al ten deele tevreden was, naar bed. Zij vierden samen feest, smaakten genoegen, lachten om den ongelukkigen student en maakten er grappen op. De student, die door den binnenhof op en neer ging, maakte bewegingen om zich te verwarmen, maar had niets om te gaan zitten of om zich te beveiligen tegen den ijzel en vervloekte het lang vertoeven van den broeder en bij elk geluid, dat hij hoorde, geloofde hij, dat het de donna was, die hem zou opendoen; maar hij hoopte tevergeefs. Zij, die zich tot op de helft van den nacht met haar minnaar had verheugd, zeide tot hem: Hoe lijkt het je, mijn ziel, met onzen student? Wat schijnt U grooter zijn verstand of de liefde, die ik U toedraag? Zal de koude, die ik hem heb doen lijden, U dat uit het hart doen gaan, wat er door mijn woorden eergisteren in is gekomen! De minnaar antwoordde: Hartedief, ja, ik erken nu, hoe gij mijn schat zijt, mijn rust, mijn vreugde en al mijn hoop, gelijk ik de Uwe ben. En de donna sprak: Kus mij duizendmaal om te zien of gij de waarheid zegt. De minnaar omhelsde haar daarna innig en kuste haar geen duizend, maar wel honderdduizend keer. En toen zij zoo eenigen tijd gesproken hadden, zeide de donna: Kom, laat ons een weinig opstaan en laat ons gaan kijken of het vuur al wat gebluscht is, waarvan mijn nieuwe minnaar schreef, dat hij den ganschen dag brandde. En opgestaan gingen zij naar het venster en keken op de binnenplaats, waar zij den student met korte passen, terwijl zijn tanden klapperden, door de sneeuw zagen loopen, wat bij hem door te veel koude veroorzaakt werd, en zoo voortdurend en snel, dat zij nog nooit iets dergelijks gezien hadden. Toen sprak de donna: Wat zegt gij nu, mijn zoete hoop? Schijnt het U, dat ik de mannen kan laten dansen zonder trompet of doedelzak. De minnaar sprak hierop lachend: Ja, mijn heerlijk genoegen. De donna hernam: Ik wil, dat wij beneden naar de deur gaan, gij zult U stil houden, ik zal met hem spreken en wij zullen hooren, wat hij zeggen zal en wij zullen misschien niet minder pleizier hebben dan straks door hem te zien. Zij maakte de kamer zachtjes open, daalde af tot de deur en daar zonder die te openen riep de donna hem met gedempte stem door een gat, dat zij er was. De student, die roepen hoorde, prees God en geloofde al te licht binnen te mogen komen en deur genaderd sprak hij: Hier ben ik, madonna; bij God, doe open, want ik sterf van koude. De donna sprak: O ja, ik weet, dat gij een koukleum zijt en de koude is ook zeer groot, omdat er wat sneeuw is gevallen. Ik weet ook, dat dit veel erger gebeurt te Parijs. Ik kan U nog niet open doen, omdat die verwenschte broeder van mij, die gisteravond hier bij mij kwam, nog niet vertrekt, maar hij zal spoedig gaan en dan zal ik U dadelijk open doen. Ik ben pas met groote moeite hem ontvlucht om U te bemoedigen, dat het wachten U niet zal hinderen. De student sprak: Och madonna, ik bid U bij God, dat gij mij open zult doen, opdat ik gedekt kan staan; er is sinds kort hier de dichtste sneeuw van de wereld gevallen en ik zal op U wachten, tot het U aangenaam zal zijn. De donna zeide: Wee mij, mijn zoetelief, ik kan niet, want die deur maakt zoo’n leven, als zij opengaat, dat gij allicht bemerkt zult worden door mijn broeder, als ik U open doe. Maar ik zal hem zeggen, dat hij weg gaat, opdat ik daarna kan terugkeeren om U te openen. De student hernam: Ga dan vlug, en ik smeek U een goed vuur aan te leggen, opdat ik, als ik binnen zal komen, mij kan verwarmen, daar ik zoo koud ben geworden, dat ik mij zelf ternauwernood gevoel. De donna sprak: Dat kan niet zoo wezen; als het waar is, wat gij mij meermalen hebt geschreven, dat gij geheel van liefde brandt. Maar ik ga nu weg, wacht en houdt goeden moed. De minnaar, die dit alles hoorde en het grootste genoegen had, ging met haar weer naar bed, maar zij sliepen weinig dien nacht; daarentegen brachten zij dien geheel door met hun genoegen en in het bespotten van den student. De ongelukkige student (die wel een ooievaar geleek, zoo klapperde hij met de tanden) bemerkte, dat hij voor den gek was gehouden en beproefde verschillende malen of hij de deur kon openen, maar toen hij geen middel zag en als een leeuw in de kooi rondliep, vervloekte hij de ruwheid van het weer, de boosaardigheid van de donna, de lengte van den nacht en zijn onnoozelheid er bij en zeer verwoed op haar veranderde de langdurige en vurige liefde, die hij haar had toegedragen in wreeden en bitteren haat en bedacht hij zich te kunnen wreken, wat hij nu evenveel meer verlangde, als hij de donna eerst had begeerd.
De nacht na een zoodanig en lang verblijf spoedde ten einde en de dageraad begon op te komen. Daarom ging de dienstmeid op bevel van de donna naar beneden, opende die half en medelijden met hem voorgevend, sprak zij: Dat hij, die gisteravond gekomen is, een ongeluk krijgt. Hij heeft ons den geheelen nacht in wanorde gebracht en U doen bevriezen. Maar weet gij wat? Draag het in vrede, want wat deze nacht niet heeft kunnen wezen, zal een andere keer gebeuren, daar het niet kon geschieden, wat zoo aangenaam is voor mevrouw. De verwoede student, die als verstandig man wist, dat bedreigingen slechts wapenen voor den bedreigde zouden zijn, verkropte, wat de onbeteugelde wil wenschte uit te storten en met zachte stem zonder zich kwaad te toonen, zeide hij: Ik heb werkelijk den ergsten nacht van mijn leven doorgebracht, maar ik heb wel gezien, dat de donna er geen schuld aan heeft, omdat zij uit medelijden naar beneden kwam om zich te verontschuldigen en mij te troosten en gelijk gij zegt, wat deze nacht niet gebeurd is, komt een andere keer; beveel mij haar aan en ga met God.
Zoo goed als geheel verstijfd, ging hij, zoo gauw hij kon, naar huis; daar, vermoeid en stervend van slaap, wierp hij zich te bed om te rusten, en hij stond op of hij zijn armen en zijn beenen verloren had. Daarom zond hij om een dokter, vertelde hem van de koude, die hij doorleden had en liet hem voor zijn gezondheid zorgen. De dokter, die sterke en snel werkende middelen gebruikt had, kon hem ternauwernood na korten tijd de spieren genezen en maken, dat die zich zouden ontspannen en als hij geen jongeling geweest was en er geen warmte gevolgd was, zou hij veel te lijden gehad hebben. Maar toen hij weer sterk en flink was, verborg hij zijn haat en toonde zich meer dan ooit op zijn weduwe verliefd. Nu gaf de fortuin na een zeker verloop van tijd den student een gelegenheid om zijn verlangen te voldoen, omdat de jongeling, die door de weduwe bemind werd, (en die niet meer lette op de liefde, die zij hem toedroeg) op een andere donna verliefd werd en daar hij noch veel noch weinig wilde zeggen, noch in iets haar aangenaam wilde zijn, verging zij in tranen en in bitterheid. Maar haar meid, die zeer veel medelijden met haar had en geen middel vond om haar donna te troosten over de smart, die zij wegens den verloren minnaar voelde, zag den student op zijn gewone wijze door de straat gaan, kwam op een dwaze gedachte namelijk, dat de minnaar van haar donna door zwarte kunst haar opnieuw als vroeger zou liefhebben en dat de student hierin een groot meester was en zij vertelde haar dit. De donna dom, zonder te denken, dat, als de student de zwarte kunst had gekend, hij die voor zich gebruikt zou hebben, richtte haar geest naar die woorden en zeide haar meid, dat zij van hem zou te weten komen of hij dat wilde doen en beloofde stellig, dat zij om de verdienste daarvan voor haar zou doen, wat haar mocht behagen. De meid deed de boodschap goed en met ijver, en toen de student dit hoorde, zeide hij verheugd in zich zelf: God, wees geloofd; de tijd is gekomen, dat ik met Uw hulp de booze vrouw zal doen boeten voor de beleediging mij aangedaan. En tot de meid zeide hij: Zeg, aan mijn donna, dat, zoo haar minnaar in Indië was, ik die spoedig zou doen komen en genade laten vragen voor wat hij tegen haar mocht gedaan hebben, maar wat het middel betreft, dat zal ik haar zeggen, wanneer en waar het haar zal behagen.
De meid bracht het antwoord over en regelde het zoo, dat zij samen kwamen in Santa Lucia del Prato. Toen de donna met de student alleen was en zij samen spraken, herinnerde zij zich niet, dat zij hem haast vermoord had, vertelde hem alles, wat zij verlangde en smeekte hem om haar geluk. De student sprak tot haar: Madonna, het is waar, dat onder de dingen, die ik te Parijs leerde, de zwarte kunst behoort, die ik grondig ken, maar omdat die Gode zeer ongevallig is, heb ik gezworen die nooit voor mij noch voor anderen aan te wenden. Het is waar, dat mijn liefde voor u zoo sterk is, dat ik u niets kan weigeren en als ik naar het huis van den duivel moet gaan, ben ik om u bereid dit te doen. Maar ik herinner u er aan, dat dit een gevaarlijker zaak is dan gij denkt, wanneer een vrouw een man of een man een vrouw, haar of hem er weer toe brengt hem of haar lief te hebben zonder wederliefde en dat de ander zeker van zich zelf moet zijn, daar het bij nacht moet gebeuren en op eenzame plaatsen, waartoe ik niet weet of gij wel bereid zijt. Hierop antwoordde de donna meer verliefd dan verstandig: Amor prikkelt mij zoo, dat ik alles zou doen om hem terug te hebben, die mij ten onrechte verliet, maar in ieder geval zeg mij, welken moed ik moet hebben.
De student, die kwaad gezind was, sprak: Madonna, ik moet een beeld van tin van hem hebben om hem te heroveren; wanneer ik u dit terugzend, moet gij, als de maan zeer afneemt, naakt in een beek van stroomend water gaan in den tijd van den eersten slaap en geheel alleen en zeven maal moet gij dit met u baden en daarna naakt moet gij op een boom klimmen of op een onbewoond huis en naar het noorden gewend moet gij zekere woorden uitspreken, die ik u geschreven zal geven. Zoodra gij die gezegd hebt, zullen twee der schoonste jonge dames tot u komen. Zij zullen u groeten en bekoorlijk vragen, wat gij wilt. Aan hen zult gij al uw wenschen mededeelen en pas er voor op, dat gij niet den eenen in plaats van den anderen naam noemt. Zoodra gij die gezegd hebt, zullen zij heengaan en gij zult neerdalen naar de plaats, waar gij uw kleeren hebt gelaten, u aankleeden en naar huis terug keeren. En voorzeker, het zal niet de helft van den volgenden nacht worden of uw minnaar zal klagend hier komen om genade en dan zal hij u nooit om een andere vrouw verlaten. De donna, die hem vertrouwde, scheen haar minnaar al opnieuw in de armen te hebben en zei al half gelukkig: Ik twijfel er niet aan, of ik zal alles goed volbrengen en ik ben er geheel toe bereid, want ik heb een buiten boven den Val d’Arno, dat dicht genoeg bij den oever van de rivier is en het is juist Juli, wat voor het baden aangenaam zal zijn. En ik herinner mij, dat daar niet ver vandaan een eenzame toren is, waar soms de herders langs de treden van kastanjehout op een terras komen om naar hun verdwaalde beesten uit te zien, een zeer eenzame plek; daar zal ik opklimmen en hoop te doen, wat gij mij hebt bevolen.
De student, die het buiten en den toren kende en blij was zeker van haar voornemen te zijn, sprak: Madonna, ik was nooit in dien omtrek, en ik ken daarom noch het buiten noch den toren, maar als dat is, gelijk gij zegt, kan het niet beter. Als het tijd is zal ik u het beeld en de tooverspreuk zenden en ik zal u goed hebben gediend, zoodat gij aan mij zult denken en uw belofte aan mij zult houden. De donna zeide, dat zij dit zonder twijfel zou doen en nadat zij van hem afscheid had genomen, ging zij naar huis terug. De student verheugd, dat, wat hij overlegd had, zou slagen, maakte een beeld en schreef een verzinsel van tooverwoorden als bezwering, zond die aan de donna en liet haar berichten, dat zij den volgenden nacht zonder verwijl zou doen, wat hij gezegd had. Daarna ging hij met een van zijn bedienden naar het huis van een zijner vrienden, dat dicht bij den toren was om zijn plan ten uitvoer te brengen. Ook de donna begaf zich met haar meid naar haar buiten en toen de nacht was gekomen en zij deed of ze naar bed ging, zond zij de meid ter ruste en in het uur van den eersten slaap, stil uit het huis gegaan, begaf zij zich in de buurt van den toren naar den oever van de Arno. Nadat zij goed had rond gekeken, niemand zag of hoorde, ontkleedde zij zich, legde haar goed onder een struik, baadde zich zevenmaal met het beeld en daarop naakt, met het beeld in de hand, ging zij naar den toren. De student, die bij het aanbreken van den nacht met zijn knecht tusschen wilgen en andere boomen bij den toren verborgen was en alles zag, had toch medelijden, toen zij geheel naakt voorbij ging en haar aanschouwde, die met de blankheid van haar lichaam de duisternis van den nacht overwon en toen hij naderbij de borst en de onderdeelen van haar gestalte gewaar werd en zoo schoon vond en bedacht, wat daar mee zou gebeuren. Van den anderen kant overviel hem opeens de prikkeling van het vleesch, die hem deed oprijzen en hem dreef uit zijn schuilhoek te gaan, haar te nemen, zijn begeerte te bevredigen en hij was bijna door zijn gevoelens overwonnen. Maar toen hij zich herinnerde wie hij was en de ontvangen beleediging en waarvoor en door wie, ontvlamde zijn toorn weer, verjoeg hij het medelijden en de vleeschelijke begeerte en liet haar gaan. De donna, die op den toren was geklommen en zich naar het noorden had gekeerd, sprak de opgegeven woorden uit. De student klom kort daarop heimelijk in den toren, nam zachtjes den ladder weg, waarmee de donna op het terras was gekomen en wachtte. De donna begon nu de twee jonge meisjes af te wachten en bleef zoo lang, (zonder dat de koelte van den nacht haar langer scheen) tot ze de dageraad zag aanbreken. Bedroefd, omdat niet gebeurd was, wat de student haar had gezegd, sprak zij tot zich zelf: Ik vrees, dat die mij een nacht heeft willen bezorgen als ik aan hem, maar als hij dit heeft gewild, heeft hij zich slecht weten te wreken, want die duurt slechts het derde van den zijne, terwijl de koelte van een ander soort was. En opdat de dag haar daar niet zou vinden, wilde zij van den toren afdalen, maar vond er den ladder niet. Toen, alsof de wereld haar onder de voeten was weggerukt, viel zij bewusteloos op het terras van den toren neer. Nadat haar krachten terugkeerden, begon zij ellendig te weenen en te klagen en nu zij begreep, dat dit de toeleg van den student was geweest, herinnerde zij zich een ander beleedigd te hebben en hem daarna te veel te hebben vertrouwd, dien zij zeker als haar vijand had moeten beschouwen en zoo bleef zij daar langen tijd. Toen rondziende of er een weg was om af te dalen, dien zij niet vond, begon zij opnieuw te klagen en zeide tot zichzelf: O ongelukkige, wat zullen Uw broeders, en familie en buren en alle Florentijnen zeggen, wanneer men weet, dat gij hier naakt gevonden zijt? Uw eerbaarheid, tot hiertoe standvastig, zal men kennen als valsch en als gij hiervoor leugenachtige verontschuldigingen wilt zoeken, die er toch niet zijn, zal de vervloekte student U niet laten liegen. Ach ongelukkige, die gij zijt, die op hetzelfde oogenblik den vergeefs beminden jonkman en Uw