← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 3 — Eerste Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto, die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto, dat deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe: Sinjeur Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel terugtrekken en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te maken, zeer oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het mijne kan laten opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik niets anders doet dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik van zins u den gunst van het hof te verschaffen en u dat aandeel te geven van wat gij int, wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die niets om handen had en met wereldsch goed slecht bedeeld was en die zich zag ontgaan, wat hem lang tot steun en toevlucht was geweest, overlegde bij zich zelf zonder eenig uitstel, door nood gedwongen en zeide, dat hij heel graag wilde. Hierna, toen ze het samen eens werden, sinjeur Ciappelletto de bescherming en gunstige brieven van den koning ontving en messire Musciatto vertrokken was, ging hij naar Bourgondië, waar haast niemand hem kende. Daar begon hij, tegen zijn natuur, op goedaardige en vriendelijke manier die schulden te innen en deed, alsof hij gekomen was om tot het uiterste het twisten te verhinderen. Terwijl hij zoo handelde en verblijf hield in het huis van twee broeders uit Florence, die op woeker leenden en hem uit vriendschap voor den heer Musciatto goed ontvingen, wilde het geval, dat hij ziek werd, waarop de twee broeders doktoren lieten komen en oppassers, die hem zouden bijstaan en alles wat voor zijn gezondheid goed was lieten halen. Maar alle hulp was ijdel, omdat de goede man, die al oud was en die losbandig had geleefd, naar de doktoren zeiden, van dag tot dag van kwaad tot erger verviel als een doodelijk zieke en daarover waren de gebroeders zeer treurig. Op een goeden dag, dicht genoeg bij de kamer, waar ser Ciappelletto ziek lag, begonnen zij aldus met elkaar te spreken: Wat zullen we, zei de een tot den ander, met hem doen? Wij hebben van zijn toestand de ongunstigste gegevens; daarom zou het schande en een teeken van weinig verstand zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de menschen zouden zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo zorgzaam hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo’n gemeene kerel geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van de Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal geen enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een hond in kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden zoo talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch monnik noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo, niet gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje verheffen en schreeuwen: Die Lombardische3 honden, die geen een kerk wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan, zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor, gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat gij op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt door mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij te zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren gelijk gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal anders gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven, dat door het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of minder zal beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en waardige broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en die er te vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen zal in orde brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult zijn. Hoewel de twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij toch er op uit naar een monniksorde en verzochten om een heiligen en wijzen man, die een Lombardiër de biecht wilde afnemen, welke in hun huis ziek lag. Hun werd een oude broeder meegegeven, van een heilig en goed leven, een groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig, voor welke de burgers de grootste en bijzondere eerbied hadden; zij begeleidden hem. Toen hij in de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag en zich naast hem had neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te troosten en daarna vroeg hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht had. Hierop antwoordde ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht: Mijn vader, ik ben gewoon eens in de week op zijn minst te biechten, hoewel er genoeg weken zijn, dat ik het meer doe: het is waar, dat ik, sinds ik ziek werd, acht dagen geleden, niet biechtte; zoo groot is de stoornis, die de ziekte bij mij heeft veroorzaakt. Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, gij hebt wel gedaan en zoo moet gij voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij dikwijls biecht, dat ik weinig zal te hooren en te vragen hebben.” Ser Ciappelletto zeide: “Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit zooveel en zoo dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon biechten, die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den dag van deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij alles zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en let er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch pijnigen dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn ziel, die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings