Tweede Dag. (continued 3)
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Bernabo ging na eenigen tijd naar Genua terug, waar hij, toen het feit bekend werd, zeer werd geminacht. De donna, alleen en troosteloos achter gelaten, ging, zoodra de nacht gekomen was en zoo goed mogelijk vermomd, naar een dorp daar in de buurt en hier kocht zij van een oude vrouw al wat ze noodig had, bracht het wambuis naar haar lichaamsmaat in orde door het te verkorten en maakte zich uit haar overrok een paar broeken. Zij knipte zich de haren en geheel vervormd in de gedaante van een zeeman ging zij naar de zeekant. Daar vond zij bij toeval een Catalonisch edelman, segnor Encararch genaamd, die van zijn schip, dat niet ver vandaar lag, te Alba was afgestapt om zich aan een fontein te verfrisschen. Zij trad met hem in onderhandeling, bood zich hem als dienaar aan, ging er scheep en liet zich Sicurano van Finale noemen. Hier trok hij betere kleeding aan in de liverei van den edelman en begon dien zoo goed en met zooveel toewijding te dienen, dat hij zeer in zijn gunst kwam. Niet lang daarna voer die Catalonieër met een lading naar Alexandrië, bracht eenige pelgrimsvalken aan den Sultan en bood hem die aan. De Sultan onthaalde hem een paar maal en nadat hij de manieren van Sicurano gezien had, die hem steeds bediende en welke hem behaagden, vroeg hij dien van den Catalonieër over te nemen. Hoewel het dien verdroot, stond hij hem dezen toch af.
Sicurano verwierf in korten tijd niet minder de genade en de liefde van den Sultan door zijn goede wijze van werken als hij het bij den Cataloniër had gedaan. Na verloop van tijd gebeurde het, dat er op zekeren datum van het jaar, bij wijze van kermis, een groote verzameling moest bijeenkomen van kooplieden zoowel Christenen als Mahomedanen te Acre, dat onder de heerschappij van den Sultan stond. Opdat de kooplieden er veilig waren, was de Sultan gewoon er behalve andere beambten, een van zijn grootwaardigheids-bekleeders heen te zenden met lieden, die als wacht dienst deden. Toen dat tijdstip naderde, had hij plan om er Sicurano heen te sturen, die uitstekend de taal kende en zoo deed hij. Toen Sicurano in Acre kwam als heer en kapitein van de garde der kooplieden en van den handel en daar goed en ijverig deed, wat tot den dienst behoorde en allen om zich heen beschouwde, zag hij er veel Siciliaansche, Pisaansche, Genueesche, Venetiaansche en andere Italiaansche kooplieden en onderhield zich met hen gaarne tot herinnering aan zijn land. Toen hij eens onder andere keeren was gekomen in een winkel van Venetiaansche kooplieden, zag hij onder meer kostbaarheden een beurs en een gordel, welke hij wel als de zijnen herkende en was daarover verwonderd, maar zonder een ander gezicht te trekken, vroeg hij vriendelijk van wie ze waren en of ze hem die wilden verkoopen. Nu was Ambrogiuolo van Piacenza hierheen gekomen met veel koopwaar op een Venetiaansch schip, dat hem behoorde. Hij vernam, dat de kapitein van de garde vroeg van wie ze waren, kwam naar voren en zei lachend: Heer, het zijn voorwerpen van mij en ik verkoop ze niet, maar als zij u bevallen, zal ik ze u gaarne schenken. Sicurano, die hem zag lachen, vermoedde, dat de koopman door een of ander gebaar hem had herkend, maar toch hield hij zich goed en zeide: Gij lacht misschien, omdat gij mij als krijgsman ziet vragen naar zulke vrouwenzaken. Ambrogiuolo zeide: Neen, daar lach ik niet om, maar ik lach om de manier, waarop ik ze verkreeg. Sicurano antwoordde hem: Kijk, als God U goed geluk geeft, en dit geen geheim is, zeg mij dan, hoe gij ze hebt gekregen. Neen, hernam Ambrogiuolo, dezen werden mij met iets anders geschonken door een edelvrouw van Genua, mevrouw Ginevra genaamd, echtgenoote van Bernabo Leomellin, een nacht, dat ik met haar sliep en zij mij vroeg, of ik ze van haar liefde wilde behouden. Nu lach ik, omdat ik mij de dwaasheid van Bernabo herinner, die gek genoeg was om vijfduizend goudguldens tegen duizend te verwedden, dat ik zijn vrouw niet zou kunnen verleiden naar mijn wil, wat ik deed, zoodat ik de weddenschap won. Hij, om haar zoo gauw mogelijk te straffen voor het misdrijf, dat alle vrouwen begaan, keerde van Parijs naar Genua terug, en liet haar, naar wat ik sinds gehoord heb, dooden. Toen Sicurano dit hoorde, begreep hij snel wat de reden was van den toorn van Bernabo jegens hem en begreep volkomen, dat dit de oorzaak was van zijn lijden en hij besloot in stilte ze hem niet ongestraft te laten houden. Sicurano deed dus of de geschiedenis hem zeer ter harte ging en verbond zich listig met hem tot een nauwe vriendschap, zoo, dat toen de jaarmarkt afgeloopen was, Ambrogiuolo door zijn aanmoediging met hem en met al wat hij had, zich naar Alexandrië begaf, waar Sicurano voor hem een winkel liet inrichten en hem daarvoor geld genoeg ter hand stelde. Deze ziende, dat er groot voordeel voor hem was te behalen, bleef er gaarne. Sicurano begeerig zijn onschuld te bewijzen aan Bernabo, rustte niet, eer hij door middel van eenige groote Genueesche kooplieden, die in Alexandrië waren, nieuwe listen vond om hem te doen overkomen. Bernabo kwam in armzalige omstandigheden aan en hij werd heimelijk door een van Sicurano’s vrienden ontvangen, tot het hem tijd scheen zijn plan uit te voeren.
Reeds had Sicurano de historie door Ambrogiuolo aan den Sultan doen vertellen, die er behagen in schepte. Maar toen hij Bernabo daar zag, dacht hij, dat uitstel niet goed was, koos het geschikte oogenblik, en verzocht den Sultan, dat die Ambrogiuolo en Bernabo voor zich deed verschijnen. Hij zou in tegenwoordigheid van Bernabo, indien het niet met zachtheid bij Ambrogiuolo kon gebeuren, met gestrengheid aan den dag brengen, hoe de zaak naar waarheid geschied was, waarop hij zich betreffende de vrouw van Bernabo beroemde. De Sultan beval, toen Ambrogiuolo en Bernabo verschenen waren in tegenwoordigheid van velen, met strengen blik, dat de eerste naar waarheid vertelde, hoe hij van Bernabo vijfduizend goudguldens had gewonnen. En hier was Sicurano bij, in welken Ambrogiuolo meer vertrouwen had en die met een nog boosaardiger gelaat hem met de vreeselijkste folteringen bedreigde, als hij het niet bekende. Ambrogiuolo dubbel verschrikt en zeer gedwongen verklaarde, daar hij geen andere straf er voor verwachtte dan de teruggaaf van de vijfduizend goudguldens en van de voorwerpen, in tegenwoordigheid van Bernabo en van vele anderen, duidelijk hoe het feit was gebeurd en verhaalde alles. Toen Ambrogiuolo gesproken had, zeide Sicurano als uitvoerder van des Sultans bevelen tot Bernabo gekeerd: En wat deedt gij uw vrouw naar aanleiding van dat bedrog? Hierop antwoordde Bernabo: Ik, overmand door den toorn over het verlies van mijn geld en over de blaam en de schande, die ik om mijn vrouw op mij scheen te hebben geworpen, deed haar door een van mijn knechts dooden en naar wat die mededeelde, is zij spoedig door de wolven verslonden.
Toen dat alles in tegenwoordigheid van den Sultan gezegd was en door hem gehoord en begrepen, zonder dat hij nog inzag, wat Sicurano, die zelf de vragen gesteld had, er mee voorhad, zeide deze: Heer, gij kunt wel begrijpen, hoezeer die goede dame zich kan beroemen op haar minnaar en haar echtgenoot, want de minnaar ontrooft haar de eer en tegelijk vernietigt hij haar goede naam met bedrog en maakt haar echtgenoot ongelukkig en de echtgenoot eerder geloovend aan de leugens van anderen dan aan de waarheid, die een langdurige ervaring hem had doen kennen, laat haar dooden en verslinden door de wolven. En behalve dit gaat de liefde zoowel van den minnaar als van den echtgenoot voor haar zoover, dat, terwijl beide lang met haar leven, geen van beide haar leert kennen. Maar opdat gij volkomen zult inzien, wat elk van hen heeft verdiend, waar gij mij de bijzondere gunst wilt toestaan den bedrieger te straffen en den bedrogene te vergeven, zal ik haar hier zoowel in Uw tegenwoordigheid als in de hunne doen verschijnen.
De Sultan geneigd om in deze zaak in alles Sicurano ter wille te zijn, zeide, dat hij het goed vond en dat hij de donna zou doen komen. Bernabo verwonderde zich hierover zeer, daar hij vast geloofde, dat zij dood was en Ambrogiuolo, die zijn ongeluk al vermoedde, had nu vrees voor erger dan alleen zijn geld terug te betalen en wist niet of hij meer te hopen dan te vreezen had, omdat de donna daar kwam en verwachtte met groote verwondering haar komst.
Toen de Sultan aan Sicurano dit had toegestaan, wierp die zich weenend aan de voeten van den vorst, liet tegelijk haar mannenstem varen en haar mannelijk voorkomen en zeide: Heer, ik ben de ongelukkige Ginevra; ik heb zes jaar in mansvermomming door de wereld gezworven door dien verrader van een Ambrogiuolo valsch en oneerlijk beschuldigd en door dezen wreeden en onrechtvaardigen man aan een knecht overgeleverd om te worden gedood en om verslonden te worden door de wolven. Zij rukte haar kleeren vaneen en toonde door haar boezem een vrouw te wezen en maakte dit aan den Sultan en ieder ander duidelijk en zich toen tot Ambrogiuolo wendend vroeg zij hem honend of hij ooit, gelijk hij blufte, met haar had geslapen. Deze herkende haar reeds en als door schaamte verstomd, zeide hij niets. De Sultan, die haar altijd voor een man had gehouden was, toen hij dit zag en hoorde, zoo verwonderd, dat, hoe meer hij er van vernam, hij des te meer geloofde, dat het eer een droom was dan werkelijkheid.
Maar toch, toen de verbazing ophield en hij de waarheid kende, prees hij met den grootsten lof het leven, de standvastigheid, het gedrag en de deugdzaamheid van Ginevra, die tot nu toe Sicurano was genoemd. Hij liet eerbare vrouwenkleederen voor haar komen en vrouwen, die haar gezelschap zouden houden op haar verzoek en schold Bernabo de verdiende doodstraf kwijt. Toen deze haar herkend had wierp hij zich schreiend aan haar voeten, en vroeg vergiffenis, die zij, hoe weinig hij het ook waard was, hem welwillend schonk, hief hem op en omhelsde hem innig als echtgenoot. Daarna beval de Sultan, dat Ambrogiuolo op een of andere plaats van de stad aan een paal zou worden gebonden en met honig zou worden ingewreven en er niet van zou worden losgemaakt, eer hij er van zelf afviel. Dit geschiedde. Daarna gaf hij last, dat, wat aan Ambrogiuolo behoord had, aan de donna zou worden gegeven, wat niet zoo weinig was, want het was een geldswaarde van meer dan tienduizend pistolen. Daarna gaf hij een prachtig feest, waarbij hij Bernabo als echtgenoot van mevrouw Ginevra en mevrouw Ginevra als zeer waardige vrouw eerde en schonk ze aan juweelen en gouden en zilveren vaatwerk en geld nogmaals voor een waarde van meer dan tienduizend pistolen. Na hem een schip te hebben geleend, gaf hij hun na het feest verlof, wanneer het hun aanstond, naar Genua terug te keeren, waar zij zeer rijk en met groote vreugde aankwamen en met groote eer werden ontvangen vooral mevrouw Ginevra, die door allen dood gewaand werd en die steeds bekend was geweest om haar groote eerbaarheid en hare vele deugden. Ambrogiuolo werd denzelfden dag aan den paal gebonden en met honing ingewreven en tot vreeselijke straf door muggen, wespen en horzels, waarvan dit land vol is, niet alleen gedood maar eindelijk tot op het gebeente verslonden. Zijn gebleekte beenderen, nog slechts samenhangend door pezen, gaven nog lang, zonder te worden weggenomen, aan iedereen getuigenis van zijn boosheid. Zoo bleef de bedrieger de slaaf van den bedrogene.
[
Inhoud
]
Tiende Vertelling.
Paganino van Monaco rooft de vrouw van signor Ricciardo van Chinzica. Deze, wetend, waar zij zich bevindt, reist weg, wordt de vriend van Paganino en eischt haar weer op. Hij staat haar, als zij het wenscht, aan hem af, maar zij wil niet met hem terugkeeren en als de heer Ricciardo sterft, wordt zij de echtgenoote van Paganino.
Ieder in het eerzaam gezelschap vond de geschiedenis door hun koningin verhaald schoon, en vooral Dioneo, die alleen nog dien dag moest vertellen. Hij zeide, nadat er vele loftuitingen waren uitgesproken: Schoone donna’s. Een deel der geschiedenis van de koningin heeft mij van besluit doen veranderen om in plaats van de geschiedenis, die ik in het hoofd had, U een andere te vertellen, dan die over de stompheid van Bernabo,—wat voor goeds er ook voor hem uit voortkwam—en van allen, die zich wijs maken, wat zij voor anderen veinzen te gelooven namelijk, dat, terwijl ze de wereld doortrekken en zich verheugen zoowel met deze als gene vrouw, op dit uur met die en op dat uur met een andere, zij zich verbeelden, dat de thuis gebleven echtgenooten de handen aan den gordel houden, alsof wij niet weten, die met hen geboren en getogen zijn, wat die begeeren. Wanneer ik U die historie vertel, zal ik U meteen bewijzen hoedanig de dwaasheid is van degenen, die zoo denken en hoe die nog grooter is van hen, die zich machtiger geloovend dan de Natuur, meenen door fabelachtige proefnemingen te vermogen wat dezen niet kunnen en zich inspannen daartoe aan anderen hun aard te ontnemen, terwijl het karakter van dezen er niet naar is aangelegd.
Messire de rechter, die jaloersch was en bang als een haas, was—wat men niet behoeft te vragen—treurig. Zonder gevolg beklaagde hij zich zoowel te Pisa als elders over de boosheid der zeeroovers. En hij wist niet, wie hem zijn vrouw had ontroofd of waar zij heen was gevoerd. Paganino vond haar zeer mooi; zij stond hem aan en daar hij geen vrouw had, wilde hij die altijd bij zich houden en zij, die eerst zeer schreide, begon zoetjes aan te bedaren. Toen de nacht aanbrak, viel de kalender uit haar gordel; al de feest- en rustdagen gingen haar uit het geheugen en hij begon haar met daden te troosten, omdat woorden hem dien dag weinig schenen te hebben geholpen. En hij verdreef haar smart zoo, dat zij, zoodra zij te Monaco waren aangekomen, den rechter en zijn wetten vergat en zij op de aangenaamste manier ter wereld met Paganino leefde. Nadat deze haar naar Monaco gebracht had, leefde hij, behalve dat hij haar dag en nacht troostte, met haar eervol als zijn echtgenoote. Toen het op zekeren dag messire Ricciardo ter ooren gekomen was, waar zijn vrouw zich bevond, overlegde, dat hij nooit beter doen kon dan naar haar toe gaan en met brandend verlangen besloot hij daartoe over te gaan, bereid elke som gelds te geven om haar terug te krijgen. Hij ging scheep, begaf zich naar Monaco en zag daar haar en zij ook hem. Zij vertelde het ’s avonds aan Paganino en onderrichtte dien van zijn plan. Den volgenden morgen zag messire Ricciardo Paganino, sprak hem aan en toonde hem in korten tijd een groote welwillendheid en vriendschap, terwijl Paganino veinsde hem niet te kennen en afwachtte, wat hij zou willen doen. Toen het messire Ricciardo den tijd scheen naar zijn beste weten en het meest geschikt, bekende hij hem de reden, waarom hij was gekomen en verzocht hem, dat hij zou eischen wat hem beviel, maar dat hij de donna terug gaf. Hierop antwoordde Paganino met een leuk gezicht: Messire, gij zijt welkom en om U in het kort te antwoorden, zal ik U dit zeggen: het is waar, dat ik een jonge vrouw in huis heb, waarvan ik niet weet of ze van U of van een ander is, omdat ik noch U ken noch haar dan voor zoover zij korten tijd bij mij heeft gewoond. Indien gij haar man zijt, gelijk gij zegt, zal ik, omdat gij mij een beminnelijk edelman schijnt, U bij haar brengen en ik ben er zeker van, dat zij, indien zij U goed kent en hetgeen gij zegt, waar is, met U wil meegaan, terwille van Uw beminnelijkheid, en dat gij mij als schadevergoeding wilt geven, wat gij zelf wilt. Mocht het niet zoo zijn, dan zoudt gij mij een schurkenstreek leveren door haar mij te ontnemen, daar ik een jonge man ben, die als ieder ander een vrouw kan bezitten en vooral deze, die de liefste is, welke ik ooit heb gezien. Daarop hernam messire Ricciardo: Zij is wel degelijk mijn vrouw en als gij mij brengt, waar zij is, zult gij het zien; zij zal mij dadelijk om den hals vallen en daarom vraag ik niet anders dan dat dit gebeurt, gelijk gij het zelf hebt voorgesteld. Laat ons dan gaan, zeide Paganino. Zij gingen dus naar het huis van Paganino en wachtend in een zijner zalen, liet Paganino haar roepen en zij gekleed en getooid kwam uit haar kamer en ging daarheen, waar messire Ricciardo met Paganino zich bevond, maar sprak dien niet anders toe dan zij een anderen vreemde zou hebben gedaan, die in Paganino’s huis zou zijn gekomen. Toen de rechter dit zag, die verwacht had, dat hij door haar met de grootste vreugde zou zijn ontvangen, verwonderde hij zich zeer en begon tot zich zelf te zeggen: Misschien hebben de neerslachtigheid en de langdurige smart, die ik heb doorstaan sinds ik haar verloor, mij zoo verouderd, dat zij mij niet herkent. Daarom zeide hij: Vrouw, het heeft mij duur gekost U ter vischvangst te hebben geleid, omdat ik nooit een smart heb gevoeld gelijk aan die ik heb verduurd, sinds ik U verloor en het schijnt, dat gij mij niet herkent, zoo koel ontvangt gij mij. Ziet gij niet, dat ik uw messire Ricciardo ben, hier gekomen om te betalen, wat deze edele heer wil en in wiens huis wij zijn, om U terug te hebben en U van hier te voeren; hij wil zoo goed wel zijn, omdat ik het wil, U aan mij terug te geven! De dame keerde zich tot hem en zeide met een lichte glimlach: Messire, spreekt U tot mij! Pas op, dat gij mij niet voor een ander houdt, daar ik, wat mij betreft, mij niet herinner U ooit te hebben gezien. Messire Ricciardo antwoordde: Let op wat gij zegt; zie mij goed aan, indien gij ’t U wel zult willen herinneren, zult gij wel zien, dat ik Uw Ricciardo van Chinzica ben. De donna zeide: Mijnheer, gij zult mij vergeven, misschien omdat het niet eerbaar voor mij is, gelijk gij denkt, om U lang aan te zien, maar ik heb U niettemin zoo goed beschouwd, dat ik wel weet U nooit te hebben gezien.
Messire Ricciardo verbeeldde zich, dat zij zoo deed uit vrees voor Paganino om niet in diens tegenwoordigheid te bekennen, dat zij hem kende, daarom vroeg hij na eenige oogenblikken als gunst van Paganino, dat hij haar alleen een oogenblik in de kamer mocht spreken. Paganino zeide, dat het hem beviel, op voorwaarde, dat hij haar niet tegen haar wil zou kussen en hij beval aan de donna, dat zij met hem in een kamer zou gaan aanhooren, wat hij haar wilde zeggen en antwoorden, wat zij verkoos. De donna en messire Ricciardo gingen dus alleen in een kamer en toen zij gezeten waren, zeide Ricciardo: Kijk, hart van mijn lichaam, mijn zoete ziel, mijn hoop, herkent gij uw Ricciardo niet, die u meer bemint dan zichzelf? Hoe kan dat zoo zijn? Ben ik zoo veranderd? Kijk, mijn mooi-oogje, beschouw mij nog een weinig. De donna begon te lachen en zonder hem te laten uitspreken, zeide zij: Gij weet wel, dat ik niet zoo kort van geheugen ben. Ik weet wel, dat gij messire Ricciardo van Chinzica zijt, mijn echtgenoot, maar gij, terwijl ik met u was, hebt getoond mij al zeer slecht te kennen, want als gij wijs waart geweest of zijt, waarvoor gij wilt gehouden worden, hadt gij wel zooveel besef gehad, dat gij hadt moeten begrijpen, dat ik jong en frisch en ondeugend was en bijgevolg moeten weten, wat voor jonge vrouwen behalve gekleed worden en eten, al schamen zij zich het te zeggen, vereischt wordt; hoe gij dat deed, weet gij. En als de studie der wetten u liever is dan de vrouw, hadt gij haar niet moeten nemen, hoewel het aan mij nooit scheen, dat gij een rechter waart, maar veeleer een stadsomroeper van heilige dagen en feesten, zoo goed kende gij die evenals de vastendagen en de vigilieën. En ik zeg u, dat, indien gij zooveel feestdagen hadt laten vieren door de boeren, die uw velden bearbeiden, als gij aan hem hebt laten doen, die mijn klein veld had te bewerken, gij geen korrel graan zoudt hebben geoogst. Ik heb hem getroffen, welken God, die welwillend mijn jeugd behoedde, heeft uitgekozen en met wien ik deze kamer bewoon, waarin geen sprake is van zulke feestdagen (ik meen van zulke feesten als gij, meer devoot voor God dan voor vrouwenvereering, zoo dikwijls hebt gevierd,) en nooit komt door dezen uitgang de Zaterdag of de Vrijdag of de vigilieën of de quatertempers of de vastentijd, die zoo lang is, maar dag en nacht wordt hier gewerkt en het linnen geslagen en van af, dat dien nacht de vroegmetten klonken, weet ik wel, hoe het bovendien van af den eersten keer gaat. En daarom wil ik bij hem blijven en werken zoolang ik jong ben. En de feesten, de boetedagen en de vasten zullen wij dienen, wanneer ik oud zal zijn. En maakt jij op goed geluk, zoo gauw je kunt, dat je weg komt en doe zonder mij, wat je bevalt.
Toen messire Ricciardo die woorden hoorde, ondervond hij een onduldbare smart en zeide, toen hij haar zag zwijgen: Kijk, mijn zoete ziel, wat spreekt gij daar voor taal! Let gij dan niet op de eer van uw ouders en de uwe? Wilt gij liever hier blijven als bijzit van deze en in doodzonde dan te Pisa als mijn vrouw? Hij zal u, zoodra gij hem zult vervelen, met groote schande door uw eigen schuld wegjagen; ik zal u altijd liefhebben en altijd zelfs als ik het niet zou willen, zult gij mijn huisvrouw zijn. Moet gij voor die bandelooze en schandelijke begeerte uw eer achter stellen en die van mij, die u meer bemin dan mijn leven? Kom, mijn schat, spreek zoo niet meer, maar ga met mij mee; van af heden, nu ik uw verlangen ken, zal ik mijn best doen dit te bevredigen en daarom, mijn zoetelief, verander Uw besluit en ga met mij mee, want ik heb mij nooit wel gevoeld, sinds gij mij zijt ontnomen. Hierop antwoordde de donna: Wat mijn eer betreft wil ik, dat, nu er niets aan te doen is, niemand anders dan ik er zorg voor draagt; jammer, dat mijn ouders er zich niet om bekommerd hebben, toen zij mij aan U afstonden. Maar daar ze op de mijne niet gelet hebben, ben ik nu niet van plan op de hunne acht te slaan. En als ik nu zondig met een vijzel, zal ik hier nog liever blijven, wanneer ik er zondig met een stamper er bij; geeft gij daarom niet meer om mij. Dit zeg ik U: hier—schijnt het mij—ben ik de vrouw van Paganino, terwijl het mij scheen, dat ik te Pisa Uw bijzit was, daar ik dacht, dat slechts door de standen van de maan en meetkundige berekeningen de planeten tusschen U en mij samen kwamen, terwijl hier Paganino mij den ganschen nacht in de armen sluit en mij omhelst en innig kust en hoe hij met mij omgaat, mag God U in mijn plaats zeggen. Gij belooft ook, dat gij Uw best zult doen. Met wat dan? Door het in drieën te doen en door je zelf er met stokslagen toe te drijven? Ik zie, dat gij een dappere held zijt geworden, sinds ik van U af ben. Ga heen en tracht te leven, hoewel het mij eerder schijnt, dat gij op deze wereld slechts als huurder van je leven en niet als eigenaar er van bestaat, zoo aamborstig en uitgemergeld ziet gij er uit. En dit zeg ik U nog bovendien: dat, als hij mij in den steek zou laten—wat hij mij niet van zins schijnt, zoolang ik bij hem wil blijven—, ik niet van plan ben bij U terug te keeren, want als men je heelemaal zou uitpersen als de druiven, zou je nog geen schoteltje vocht opleveren. Daar ik tot mijn groote schade en teleurstelling eens bij U geweest ben, zal ik mijn voordeel dan elders zoeken. En hierom zeg ik U nogmaals, dat er hier geen feesten zijn noch vigilieën; daarom wil ik hier ook blijven en gaat gij dus maar heen met God, anders zal ik schreeuwen, dat gij mij geweld wilt aandoen.
De heer Ricciardo zag zich in een kwaad parket en erkende nu de dwaasheid, een jonge vrouw te hebben genomen, ging treurig en neergeslagen de kamer uit en zei nog veel tot Paganino, wat hem voor niets hielp. Ten slotte zonder iets te hebben uitgericht, en de donna te hebben achtergelaten, ging hij naar Pisa terug en verviel door smart tot zulk een stompzinnigheid, dat hij, wanneer hij door die stad liep, aan ieder, die hem groette of hem iets vroeg, niets anders antwoordde dan: de gemeene dief verlangt geen rustdag en kort daarop stierf hij. Daar Paganino de liefde wist en kende, die de donna hem toedroeg, nam hij haar tot echtgenoote en zonder ooit feesten of vigilieën of vasten te houden, hielden zij elkaar bezig zoo veel ze konden en besteedden goed hun tijd. Daarom schijnt het mij, lieve donna’s, dat de heer Bernabo in twist met Ambrogiuolo de zaken averechts behandeld heeft.