eer hebt verloren. Zij werd zoo bedroefd, dat zij zich van den toren wou werpen. Maar daar de zon al op was, naderde zij dicht een der randen van den muur van den toren en keek of daar niet een herdersknaap met zijn kudde naderde, dien zij naar haar meid kon sturen. Maar de student, die aan den voet van een struik wat had geslapen, stond op, zag haar en zij hem. De student sprak tot haar: Goeden dag, mevrouw. Zijn de jonge dames nog gekomen? De donna begon opnieuw zeer te klagen en smeekte hem, dat hij in den toren kwam, opdat zij hem kon spreken. De student was daartoe beleefd genoeg. De donna, die zich plat op den buik had gelegd, stak alleen het hoofd over den rand van den uitgang en sprak weenend: Rinieri, indien ik U een slechten nacht heb bezorgd, hebt gij U wel op mij gewroken, omdat ik, hoewel het Juli is, dezen nacht, daar ik geheel naakt was, meende te bevriezen. Buitendien heb ik zoo gehuild over Uw bedrog en mijn dwaasheid, dat het een wonder is, hoe mijn oogen mij nog in het hoofd zijn gebleven. En daarom bid ik U niet om mij, die gij niet kunt liefhebben, maar om U zelve als edelman, dat dit U voldoende is als wraak over de beleediging, die ik U heb aangedaan. Laat mij mijn kleeren brengen, opdat ik hier afkom en ontneem mij niet, wat gij mij later niet kunt teruggeven, namelijk mijn eer. En als ik U er van heb beroofd dien nacht met mij samen te zijn, zal ik, wanneer gij wilt, U er velen voor dien eenen teruggeven. Laat het U als een waardig man genoeg wezen U te hebben gewroken en het mij te hebben doen gevoelen; oefen Uw kracht niet uit jegens een vrouw, want het is geen eer voor een adelaar een duif te hebben overwonnen; daarom bij de liefde van God en bij Uw eer, heb medelijden met mij.
De student, die met wreede ziel zich de ontvangen beleediging herinnerde en haar zag schreien en smeeken, had tegelijk vreugde en verdriet; vreugde over de wraak, die hij meer dan iets anders had verlangd en verdriet, daar de barmhartigheid hem bewoog medelijden met haar te hebben. Maar toch, daar deze niet de wreedheid van zijn begeerte kon overwinnen, antwoordde hij: Madonna Elena, indien mijn smeekbeden (welke ik weliswaar niet kon baden in tranen noch honingzoet kon maken als gij thans de Uwen) mij hadden doen bereiken in den nacht, dat ik in Uw hof vol sneeuw stierf van koude, dat ik alleen een weinig onder dak kwam, zou het mij nu licht vallen de Uwen in te willigen. Maar indien gij thans meer om Uw eer geeft dan vroeger en als het U zoo pijnlijk is daarboven naakt te blijven, richt dan die beden tot hem, in wiens armen gij geen vrees hadt gedurende den nacht, welke gij U herinnert, naakt te zijn gebleven, terwijl gij wist, dat ik klappertandend op Uw binnenplaats heen en en weer liep en in de sneeuw stampvoette en laat u door hem helpen, laat door hem uw kleeren halen, laat door hem den ladder aanbrengen om af te dalen, tracht hem barmhartigheid in te boezemen met uw eer, dien gij niet geaarzeld hebt zoowel thans als duizend andere keeren in gevaar te stellen. Waarom roept gij hem niet om u te hulp te komen? Gij zijt de zijne en wie zal hij beschermen of helpen, als hij u niet behoedt of van dienst is? Roep hem, gekkin, die gij zijt, en bewijs, dat de liefde, die gij hem toedraagt, en dat uw slimheid en de zijne u van mijn onnoozelheid kunnen bevrijden naar aanleiding van welke, toen gij u met hem verheugde, gij gevraagd hebt, wat hem grooter scheen: mijn dwaasheid of de liefde, die gij hem hebt toegedragen. Gij kunt thans niet welwillend zijn voor wat ik niet verlang, noch het weigeren, als ik het verlangen zou. Behoudt de nachten voor uw minnaar, als gij hier levend vandaan mocht komen. Uw nachten behooren aan hem: ik heb van één te veel en het is mij voldoende ééns te zijn bespot. En bovendien, gij gebruikt al uw slimheid met praten om mijn welwillendheid te verkrijgen door te vleien en gij noemt mij een ridder en heimelijk poogt gij mij te leiden, opdat ik als edelmoedig man zal ophouden u te straffen voor uw boosheid. Maar uw vleierijen zullen thans mijn geestesoogen niet verduisteren gelijk uw oneerlijke beloften vroeger het deden. Ik ken mijzelf; ik heb nooit zooveel daarvan geleerd, toen ik in Parijs was als gij mij in één enkelen nacht er van hebt doen ervaren. Maar ondersteld, dat ik toch edelmoedig zou zijn, zijt gij niet van degenen op wie edelmoedigheid invloed kan hebben. Het einde van de straf bij wilde dieren gelijk gij er een zijt en evenzoo van de wraak moet de dood zijn, waar bij menschen genoeg is, wat gij wilt. Daarom, hoewel ik geen adelaar ben, en gij geen duif, daar ik u ken als een vergiftige slang, wil ik als een zeer oude vijand u vervolgen met al mijn haat en al mijn kracht, met al datgene, wat ik u doe en wat men niet zoozeer wraak kan noemen, maar veeleer kastijding, in zooverre, dat de wraak de beleediging zou moeten overtreffen, wat hier niet zal gebeuren. Daarom als ik mij zou willen wreken, wanneer ik er aan denk, aan welk uiterste gij mij hebt blootgesteld, zou uw leven mij niet voldoende zijn, indien ik het u zou ontnemen noch honderd anderen aan het uwe gelijk, omdat ik een gemeen en verdorven en slecht vrouwspersoon zou dooden. En wat duivel—indien het beetje schoonheid van uw gelaat binnen weinig jaren door rimpels verdwenen zal zijn, zijt gij meer dan een of andere jammerlijke dienstmeid, die haast een edelman had doen sterven, wiens leven op één dag van meer nut kan zijn dan honderdduizend van uw soort het kunnen wezen, zoolang als de wereld zal bestaan. Ik zal u leeren door de smart, die gij hebt te verduren, wat het is mannen te bespotten, die een gevoel in hun hart hebben, en om studenten voor den gek te houden en ik zal u de gelegenheid geven niet meer tot zulk een dwaasheid te vervallen, indien gij er nu aan ontkomt.
