← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 15 — Eerste Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Nog niet vele jaren geleden leefde er in Bologna een zeer groot medicus, door een schitterenden naam bekend over de heele wereld en die er misschien nog leeft. Hij heette Maëstro Alberto15, was bijna zestig jaar oud en was zoo nobel van geest, dat zoo uit het lichaam elke natuurlijke passie al verdwenen was, hij het niet ontweek verliefd te worden bij een feest op een zeer schoone weduwe, volgens het zeggen van enkelen, mevrouw Malgherida de’ Ghisolieri genaamd. Zij behaagde hem zeer, alsof hij een jongeling was, welke de liefdevlammen in zich opneemt en die ’s nachts niet goed scheen te slapen, als hij den vorigen dag niet het schoone en teedere gelaat van zijn donna had gezien. Dit hield hij vol soms te voet en dan weer te paard, alnaar het hem het best leek langs het huis der dame. Tengevolge daarvan bemerkten zij en vele andere donna’s de reden waarom hij telkens voorbij kwam. Meermalen spotten zij er samen over, dat ze een man zoo oud en wijs verliefd zagen en dachten, dat die hartstochtelijke liefde alleen in de dwaze zielen van jongelieden kon post vatten en standvastig kon blijven. Daarom, toen maëstro Alberto steeds voorbij bleef komen, spraken zij op een zekeren feestdag met elkaar, toen die dame met vele andere voor de deur van haar huis zat en zij hem van verre zagen naderen af, hem te zamen te ontvangen, hem beleefd te behandelen en hem daarna om zijn verliefdheid voor den mal te houden. Zoo deden zij; zij stonden allen op en na hem te hebben uitgenoodigd, leidden zij hem op een koele binnenplaats, waar zij de fijnste wijnen en confituren lieten komen. Eindelijk vroegen zij hem met vele schoone en lieve woorden, of hij op die schoone dame verliefd was, terwijl hij toch wist, dat vele knappe, aardige en geestige jongelui ook op haar verliefd waren. De dokter, die zich op bedekte manier zag bespotten, trok een vriendelijk gezicht en antwoordde: Dat ik verliefd ben, mevrouw, zal geen verstandig man verwonderen en vooral niet, dat ik u bemin, die dit waard zijt. Wanneer aan oude heeren door de Natuur de krachten ontnomen zijn, welke men voor de liefde noodig heeft, ontbreekt hun daarom toch niet de goede wil, noch het besef van wat het zeggen wil verliefd te zijn, maar zij zijn zooveel beter kenners, omdat ze zooveel meer ondervinding hebben dan jongelui. Nu wil ik u zeggen, waarom ik, oude man, nog hoop heb, ofschoon gij door vele jongelieden bemind wordt.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings