Eerste Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
[
Inhoud
]
Eerste Vertelling.
Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna’s, dat de mensch van elk ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu ik als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van plan aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer gij dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk, omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite zijn en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij, die hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen verduren noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en diens wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit voor ons en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit Zijn eigen goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen, die—gelijk wij—stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden volgend, thans met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan hen dragen wij zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met onze zwakheid, de zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat wij zelf niet moedig genoeg zijn onze gebeden te brengen onder het oog van zulk een Rechter. En laten wij nog meer van Hem opmerken, die jegens ons vol vrome welwillendheid is, dat het ons misschien dan overkomt, daar hij de scherpte van het sterfelijk oog niet in de geheimen van den goddelijken geest kan inwijden, dat wij, bedrogen door onze meening, Hem van te voren tot pleitbezorger maken van een soort gedachte, welke door dien geest met eeuwige ballingschap is afgewezen. En toch verhoort hij, voor wien niets verborgen is en die meer let op de reinheid der bedoeling van den smeekende dan op zijn onwetendheid of op het afkeurenswaardige van zijn verlangen, hen die tot Hem bidden, alsof die onder zijn aanblik zalig waren. Dit zal duidelijk blijken uit de geschiedenis, die ik ga verhalen; duidelijk zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de meening der menschen is.
Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar hij zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten, (waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als verlangd werd en hij gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet en daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde, en hij er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader trouw zooveel processen als waar in hij geroepen werd onder eede de waarheid te spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij legde er zich sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en welke andere personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen ontstaan, en hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier hij er in had. Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere misdaad dan, zonder ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in; hij liet er zich best voor vinden met eigen handen meermalen menschen te wonden en te dooden. Hij was een groot lasteraar van God en de heiligen en bij de nietigste zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar de kerk en hij smaadde al haar sacramenten met afschuwelijke taal als booze dingen; daarentegen had hij de gewoonte naar kroegen en andere slechte plaatsen te gaan. Hij hield net zooveel van de vrouwen als de honden van een stok; hij gaf zich meer dan eenig ander treurig soort man aan tegennatuurlijke zonde over; hij pleegde roof met hetzelfde gevoelen, waarmee een vroom man geofferd zou hebben; hij was een vreeselijke vreter en zuiplap telkens, als een of andere keer hem iets hinderde, en een speler en een valsche dobbelaar. Waarom ik in zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de grootste schoelje was, die ooit werd geboren. De macht en den rang van messire Musciatto steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij menigmaal zoowel ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg beleedigde als door het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd werd.
Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd. Hierop antwoordde Ciappelletto zuchtend: “Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid te zeggen, vreezend, dat ik zal zondigen door zelfverheffing.” Toen sprak de heilige broeder: “Zeg gerust wat waar is, want noch in de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit.” Waarop ser Ciappelletto antwoordde: “Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam van mijn moeder kwam.” “Dat God U zegene!” sprak de broeder. “Dan hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn.” Hierop vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter, dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk hij deed. Daarop antwoordde de broeder: “Mijn zoon, deze zonden zijn natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten, hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken.”
“O,” hernam ser Ciappelletto, “mijn vader, zeg dat niet om mij te troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt.” De broeder voegde er zeer tevreden bij: “Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar, zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?” Toen sprak ser Ciappelletto: “Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt, omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn deel gebruikend voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter heb gedreven.” “Gij hebt goed gehandeld,” zei de broeder, “maar hebt ge U niet dikwijls boos gemaakt?” “O,” zeide de heer Ciappelletto, “dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen, de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch leven lijden dan een naar God gericht.” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?” Waarop sinjeur Ciappelletto antwoordde: “Wee mij, heer, gij schijnt mij een man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt, gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd: ‘Ga, opdat God U verbetere.’ ” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God U zegene, hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand, of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?” “Nooit, eerwaarde,” hernam ser Ciappelletto, “heb ik van anderen kwaad gesproken, al had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg, dat God er wel over zal oordeelen.” Dan sprak de broeder: “Goed zoo; je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand bedrogen gelijk kooplui dat doen?” “Bij God, ja, waarde heer, maar ik weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes.” De broeder sprak: “Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan.” En behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: “Mijnheer, ik heb nog één zonde, die ik U niet heb verteld.” De broeder vroeg welke en hij zei: “Ik herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde.” “O,” sprak de broeder, “mijn zoon, dat beteekent niet veel.” “Neen,” zei sinjeur Ciappelletto, “zeg dat niet, dat het goed is om den Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot het leven opstond.” Toen vroeg de broeder: “Hebt gij ook iets anders gedaan?” “Ja heer,” antwoordde sinjeur Ciappelletto: “ik heb eenmaal per ongeluk in Gods kerk gespuwd.” De pater begon te glimlachen en zeide: “Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die vroom zijn, spuwen er den ganschen dag.” Toen zeide ser Ciappelletto: “Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan de tempel, waarin men Gode offert.” En in het kort vertelde hij nog veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand, die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg: “Wat heb je, mijn zoon?” Ser Ciappelletto hernam: “Wee mij, heer, dat mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit zal vergeven, wat ik heb misdreven.” Toen vroeg de heilige broeder: “Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom gerust.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: “Wee mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit door God vergeven wordt.” Hierop gaf de broeder tot bescheid: “Zeg het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden.” Ser Ciappelletto klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op; hij slaakte een diepe zucht en zei: “Mijn vader, indien gij mij kunt beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden.” Toen hij dit gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: “Mijn zoon, schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij het U vergeven.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto: “Wee mij, mijn vader, wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven.” Toen de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had, gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man, alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen na dit alles zeide hij tot hem: “Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven.” Hierop antwoordde deze: “Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van Christus tot mij komt, wat gij ’s ochtends op het altaar heiligt: omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik, zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven.” De heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer, waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja, zij hadden elken keer zoo’n lust tot lachen, de dingen hoorend, die hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden: “Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen, kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals hij heeft geleefd.” Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had, zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, en dat zij zouden waken volgens gebruik, ’s avonds en ’s morgens, bij zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige broeder, die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was, onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere, goedgeloovige broeders op ingingen. Toen zij ’s avonds allen daarheen waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er een groote en plechtige nachtwake en ’s ochtends alle gekleed in hun doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop, gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren tot het luisterende volk zeide hij: “En gij, door God vervloekten, bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en de Madonna, en heel het hemelrijk.” Bovendien verhaalde hij veel van zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden, waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat, toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield, wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken, hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem aanbeveelt. Zoo leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen, dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo, dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen, die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof, aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen, dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard, terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden, en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij.
[
Inhoud
]
Tweede Vertelling.
Voor een deel lachten de donna’s om de vertelling van Pamfilo en over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen, wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig de gebreken verdraagt van hen, die en met daden en met woorden van die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, wat wij gelooven.
Aldus, genadige donna’s heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, was hij zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken, doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood: Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam: Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen, door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten, drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor geld verkochten en kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: “zorg voor aanstelling” en voor hebzucht den naam: “ondersteuning” gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen was—en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer hij daar vandaan terug keeren zou—maakten zij te samen een groot feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen in ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde.
[
Inhoud
]
Derde Vertelling.
Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te spreken:
De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen.
Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen, had in verschillende oorlogen en door zijn kolossale praal al zijn rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen bedienen, wanneer hij wilde.
Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: “Mijn waarde vriend, ik heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten, welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?” De Jood, die werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij:
“Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten, als hij kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u, o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van de drie ringen.” Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som, dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden.
[
Inhoud
]
Vierde Vertelling.
Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid.
Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus begon te vertellen:
Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft, dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder dat ik van U afkeuring hoef te verwachten.
Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster, heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen, welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte, minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte, toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem, dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had, zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen, als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht: Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht: het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag, dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was, niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was, en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was, leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem, maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart.
De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag, en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen de cel van binnen werd gesloten, was hij er absoluut zeker van. Hij ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde, dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken, maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen, wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk, dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven, dat zij haar meermalen lieten terugkomen.
[
Inhoud
]
Vijfde Vertelling.
Toen de geschiedenis door Dioneo verteld was, trof hij eerst het hart der luisterende donna’s, zoodat ze een weinig verlegen werden. Zij gaven daarvan het bewijs door den eerzamen blos, die op hun gelaat verscheen. Zij zagen elkander aan konden zich toch ter nauwernood van lachen onthouden en hoorden glimlachend toe. Nadat het slot ervan gekomen was en zij eenige zachte woorden hadden geuit, waarmee zij wilden doen blijken, dat zulke histories niet aan dames verteld mochten worden, beval de koningin, naar Fiametta gekeerd, die bij haar op het gras zat, dat zij den regel zou volgen. Deze begon vol gratie en met een vriendelijk gelaat:
Het staat mij aan, dat wij begonnen zijn met de vertellingen te bewijzen, hoe groot de kracht van schoone en juiste antwoorden is, en omdat de mannen een groote neiging hebben om steeds een donna te beminnen van veel hooger afkomst dan zij zelf en ook omdat de vrouwen een zeer groote voorzichtigheid kenmerkt om zich te kunnen behoeden tegen de liefde van een man hooger geplaatst dan zij, kwam ik er toe, schoone dames, in de historie welke ik nu moet vertellen, aan te toonen hoe een adellijke dame zoowel met daden als met woorden zich daartegen beschermde en er anderen van afhield.

De kippen van de markiezin.
1e Dag—5e Vertelling.
Daar de koning de plaats kende, waar hij was en wist, dat er overvloed van wildbraad moest zijn en hij van zijn komst van te voren de donna had verwittigd, had hij haar tijd gegeven om te laten jagen. Hoewel hij zich daar zeer over verwonderde, wilde hij haar over niets anders laten spreken dan over haar kippen en zich met vriendelijk gezicht tot haar wendend, zeide hij: “Worden er in dit land, mevrouw, alleen kippen geboren zonder één haan?”