Maar als gij zulk een groot verlangen hebt om af te dalen, waarom werpt gij u dan niet op de aarde? Dan zult gij tegelijk met Gods hulp uw hals brekend uit de kwelling raken, waarin gij zijt en mij tevreden stellen. Thans wil ik u niets meer zeggen; ik heb u naar boven laten klimmen, ziet gij thans maar naar beneden te komen, gelijk gij het spotten verstond. Terwijl de student dit zeide, schreide de ongelukkige donna voortdurend en de tijd verstreek met het stijgen van de zon. Maar toen hij zweeg, zeide zij: Zie, man zonder hart, als die vervloekte nacht zoo smartelijk voor je was en mijn misstap u zoo groot schijnt, dat noch mijn jeugdige schoonheid, noch mijn bittere tranen, noch mijn nederige smeekbeden uw medelijden opwekken, laat u dan tenminste bewegen en uw strenge hardheid verminderen daardoor alleen, dat ik mij u opnieuw heb toevertrouwd en u elk geheim heb geopenbaard, waarmee ik u de gelegenheid heb gegeven mij mijn zonde te doen beseffen, want had ik dat niet gedaan, dan hadt gij geen middel kunnen vinden u te wreken. Ach, laat die toorn varen en vergeef mij voortaan, ik ben, wanneer gij mij wilt vergeven, bereid den oneerlijke jonkman geheel te verlaten en u alleen tot minnaar te hebben en tot heer, hoewel gij mijn schoonheid hebt gelaakt en zeide, dat die van korten duur was en niet veel waard. Hoedanig mijn schoonheid ook is, ik weet, dat, als die van andere vrouwen, indien zij voor u om niets anders waarde heeft, deze toch een verlangen is en een tijdverdrijf en een genot voor de jeugd en gij zijt niet oud. En hoewel ik door u wreed ben behandeld, geloof ik niet, dat gij zulk een smadelijken dood wilt zien mij als een wanhopige hier af te werpen voor uw oogen, dien ik, als gij geen leugenaar zijt geworden, vroeger zoo heb bekoord. Ach, heb medelijden met mij om Gods wil. De zon begint al te heet te worden en gelijk de koelte van den nacht mij hinderde, begint mij de warmte zeer te kwellen.
Hierop antwoordde de student, die er genoegen in had dit gesprek te verlengen: Madonna, uw vertrouwen bleef niet in mijn handen om de liefde, die gij mij hebt toegedragen, maar om dien te herkrijgen, die gij hadt verloren en daarom verdient het nog grooter straf. En gij denkt dwaas, dat dit de eenige weg was, die voor mijn wraak open was. Ik had er duizend anderen en duizend strikken had ik om uw voeten gespannen, terwijl ik veinsde u lief te hebben, en het kon slechts kort duren, dat gij er niet in hadt moeten geraken. En gij zoudt door allen in grooter kwelling en schande zijn dan die u thans te beurt vielen. En ik heb deze gekozen niet om u te verlichten maar om eerder tevreden te zijn. En als alle deze mij hadden ontbroken, had mij de veder nog niet in den steek gelaten, waarmee ik op zoodanige wijze Uw daden zou beschreven hebben, dat gij ze u herinnert zóó, dat gij duizendmaal per dag zoudt wenschen niet geboren te zijn. De krachten van de pen zijn veel grooter dan zij meenen, die het niet uit ervaring weten. Ik zweer God (en Hij moge begeeren, dat deze wraak, die ik op mij neem, bij het eind er van verheugen zal en evenzoo als het begin), dat ik zoo over u zal schrijven, dat gij u niet alleen zult schamen voor anderen, maar ook voor u zelve en om u zelf niet te zien u de oogen zult willen uitsteken en verwijt daarom de zee niet aangegroeid te zijn uit een kleine beek. Dat gij de mijne wordt, daarom bekommer ik mij niet; behoor slechts aan hem, van wien gij geweest zijt, als gij kunt. Gelijk ik hem vroeger heb gehaat, ben ik hem nu welgezind om hetgeen hij u thans heeft gedaan. Gij wordt verliefd op jongelieden, omdat zij wat meer kleur hebben, wat donkerder baard, omdat zij meer rechtop loopen, dansen en wapenspelen uitvoeren; maar het is ook hun eigen, die wat ouder zijn en die weten, wat zij nog hebben te leeren. En bovendien acht gij hen beter ruiters, omdat zij meer mijlen per dag afleggen dan rijpere mannen, en ik weet wel, dat zij met meer kracht de rokken uitschudden, hoewel de ouderen beter de plaatsen weten, waar de vlooien zitten en het is veel beter het weinige en smakelijke te kiezen dan het vele en smakelooze en het harddraven breekt en vermoeit, hoe jong men ook is, terwijl het zacht gaan, hoewel wat later, rustig naar de herberg voert. Gij bemerkt niet evenals de dieren, hoeveel kwaad er onder zoo weinig uiterlijke schoonheid verborgen is. De jongelieden zijn met een niet tevreden, maar verlangen er zooveel zij zien als hunner waardig; daarom kan hun liefde niet standvastig zijn en gij kunt er thans een zeer ware getuigenis van geven. Het schijnt hun, dat zij waard zijn door de donna’s ontzien en geliefkoosd te worden en kennen geen grooter glorie dan zich te beroemen op degenen, die zij gehad hebben, welk gebrek er velen beneden de monniken stelt, die het tenminste niet weer over vertellen. Hoewel gij zegt, dat Uw liefde niet bekend is dan aan Uw meid en aan mij, weet gij dit slecht en gelooft het zelf ook niet. In haar straat en in de Uwe spreekt men van niets anders, maar de meeste keeren is de laatste, wiens ooren dit bereikt, degene, met wien dit plaats had. De jongelieden berooven U bovendien, terwijl de anderen U geschenken geven. Gij hebt dus slecht gekozen; behoor aan hem, aan wien gij U hebt gegeven en laat mij, dien gij bespot hebt, aan anderen over, want ik heb een veel beter donna dan gij gevonden, die mij beter kent. En opdat gij naar de andere wereld een grooter zekerheid van het verlangen van mijn oogen kunt meenemen dan gij in deze toont te bezitten uit mijn woorden, werp U daarvoor dadelijk naar beneden en Uw ziel, reeds opgevangen in de armen van den duivel, zal kunnen gewaar worden of mijn oogen vochtig zullen worden, indien ik U zie neerstorten. Maar daar gij mij dit genoegen niet zult aandoen, raad ik U, als de zon U begint te verhitten U te herinneren, welk een koude ge mij hebt doen lijden; dan zult gij de zon zonder twijfel matiger gevoelen.
De troostelooze donna ziende, dat de woorden van den student tot een hard einde voerden, begon opnieuw te weeklagen en zeide: Zoo gij geen medelijden hebt, laat dan de liefde U roeren, welke gij draagt voor een donna verstandiger dan ik, die gij hebt gevonden en door welke gij bemint wordt en vergeef mij om de liefde tot haar. Geef mij mijn kleeren terug, opdat ik mij kan aankleeden en laat mij gaan. Toen begon de student te lachen en ziende, dat het derde uur al voorbij was, antwoordde hij: Kijk, ik kan nu niet weigeren, omdat gij mij dit om die donna gevraagd hebt. Wijs mij die en ik zal er heen gaan en U hiervan doen afklimmen. De donna, die dit geloofde, kreeg een weinig moed en wees hem de plaats, waar zij de kleeren gelegd had. De student uit den toren gegaan, gelastte aan zijn knecht, dat hij daar niet vandaan zou gaan, en dat niemand daar in zou gaan, eer hij was terug gekeerd en bij die woorden keerde hij naar het huis van zijn vriend terug en ontbeet daar op zijn gemak en toen ging hij slapen. De donna op den toren, hoewel door dwaze hoop een weinig bemoedigd, ging heel treurig zitten en aan dien kant van den muur, waar een weinig schaduw was. Hopend en wanhopend aan den student en de kleeren en van de eene gedachte op de andere overspringend, sliep zij in, alsof zij door smart overwonnen was en of zij in den afgeloopen nacht niet had gerust. De zon, die brandend was en al tot de middaghoogte gestegen, trof recht haar naakt, teeder, fijn lichaam en haar hoofd door niets bedekt met zooveel kracht, dat niet alleen het vel verbrandde maar het langzaam open ging en de hitte was zoo, dat zij, die in diepen slaap was, gedwongen werd op te staan. Terwijl zij zich voelde blakeren en zich wat bewoog, scheen het haar daarbij, dat de geheele verschroeide huid openging en barstte, gelijk wij dat zien gebeuren met brandend perkament, als men het daarna wil uitrekken en haar hoofd deed vreeselijk pijn. Het terras van den toren was zoo gloeiend, dat zij er met de voeten noch met een ander lichaamsdeel plaats kon vinden, zoodat zij zonder stil te kunnen staan dan hier dan daar huilend rond liep. En bovendien, daar er in ’t geheel geen wind was, waren er tal van muggen en vliegen, die zich op de open huid neerzetten en haar zoo pijnlijk staken, dat elk haar een prik met een naald scheen te geven, zoodat zij met de handen geen oogenblik rust had en zich zelf, haar leven, haar minnaar en den student vervloekte. Door duizend kwellende gedachten beangst en geprikkeld en gekwetst ging zij op de teenen staan om te zien of zij in den omtrek iemand gewaar werd, bereid, wat er ook van zou komen, hulp te vragen. Maar ook dit had het vijandige noodlot haar ontroofd.
