Note 14 — Eerste Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
In den tijd van den eersten koning van Cyprus, na de verovering van het Heilige Land door Godfried van Bouillon14 toog een edelvrouw uit Gascogne ter bedevaart naar het Heilige Graf. Toen zij bij haar terugreis op Cyprus kwam, werd zij door eenige gemeene lui schandelijk mishandeld. Haar smart daarover was grenzenloos en zij wilde zich bij den koning gaan beklagen. Maar men vertelde haar, dat zij moeite deed voor niets, want de koning was zulk een traag en lui mensch, dat hij op de klachten van anderen niet inging, en dat hij zelfs niet den smaad, hem vaak zeer onbeschaamd toegevoegd, wilde vervolgen. Daarom liet iedereen, die hem al had beleedigd, zich jegens hem met verachting en schimp uit. De dame, die dit hoorde en alle hoop opgaf, om voldoening te krijgen, nam zich voor haar toorn wat te bekoelen en daartoe den koning zijn laffe luiheid voor de voeten te werpen. Met tranen in de oogen trad ze voor hem en zeide: “Sire, ik kom niet tot u om wraak te eischen voor den smaad, dien men mij heeft aangedaan, maar ik wil u slechts om de gunst bidden, dat gij mij leert, hoe gij de vele beleedigingen verdraagt, die men (naar ik hoor) u dagelijksch toevoegt, opdat ook ik zal leeren de mijnen gelaten te verduren. Ik zou die bij God gaarne aan u overdoen, daar gij die zoo goed kunt verdragen.”