De markiezin, die de vraag maar al te wel verstond, en daar het haar scheen, dat God haar volgens haar verlangen nu de gunstige gelegenheid had gegeven om haar opzet te doen blijken, antwoordde den koning en keerde zich naar hem in trotsche houding: “Neen, Sire, maar de vrouwen, hoewel zij als de kippen in tooi en rangorde verschillen, zijn hier van nature evenals elders.” Toen de koning die woorden begrepen had, doorzag hij al te wel de reden van het gastmaal met kippen en de beteekenis verborgen in dit antwoord. Hij werd er van overtuigd, dat aan zulk een dame alle woorden verspild waren en dat geweld hier niet gebruikt kon worden. Daarom vond hij het wijs zijn slecht ontvangen hartstocht bij hem te kwader ure ontbrand, tot zijn eigen eer te beteugelen. Zonder haar verder met opmerkingen te vervolgen, at hij bevreesd voor haar antwoorden, zonder eenige hoop op succes. Toen het afgeloopen was, bedankte hij haar voor de bewezen eer en wilde met een spoedig vertrek zoo gauw mogelijk zijn trouweloos bedoelde komst herstellen. Hij beval haar Gode aan en begaf zich naar Genua.
[
Inhoud
]
Zesde Vertelling.
Een oprechte leek straft door een aardige zet de huichelarij van de monniken.
Toen allen de waardigheid van de markiezin en de aardige kastijding van den Koning van Frankrijk geprezen hadden, begon Emilia, die naast Fiametta zat, en naar het de koningin behaagde, vrijmoedig te vertellen: Ik zal op mijn beurt spreken over een geestig en lofwaardig woord door een leek gericht tot een gierigen monnik.
[
Inhoud
]
Zevende Vertelling.
De bekoorlijkheid van Emilia en haar vertelling bewoog de koningin en alle anderen om over het nieuwe bijbelsche inzicht van den man met een kruis gebrandmerkt, te lachen en het te prijzen. Maar toen de lachbui eindelijk bedaard was, begon Filostrato, aan wien de beurt tot verhalen kwam, aldus te spreken: Het is een verdienstelijke zaak, waarde dames, met een teeken dat te brandmerken, wat nooit verandert, maar ook is het wonderlijk, wanneer iets ongewoons opeens zich voordoet en dan dadelijk door een boogschutter wordt geraakt. Het verdorven en liederlijke leven van de geestelijken, vaak een vast bewijs van voortdurende slechtheid, geeft gemakkelijk genoeg stof tot spreken. Die brave man deed goed, omdat hij den Inquisiteur en de huichelachtige weldadigheid der broeders geeselde, wien het goed dunkte die gift aan de armen te schenken, welke zij net zoo goed aan een zwijn hadden kunnen geven of weg smijten. Maar ik acht den man nog meer te prijzen, van welke ik moet spreken, wanneer ik hierbij aan de voorgaande vertelling denk. Deze heer, Cane della Scala, een best man, werd voor een plotseling opwellende gierigheid gestraft met een verhaal, dat zoowel op hem als op anderen sloeg, namelijk dit:
Gelijk de faam door de heele wereld het doet hooren, was die heer Cane della Scala, die in vele dingen zeer fortuinlijk was, een der meest geziene en vrijgevigste lieden, die men sinds Keizer Frederik de Tweede in Italië kende. Hij had het plan opgevat voor een merkwaardig en wonderbaar feest in Verona. Toen er vele lieden uit alle streken waren bijeengekomen en zeer velen van het hof van allerlei rang, zag hij (wat de reden er ook van zij) ineens van het feest af; ten deele onthaalde hij nog, die gekomen waren en liet ze weer heengaan. Slechts een, Bergamino genaamd, een man van wiens sierlijkheid en vaardigheid in het spreken men zich geen denkbeeld kon vormen zonder hem te hooren, bleef achter zonder iets te krijgen of verlof tot heengaan te ontvangen, en hoopte dat het feest nog zou plaats hebben en dat hij er nog bij zou noodig zijn. Maar monseigneur Cane wist, dat al wat men Bergamino gaf, net zoo goed in het vuur kon worden gegooid. Toch liet hij hem er niets van blijken door woord of daad. Bergamino, die na eenige dagen bemerkte, dat hij noch genoodigd noch gevraagd werd voor de zaak, waartoe hij gekomen was en die bovendien in het logement met zijn paarden en zijn knechts zijn geld verteerde, begon misnoegd te worden. Maar toch wachtte hij af, daar het hem nog niet goed scheen te vertrekken. Hij had drie kostbare kleedingstukken meegebracht, die hem door andere heeren gegeven waren om met eere op dat feest te verschijnen. Toen zijn waard betaling vroeg, gaf hij hem eerst één kleedingstuk, en toen besloot hij, indien hij nog langer bij zijn waard zou logeeren, hem het tweede te geven. Daarna begon hij op kosten van het derde geld te verteren, bereid nòg zoo lang te blijven als dat toereikend was.
Terwijl hij ten koste van het derde kleedingstuk bleef, stond Bergamino, terwijl monseigneur Cane middagmaalde, met een vrij misnoegd gezicht voor hem. Toen Cane dit zag, zei hij meer uit spotzucht dan om het genoegen een geestig woord van hem te hooren: “Wat heb je Bergamino? Je ziet er zoo kwaad uit; zeg mij het eens?” Daarop vertelde Bergamino zonder een oogenblik zich te bedenken, alsof hij echter lang had gepeinsd, naar aanleiding van zijn eigen geval, deze historie: “Gij moet weten, mijnheer, dat Primasseau een man was zeer bedreven in het Latijn en bovendien een zeer groot en vaardig dichter, wat hem zoo geëerd en beroemd maakte, dat, waar nog niet iedereen hem op het gezicht kende, door naam en faam elkeen toch wist wie Primasseau was. Eens bevond hij zich te Parijs in armelijken toestand, waarin hij meestentijds verkeerde, omdat zijn talent weinig gewaardeerd werd door lieden, die het wel konden doen. Hij hoorde daar van den abt van Cligny en men vertelde, dat hij meende na den Paus de rijkste prelaat aan inkomsten te zijn, die Gods Kerk had. Hij hoorde van hem wonderbare en zeer goede dingen vertellen, dat hij een hofhouding had en dat hij nooit had geweigerd te laten eten en drinken wie er ook om vroeg, mits het op zijn etensuur was. Toen Primasseau dat vernam, maakte hij plan, daar hij een man was, die gaarne menschen en edellieden van beteekenis zag, om de weelde van dien abt in oogenschouw te nemen en vroeg hoe ver hij van Parijs woonde. Men antwoordde hem hierop een mijl of zes vandaar op zijn landgoed. Primasseau meende er te kunnen zijn op het etensuur, als hij ’s ochtends vroeg wegging. Nadat hij zich dus den weg had laten wijzen, en niemand vond, die hem vergezelde, vreesde hij, te verdwalen en op een plaats te komen, waar hij niet zoo makkelijk te eten zou krijgen. Daartoe nam hij, om van den honger geen last te hebben, drie brooden mee en dacht, dat hij water, hoewel hij er niet van hield, wel overal zou vinden. Toen hij de brooden in den zak had gestopt, begaf hij zich op weg en de reis ging zoo goed, dat hij voor het etensuur kwam dáár, waar de abt woonde. Hij ging binnen en zag overal rond. Toen hij de groote menigte gedekte tafels had gezien en de kolossale toebereiding in de keuken en de andere dingen gereed voor het middagmaal, zei hij tot zichzelf: Dat is werkelijk prachtig, zooals beweerd wordt. Terwijl hij op dat alles lette, beval de hofmeester van den abt water aan te reiken voor de handen, omdat het etenstijd was. Hierna ging iedereen aan tafel. Toevallig werd Primasseau juist tegenover de deur geplaatst, waar de abt moest doorgaan om in de eetzaal te komen. Het was in dat huis gewoonte, dat men nooit aan tafel wijn of brood of iets anders te eten of te drinken opdroeg, voor de abt zich aan den disch had neergezet. Toen de hofmeester de tafel gedekt had, liet hij den abt zeggen, dat, wanneer het hem behaagde, het middagmaal gereed stond. De abt liet zijn kamer openen om in de zaal te gaan en zag toevallig onder het binnentreden als de eerste, die hem in het oog viel, Primasseau, die er tamelijk armelijk uitzag en dien hij van aanzien niet kende Toen de abt hem had opgemerkt, kwam hem onverwachts een slechte gedachte in den geest, die daarin nog nooit was opgerezen. Hij zei bij zich zelf: Kijk, wat voor lui, wien ik geef van het mijne! Hij keerde weer terug, beval, dat de kamer gesloten zou worden en vroeg aan hen, die bij hem waren of iemand dien vagebond kende, welke tegenover den uitgang van de kamer aan tafel zat. Iedereen antwoordde van neen. Primasseau had eetlust als iemand, die geloopen heeft en die niet gewoon was te vasten. Hij had al eenigen tijd gewacht en zag, dat de abt niet terug kwam. Toen haalde hij een der drie brooden uit zijn zak, die hij meegenomen had en begon te eten. Nadat de abt eenigen tijd weg was geweest, beval hij een van zijn lieden te zien of Primasseau was vertrokken. De bediende antwoordde: Neen, monseigneur, en hij eet brood, dat hij zeker mee heeft gebracht. De abt hernam: Als hij zijn brood nu eet, zal hij van het onze niets krijgen. De abt had gewild, dat Primasseau van zelf zou zijn weggegaan, maar wilde hem er niet uit laten gooien, Primasseau had al één brood gegeten, maar de abt kwam nog niet. Daarop begon hij het tweede te eten; dat werd ook aan den abt verteld, die weer had laten kijken of hij vertrokken was. Daar de abt maar niet kwam, begon Primasseau het derde brood te eten, wat ook aan den priester werd gemeld, die bij zich zelf begon te denken en te zeggen: Kijk, wat voor nieuwen inval heb ik gekregen? Wat een gierigheid! Wat een onwil! En om wien! Ik gaf het mijne te eten, reeds vele jaren, aan ieder, die wilde zonder op te letten of die edelman was of dorper, arm of rijk, koopman of afzetter en tal van bandieten heb ik voor mijn oogen zien zwelgen zonder dat ooit in mijn ziel de gedachte opkwam, die bij dezen man in mij rees. Die gierigheid zou mij zeker niet hebben overvallen, als hij geen bijzonder mensch was. Hij lijkt mij een bandiet, maar het moet een man van gewicht zijn, waar het mogelijk is, dat mijn geest zich zóó verzet hem aldus te ontvangen. Na deze gedachte wilde hij weten wie die man was en hoorde, dat hij Primasseau heette, daar gekomen om zijn weelde te zien, waarvan hij had vernomen. De abt, die hem al lang als een begaafd man had hooren noemen, schaamde zich en verlangend alles goed te maken, deed zijn best hem op allerlei wijze te onthalen. Na hem te laten eten, deed hij, gelijk het voor Primasseau behoorde, hem voornaam kleeden en na hem geld en paarden te hebben gegeven, kon hij gaan en staan, waar hij wilde. Primasseau hierover tevreden, dankte hem zooveel hij kon en keerde te paard naar Parijs terug, waaruit hij te voet was vertrokken.” Monseigneur Cane, die veel doorzicht had, begreep zonder verdere aanwijzing zeer goed, wat Bergamino bedoelde en zeide glimlachend: “Bergamino, je hebt mij genoeg je schade, je talent en mijn gierigheid doen kennen en, ook wat je van mij begeert en heusch, het is de eerste maal, dat ik een opwelling had van gierigheid, maar ik zal haar met den stok verjagen, dien jij mij hebt gegeven.” Na den waard van Bergamino betaald te hebben en hem met een zeer voornaam gewaad te hebben bekleed en hem geld en paarden te hebben gegeven, liet hij het aan hem over naar welgevallen heen te gaan of te blijven.
[
Inhoud
]
Achtste Vertelling.
Guiglielmo Borstere straft met een grappig woord de gierigheid van monseigneur Ermino de’ Grimaldi.
Naast Filostrato zat Lauretta, die, nadat zij de handigheid van Bergamino had hooren prijzen en merkend, dat aan haar de beurt van vertellen was, zonder eenig bevel af te wachten, aldus op bekoorlijke wijze begon te spreken:
Waarde metgezellen. De vorige vertelling drijft mij er toe U er mee te willen bekend maken hoe een waardig hoveling eveneens niet zonder vrucht de hebzucht van een zeer rijk koopman strafte. Mijn vertelling lijkt, wat de strekking betreft, op de voorgaande historie. Zij moet U er echter niet minder om wezen, als gij bedenkt, dat er ten slotte goeds uit voortkomt.
Er leefde dan in Genua lang geleden een ridder, Ermino de’Grimaldi genaamd, welke (naar hetgeen door allen geloofd werd) door zeer groote rijkdommen en gelden ver de rijkdom van alle andere zeer welgestelde burgers overtrof, die men toen in Italië kende. Gelijk hij elk overtrof met schatten, die Italiaan was, zoo was hij ook in gierigheid en karigheid iederen anderen schraper en vrek, die er op de wereld bestond, de baas. Niet alleen voor het onthalen van anderen hield hij de beurs gesloten maar bij zaken voordeelig voor hem zelf, stelde hij zich, om niets te verteren, aan groote ontberingen bloot tegen de gewoonte der Genueezen, die zich voornaam kleedden. Evenzoo deed hij met eten en drinken. Hierdoor en terecht was de eigennaam der Grimaldi’s vervallen en werd hij door ieder monseigneur Ermino Avarizia (Gierigheid) genoemd.
Terwijl hij door niets te verteren, het zijne vermenigvuldigde, kwam er eens te Genua een waardig, welgemanierd en welsprekend hoveling, Guiglielmo Borsiere genaamd, in niets gelijk aan de tegenwoordige ridders, die edellieden genoemd willen worden en als zoodanig bekend willen zijn zonder groote schaamte over hun verdorven en schandelijk leven.
Ze moesten liever ezels genoemd worden, omdat ze veeleer in de laagheid en slechtheid der gemeenste lui zijn opgevoed dan aan hoven. Het was in die tijden hun streven moeite te doen tot het sluiten van vrede, waar strijd of twisten tusschen edellieden waren ontstaan, huwelijken, familieverbindingen en vriendschap te doen sluiten, met schoone en aardige woorden de zielen der bedroefden te troosten, de hofkringen te amuseeren en met ernstige vermaningen vaderlijk de slechte lieden te onderhouden en dit belangeloos. Thans leggen zij er zich op toe hun tijd zoek te brengen met kwaad van elkaar te spreken, twist te zaaien, slechte en treurige dingen te vertellen en wat nog erger is ze openlijk te bedrijven en hun booze daden, schandalen en laagheden, waar of niet, elkaar voor de voeten te gooien en met drogredenen de goede menschen tot gemeene en schelmsche dingen te verleiden. En hij wordt het meest gewaardeerd en het meest door die ellendige en ontaarde heeren geëerd en met de grootste belooningen begiftigd, die de laagste woorden zegt of de gemeenste daden doet, tot groote schande en blaam voor de tegenwoordige wereld en als duidelijk bewijs, dat de deugden al op dit ondermaansche verdwenen zijn en de schelmsche en ellendelige stervelingen in een poel hebben achtergelaten.
Maar opdat ik den draad weer opvat, van welke ik door rechtmatige verontwaardiging verder ben afgeweken dan ik wilde, vertel ik U thans, dat voornoemde Guiglielmo door alle edellieden in Genua geëerd werd en zeer gezien was. Hij was daar eenigen tijd en hoorde veel van de schraperigheid en gierigheid van Ermino en was nieuwsgierig om hem te ontmoeten. Monseigneur Ermino had al gehoord, dat de heer Borsiere een voortreffelijk man was en daar hij bij al zijn gierigheid toch een vonkje wellevendheid bezat, ontving hij hem met zeer vriendelijke woorden en met een opgeruimd gezicht, liet zich over verschillende dingen met hem in en leidde gedurende het gesprek hem en eenige Genueezen, die mede waren gekomen, in een fraai, nieuw huis, dat hij had laten bouwen en toen hij hem dit alles vertoond had, sprak hij tot hem: Monseigneur Guiglielmo, U hebt toch veel gezien en gehoord, kunt U mij één ding toonen, dat men nog nooit zag om het in mijn huis te laten schilderen?
Guiglielmo antwoordde hem op zijn wonderlijke vraag: Mijnheer, ik geloof niet U iets te kunnen noemen, wat men nog nooit heeft gezien behalve het niesen of zoo iets; maar ik zou U wat willen noemen, dat U zelf (naar ik geloof) nog nooit hebt gezien.
En wat zou dat dan zijn? vroeg Ermino.
Laat de Hoffelijkheid uitschilderen, antwoordde Guiglielmo.
Bij die woorden voelde de heer Ermino zich plotseling bevangen door zulk een schaamte, dat die hem bewoog zijn geheele gezindheid te veranderen en hij antwoordde: Mijnheer Guiglielmo, ik zal die zoo laten schilderen, dat noch U, noch wie ook mij ooit weer zal kunnen verwijten, dat ik haar noch gezien, noch gekend heb. En van dien dag af werkten de woorden van Guiglielmo zoo sterk op hem, dat hij de vrijgevigste en joviaalste edelman werd van de wereld en vreemden en medeburgers met meer gastvrijheid ontving dan ieder ander Genuees.
[
Inhoud
]
Negende Vertelling.
De Koning van Cyprus, door een Gasconsche dame bestraft, wordt van een traag een werkzaam man.
Het laatste bevel van de koningin had betrekking op Elisa, die zonder dit af te wachten, zeer opgeruimd begon:
Jonge dames. Het gebeurt dikwijls, dat, wanneer vele berispingen en straffen bij iemand niet hielpen, een enkel woord per ongeluk—niet eens met opzet—gezegd, baatte. Wat duidelijk bleek uit de vertelling van Lauretta, zal ook ik U in het kort aantoonen. Want dit is iets, hetwelk goede menschen altijd verheugt, wanneer het door hen aandachtig wordt aangehoord, wie het ook vertelt.
De koning, die tot nu toe laksch en traag was geweest, leek uit een droom te ontwaken. Hij wreekte zich voor de dame op de strengste wijze over de haar aangedane beleediging en sinds dien tijd strafte hij zoo zwaar mogelijk, ieder die het waagde, de eer van zijn kroon aan te randen.
[
Inhoud
]
Tiende Vertelling.
Dokter Alberto van Bologna maakt op bedekte wijze een dame beschaamd, die hem voor den gek wil houden, omdat hij verliefd op haar is.
Nu Elisa zweeg, moest alleen de koningin nog vertellen, die met vrouwelijke gratie zeide:
Waarde jongelui: Gelijk in de lichtende avonden de sterren het sieraad des hemels zijn en in de lente de bloemen dit in de groene velden, zoo zijn de geestige woorden het bij lofwaardige manieren en in aangename gesprekken. Dezen passen, zoo zij kort zijn, beter aan de vrouwen dan aan de mannen, daar veel en lang spreken, indien dit niet noodig is, aan de dames meer dan aan de heeren misstaat, ofschoon er thans haast geen donna voorkomt, die een aardig woord kent of op een gezegde, indien ze het althans begrepen heeft, weet te antwoorden: Het is een algemeen gebrek van ons en van alle vrouwen, die thans leven. Die deugd, welke vroeger aanwezig was in den geest der voorvaderen hebben de nakomelingen op uiterlijken tooi overgebracht; zoo ook gelooft zij, die op haar lichaam meer gekleurd en geschakeerd laken en met veel strepen heeft, daardoor meer in aanzien en meer geëerd te zijn dan andere vrouwen. En zij denkt niet, dat een ezel nog veel meer strepen zou dragen, indien er maar iemand was, die ze hem van voren en van achteren aan deed, noch dat zij daarom ook niet meer dan een ezel geëerd behoeft te worden.
Ik schaam mij dat te zeggen, daar ik niet aan anderen beken, wat ik mij zelf verzwijg; die vrouwen zoo bont gekleed, zoo geschakeerd, zoo gestreept, staan of als marmeren beelden stom en ongevoelig of antwoorden niettemin, indien ze iets gevraagd wordt, zóó, dat het beter zou geweest zijn, dat ze hadden gezwegen. Zij maken zich wijs, dat het uit de reinheid der ziel voortkomt, wanneer dames en waardige mannen niet met elkaar weten te praten, en aan hun stompheid hebben zij den naam fatsoen gegeven, alsof slechts een dame fatsoenlijk zou zijn, die alleen met haar knecht of werkvrouw of bakkersvrouw praat. Maar indien de natuur dat gewild had, gelijk zij zich wijs maken, zou deze dit geestig praten wel op andere wijze beletten. Het is waar, dat hierbij als bij andere zaken in aanmerking genomen moet worden de tijd en de plaats en de persoon met wien men spreekt. Want het gebeurt menigmaal, dat een dame of heer gelooft met een geestig woord een ander te doen blozen, maar zijn of haar krachten tegenover die van een ander heeft overschat en de blos, welken hij bij anderen meende op te wekken, bij zich zelf voelde opkomen. Opdat gij u daarvoor weet te behoeden en bovendien, opdat men op u niet de volgende zegswijze kan toepassen, die men gewoonlijk overal gebruikt, namelijk dat de vrouwen in alles altijd het slechtst wegkomen, wil ik, dat gij deze laatste vertelling van dezen dag, welke ik moet verhalen, onthoudt, en opdat gij, die door zielenadel boven anderen uitmunt, ook door de voortreffelijkheid van uwe manieren boven anderen toont uit te steken.
Ik ben dikwijls bij het avondmaal geweest, waar ik de vrouwen wolfsboonen en prei zag eten. Hoewel de prei geen goed eten is, maar alleen de kop goed en lekker in den mond, houdt gij in het algemeen door een verkeerden smaak geleid den kop in de hand en eet gij het loof, dat niet alleen niet deugt, maar ook slecht smaakt. Zoo ik me niet vergis, doet gij bij het kiezen van Uw minnaars hetzelfde. Indien gij het niet doet, zal ik gekozen worden en de anderen zullen worden weggeworpen. De edelvrouw schaamde zich en ook de andere dames; zij zeide: Maëstro, gij hekelt onze bevooroordeelde denkwijze goed en hoffelijk; Uwe liefde is mij zeer dierbaar gelijk die van een verstandig en waardig man dit behoort te zijn en daarom kunt gij met inachtneming van mijn eer, U elk genoegen gunnen, dat u behaagt. De dokter stond met zijn geleide op, bedankte de dames, vertrok lachend en nam vergenoegd afscheid. Zoo werd de vrouw, die niet vermeed iemand te bespotten en geloofde te overwinnen, overwonnen. Gij, indien gij wijs wilt zijn, moet daarvoor waken, dames!
Reeds was de zon ter kim gedaald en werd het zoeler, toen de vertellingen van de jonge dames en de drie jonge heeren ten einde waren. Daarom zeide de koningin op innemend wijze:
Thans, waarde gezellinnen, is er voor mij niets anders te doen op dezen dag dan u een nieuwe koningin te geven, die wat er gebeuren moet volgens uw oordeel, haar leven en het onze tot eerbaar vermaak regelt, zoolang de dag nog duurt. Want wie niet te voren overlegt, kan niet goed voor de toekomst zorgen. Opdat de nieuwe koningin kan bedenken wat voor morgen goed is, meen ik, dat op dit uur de volgende regeeringsdagen telkens moeten beginnen. En ter eere van Hem, waardoor alles leeft en tot ons vermaak zal den volgenden dag de zeer bescheiden jonge dame Filomena als koningin het bewind voeren. Na dit gezegd te hebben, stond zij op, zette den lauwerkrans af en overhandigde dien eerbiedig aan Filomena; zij eerst en daarna al de anderen begroetten deze als koningin en onderwierpen zich welwillend aan haar heerschappij. Filomena een weinig blozend van verlegenheid, toen ze zich gekroond zag voor het bestier en zich de woorden herinnerend kort te voren door Pampinea gesproken, vatte moed, opdat zij niet dom zou schijnen en nam het gansche bestuur over, haar zooeven door Pampinea geschonken. Zij stelde vast welk maal voor den volgenden morgen en daarna moest worden gereed gemaakt en waar zij den volgenden dag zouden verblijven en begon aldus te spreken:
Zeer waarde gezellinnen, hoewel Pampinea meer door haar hoffelijkheid dan door mijn verdienste mij tot uw aller koningin heeft benoemd, ben ik daarom toch niet geneigd in de manier van ons leven u mijn oordeel op te dringen, maar samen te rade te gaan, en opdat gij weet wat mij goed dunkt, en gij bijgevolg naar uw welgevallen er kunt bijvoegen of afnemen, zal ik u mijn voornemen met weinig woorden uiteenzetten. Indien ik nu wel heb acht gegeven op de regels, waar Pampinea zich aan hield, schijnt het mij, dat gij die even lofwaardig als aangenaam beschouwt. Voor zoover die regels door den langen duur of om een andere reden niet vervelend worden, wil ik ze in stand houden.
Aangenomen dus de orde, waarmee we reeds zijn begonnen, zullen wij, nadat we hier opstaan, ons een weinig gaan vermaken. Daar de zon zal ondergaan, zullen wij, terwijl het frisch is, avondmalen en na eenige gezangen en andere genoegens, zal het goed zijn om te gaan slapen. Morgen, als we gedurende de koelte ontwaken, zullen wij ons elders gaan vermaken. Naar elk dit verkiest en gelijk wij heden hebben gedaan, zullen wij op het afgesproken uur gaan eten en dansen. Als we weer opstaan, zullen we weer gaan vertellen. Het komt mij voor, dat het grootste deel van het genoegen daarin bestaat en dat het ook van nut is. Wat Pampinea niet kon doen, omdat zij te laat voor de regeering was verkozen, wil ik vast stellen, namelijk binnen zekeren duur elk verhaal te beperken en u dien aan te geven, opdat ieder tijd hebbe om over een mooie vertelling naar een gegeven te denken, namelijk, als ’t U bevalt, dat het ook hierin gaat als bij het begin der wereld, toen de menschen door verschillende lotgevallen bewogen werden en het ook zullen zijn tot het einde toe en dat ook hier: Wat door verschillende oorzaken zich ook zal voordoen, boven alle verwachting tot een goed einde zal voeren.
De dames en heeren prezen allen gelijkelijk dien regel en zeiden dien te zullen volgen. Alleen Dioneo zeide, terwijl al de anderen zwegen: Mevrouw, gelijk al die anderen hebben gezegd, vind ook ik, dat de regel door u gesteld ten hoogste aangenaam en lofwaardig is, maar ik vraag u als bijzondere genade een gunst, die mij moet worden toegestaan, zoolang ons gezelschap bijeen zal wezen, en dat is deze: dat ik niet aan die wet onderworpen word om een verhaal te doen op aangegeven tijd, indien ik het niet wil, maar alleen wanneer het mij aanstaat er een te vertellen. En opdat niemand geloove, dat ik die gunst wil, als iemand, die geen verhalen kent, verzoek ik tot nader order steeds de laatste te zijn. De koningin, die hem een aardig en prettig man vond en die maar al te wel wist, dat hij dit niet vroeg dan alleen om het gezelschap, wanneer het moe was van het spreken, met een grappige vertelling op te vroolijken, schonk hem vriendelijk met de toestemming der anderen dien gunst. Na te zijn opgestaan, begaven zij zich met langzamen tred naar een beek, met rein helder water, die van een bergje daalde in een vallei beschaduwd door vele boomen tusschen bonte steenen en groene grassprieten. Daarna met de schoenen uit en de bloote beenen door het water gaande begonnen zij onder elkaar verschillende grappen te maken. Toen het uur van het avondmaal naderde, keerden zij naar het paleis terug en aten genoegelijk. Nadat zij de instrumenten hadden laten komen, beval de koningin, dat een dans werd uitgevoerd en terwijl Lauretta leidde, zong Emilia een lied met de mandoline. Lauretta vormde een dans en regelde die, terwijl Emilia op verliefde wijze dit lied zong:
Ik ben zoo verlangend naar mijn schoonen man,
Dat ik nooit aan andere liefde
Denken zal, noch ooit er hartstocht voor zal gevoelen.
Ik zie in deze, elk uur, dat ik mij spiegel,
Het goede, dat mijn ziel bevredigt,
En dat noch een nieuwe gebeurtenis, noch een oude gedachte
Mij zoo dierbaar genoegen kan ontrooven.
Welk ander voorwerp van bekoring
Zou ik dan ook ooit kunnen zien,
Dat mij nieuw verlangen stortte in het hart?
Dit heil, telkens als ik verlang
Het weer te zien tot mijn bevrediging,
Vlucht niet, maar zweeft mij dan voor
Zoo zoet om te gevoelen, dat het met geen woorden
Te zeggen is, noch ooit
Voor een sterveling te begrijpen,
Die niet van zulk een verlangen brandde.
En ik, die van uur tot uur meer ontvlam,
Hoe meer ik de oogen op hem houd gevestigd,
Des te meer geef ik mij over, gansch lever ik mij hem over,
Reeds proevend van wat hij mij heeft beloofd;
En hooger vreugd voel ik al naderen
Bij een hartstocht zooals men
Nog nooit hier gevoelde.
Toen dit danslied uit was, waarop alle vroolijk hadden geantwoord, hoewel de woorden ieder toch te denken gaven, behaagde het de koningin, nadat eenige andere rondedansen waren gedaan en reeds een deel van den korten nacht voorbij was, den eersten dag te eindigen. Zij beval, nadat ze toortsen had laten aansteken, dat iedereen ging slapen. Toen begaf zich elk naar zijn kamer en deed aldus.
[
Inhoud
]