De boeren waren allen door de hitte van de velden vertrokken, en er kwam bij, dat dien dag niemand daar in de buurt was gaan werken, omdat allen in hun huis aan het dorschen waren. Daarom hoorde zij niets anders dan den krekel en zag de Arno, die haar het verlangen schenkend naar zijn water, haar dorst niet leschte maar verergerde en op verschillende plaatsen zag zij bosschen, schaduwen en huizen, waar zij verlangde te wezen en die haar allen angst inboezemden. Wat zullen wij nog meer van de arme donna zeggen? De zon boven haar en de hitte van den bodem onder haar en de steken van de muggen en de vliegen rondom hadden haar van alle kanten in zulk een toestand gebracht, dat zij, die den vorigen nacht met haar blankheid de duisternis scheen te overwinnen, toen zoo rood was geworden als meekrap en nu bestreept met bloed, voor wie haar gezien zou hebben, de leelijkste vrouw ter wereld scheen en aldus niets anders dan den dood verwachtte. Toen de halve noen al voorbij was, stond de student uit zijn siësta op, dacht aan de donna en ging naar den toren terug om te kijken, hoe het met haar gesteld was en zond zijn knecht, die nog nuchter was, weg om te gaan eten. Toen de donna hem bespeurd had, zwak en angstig van de hevige kwelling, kwam zij op den rand van den ingang boven, ging zitten en begon schreiend te zeggen: Rinieri, gij hebt U wel verschrikkelijk gewroken, want indien ik U op mijn binnenplaats bij nacht deed bevriezen, hebt gij mij vandaag op dezen toren doen roosteren, zelfs verbranden en doen sterven van honger en dorst. Daarom bid ik U bij den eenigen God, dat gij naar boven komt en daar ik den moed niet heb mij zelf te dooden, schenk mij dien, want ik verlang dien meer dan iets anders, zoo groot en zoodanig is de marteling, die ik voel. En als gij mij die gunst niet wilt schenken, geef mij dan tenminste een beker water, dat ik mij den mond kan verkoelen, waartoe mijn tranen niet voldoen, zoo is de droogheid en de brand, die mij kwelt. De student herkende wel haar zwakheid aan haar stem en zag ook ten deele haar lichaam geheel geroosterd door de zon, zoodat hij door haar nederige gebeden wat medelijden met haar kreeg, maar toch antwoordde hij: Slechte vrouw, gij zult door mijn hand niet sterven, maar toch door de Uwe, als dit Uw wil is en gij zult zooveel water krijgen van mij voor de verlichting van Uw hitte als gij mij vuur hebt gegeven voor de verlichting van mijn koude. Een ding doet mij verdriet, dat de ziekte van mijn koude moest genezen met de hitte van vieze mest, terwijl Uw verhitting genezen zal met de koude van welriekend rozenwater en terwijl ik de spieren moest verliezen en het geheele lichaam, zult gij, verschroeid door die hitte zoo mooi blijven als de slang, die een oude huid heeft afgelegd.
O ongelukkige, die ik ben! zei de donna, mijn schoonheden gaf God nu aan hen, die mij kwaad willen doen, maar gij wreeder dan ieder wild dier, hoe hebt gij kunnen volhouden mij zoo te mishandelen? Ik zou niet anders te wachten hebben, als ik Uw familie onder de wreedste martelingen had vermoord. Welke ergere wreedheid zou men hebben aangewend jegens een verrader, die een heele stad aan een slachting had overgeleverd? Gij hebt mij in de zon laten roosteren en laten opeten door de muggen en bovendien hebt gij mij zelfs geen beker water willen geven; de moordenaars, die ter dood gebracht worden, geeft men dikwijls wijn te drinken, zoo zij er om vragen. Zie, daar ik merk, dat gij verhard blijft in Uw bittere wreedheid en mijn lijden U geenszins kan bewegen, bereid ik mij geduldig voor den dood te ontvangen, opdat God medelijden hebbe met mijn ziel, dien ik bid, dat Hij met rechtvaardige oogen Uw werk aanschouwe. En bij die woorden sleepte zij zich met groote moeite naar het midden van het terras, wanhopend de zoo brandende hitte te ontkomen en niet eens, maar duizend maal behalve van haar andere kwellingen, meende zij van dorst te sterven, schreide onophoudelijk weer en jammerde over haar ongeluk. Maar daar het al vesper was en de student meende genoeg te hebben gedaan, liet hij haar kleeren halen en in den mantel van den knecht wikkelen en ging naar het huis van de rampzalige donna, vond daar de meid mistroostig, treurig en radeloos aan de deur zitten, en sprak tot haar: Vrouw, wat is er met Uw donna? De meid antwoordde: Messire, ik weet het niet; ik geloofde haar vanmorgen in bed te vinden, waar zij gisteravond mij in scheen te zijn gegaan, maar ik vond haar noch hier, noch elders en ik weet ook niet, wat er van haar geworden is. Maar gij, messer, weet gij mij er niets van te zeggen? De student antwoordde daarop: Ik wou, dat ik U had, waar ik haar heb gehad, opdat gij voor Uw schuld zoo gestraft zoudt wezen, als ik het haar deed voor de hare. Maar gij zult zeker niet aan mijn handen ontsnappen, opdat ik U voor Uw werk betaal, zoodat gij nooit meer met een man zult spotten of gij zult aan mij denken. En toen zei hij tot den knecht: Geef haar die kleeren en zeg haar, dat zij naar haar toegaat, als zij wil. De knecht deed gelijk hem bevolen was; daarom vreesde de meid zeer, die ze had opgenomen en herkend en hoorde, wat haar gezegd was, dat zij haar hadden gedood en weerhield zich ternauwernood te schreeuwen. Dadelijk liep zij huilend, daar de student al vertrokken was, hiermee naar den toren. Bij toeval had dien dag een pachter van die donna twee varkens verloren en liep ze te zoeken. Kort na het vertrek van den student kwam hij bij den toren en overal rondstarend om zijn twee varkens te zien, vernam hij de jammerklacht, welke de ongelukkige donna uitte. Hij klom naar boven, en zoo hard hij kon schreeuwde hij: Wie huilt daar? De donna herkende de stem van haar pachter en na hem bij den naam geroepen te hebben, sprak zij: Zeg, ga naar mijn dienstmeid en doe wat mogelijk is om haar hier te laten komen. De boer, die haar kende, antwoordde: Wee mij, mevrouw, maar wie bracht U daarop? De meid zocht den heelen dag naar U, maar wie zou hebben gedacht, dat gij hier waart? En na de twee armen van den ladder te hebben gegrepen begon hij dien op te richten gelijk die staan moest en die te binden met koorden en dwarsstokken. Intusschen kwam de meid, die, in den toren gekomen, haar stem niet kon inhouden en met de hand voor het hoofd begon zij te schreeuwen: Wee mij, mijn goede mevrouw, waar is U? De donna hoorde haar en zeide zoo luid zij kon: O zusjelief, ik ben hierboven; huil niet, maar breng mij spoedig mijn kleeren. Toen de meid haar hoorde spreken, klom zij geheel bemoedigd op den ladder, dien de boer bijna geheel in orde had gemaakt en door hem geholpen, kwam zij op het terras en toen zij haar donna zag niet meer met een menschelijk lichaam maar eer als een verschrompeld blad van den wijnrank, geheel gebroken, geheel bleek en naakt op den grond liggend, begon zij met de nagels in het gezicht over haar te schreien of zij gestorven was. Maar de donna verzocht haar bij God te zwijgen en haar te helpen bij het aankleeden. En daar zij wist, dat niemand bekend was, waar zij zich bevond, behalve wie haar de kleeren hadden gebracht en de boer, die daar tegenwoordig was, bad zij bij God, dat zij er nooit iemand iets van zouden zeggen. De boer na veel praten, nam de donna, die niet loopen kon, op zijn nek en bracht haar veilig buiten den toren. De ongelukkige meid, die achter was gebleven en er minder voorspoedig af klom, gleed uit, viel van den ladder en brak zich de dij en door de pijn begon zij te brullen ais een leeuwin. De boer, die de donna had neergezet op op een weide, ging zien, wat de meid had en vond haar met gebroken dijbeen, legde haar ook op de weide en plaatste haar naast de donna. Toen zij zag, dat bij haar andere kwalen dit haar nog overkwam, dat die het dijbeen had gebroken, door welke zij hoopte geholpen te worden meer dan door anderen, begon zij bedroefd opnieuw zoo jammerlijk te weenen, dat niet alleen de boer haar niet kon troosten maar zelf van zijn kant begon te huilen. Daar de zon al laag stond, ging hij, opdat de nacht ze daar niet zou overvallen, gelijk het aan de mistroostige donna behaagde, naar zijn huis en na daar zijn twee broeders en zijn vrouw te hebben geroepen en met een plank te zijn teruggekeerd, legden zij de meid daarop en droegen haar naar huis en na de donna met frisch water te hebben versterkt en met goede woorden, nam de boer haar op zijn nek en droeg haar in haar kamer. De vrouw van den boer gaf haar gedrenkt brood te eten en na haar te hebben ontkleed, bracht zij haar te bed en zij spraken af, dat zij en de meid ’s nachts naar Florence zouden gebracht worden en zoo geschiedde het. Daar deed de donna, die een grooten voorraad leugens bij de hand had, haar broeders en zusters en iedereen gelooven, dat hun dit door duivelsstreken overkomen was. De doktoren werden geroepen en niet zonder zeer grooten angst en gevaar voor de donna, wier huid meermalen kleven bleef aan de lakens, genazen zij haar van een hevige koorts en van de andere ongelukken en evenzoo het dijbeen van de meid. Hierdoor behoedde zich de donna, die haar minnaar vergat, voortaan wijselijk zoowel voor misleiding als voor liefde. De student vernam, dat de meid het dijbeen gebroken had, wat hem een genoegzame wraak scheen. Dat geschiedde met de dwaze, jonge dame door haar grappen, die gedacht had met een geleerde te kunnen spelen als met ieder ander, niet beseffend dat zij—ik zeg niet allen—maar het meerendeel weten, waar Abraham de mosterd haalt. En daarom, donna’s, neemt u in acht, om in het bijzonder geen geleerden te misleiden.