Die geschiedenis liet het heele gezelschap zoo lachen, dat er geen een was, wien er de kaken niet pijn van deden en eenstemmig wisten al de donna’s, dat Dioneo de waarheid had gezegd en dat Bernabo een domoor was geweest. Maar toen de historie uit was en het lachen ophield, zag de koningin, dat het al laat was. Daar allen gesproken hadden en het einde van haar heerschappij was gekomen volgens den ingestelden regel, nam zij den krans van het hoofd, plaatste dien op het kopje van Neifile met blij gelaat en sprak: Voortaan, waarde gezellin, zal aan u de regeering zijn over dit kleine volk en zij ging zitten om te rusten. Neifile bloosde door de ontvangen hulde een weinig en op haar gelaat verscheen de rozige gloed van April of Mei, die zich toont bij den dageraad en de schoone oogen schitterend als de morgenster hield ze een weinig neergeslagen. Maar toen het jolige rumoer van de aanwezigen, waarmee zij vroolijk hun gezindheid jegens de koningin betuigden, ophield, kreeg zij weer moed, zette zich wat hooger dan gewoonlijk, en zeide:
Daar ik uw koningin ben en niet wil afwijken van de orde gevolgd door hen, die voor mij geweest zijn en waarvan gij door uwe gehoorzaamheid het gezag hebt goedgekeurd, zal ik u in weinig woorden mijn meening doen kennen en als die met u raad is goedgevonden, zullen wij die nakomen. Gelijk gij weet, is het morgen Vrijdag en overmorgen Zaterdag, vervelende dagen voor de meeste menschen, wegens de spijzen, die men dan pleegt te eten, zonder te rekenen, dat de Vrijdag onze eerbied waard is, omdat het de dag is, waarop Hij stierf, die voor ons leed. Daarom denk ik is het juist en geschikt tot Gods eere, dat wij ons dien dag eer met gebeden dan met vertellingen bezighouden. Bovendien hebben de dames op Zaterdag de gewoonte zich het hoofd te wasschen en zich van het stof te ontdoen en van de onreinheid, die zij hebben opgedaan door hun bezigheden in de afgeloopen week. Zij hebben insgelijks de gewoonte te vasten ter eere van de Moedermaagd van Gods Zoon en den geheelen volgenden Zondag geenerlei arbeid te verrichten. Daar wij dien dag onzen leefregel niet geheel kunnen volgen, acht ik het voegzamer ons dien dag van het verhalen van histories te onthouden. Daarna, omdat wij hier vier dagen gebleven zijn, geloof ik, indien wij willen vermijden, dat nieuwe gasten komen, dat het goed zal zijn van plaats te veranderen en elders heen te gaan en ik heb al bedacht en voorzien, waarheen wij ons zullen begeven. Wanneer wij ons dus op die nieuwe plaats zullen vereenigd hebben op Zondag na de siësta—daar wij heden genoeg gelegenheid gehad hebben om te spreken en van gedachten te wisselen—vermeen ik, zoowel omdat gij meer tijd zult hebben om na te denken als omdat het nog mooier zal zijn een weinig de ongebondenheid van de geschiedenissen te beperken, dat men zal moeten spreken van hen, die door hun ijver gekregen hebben, wat zij lang hadden begeerd, of die hebben weergevonden, wat zij hadden verloren. Dat hierover elkeen nadenke om iets te zeggen wat nuttig of althans aangenaam kan zijn voor het gezelschap, terwijl het voorrecht van Dioneo behouden blijft.
Ieder prees de taal der koningin en de door haar voorgestelde orde en zij beslisten, dat het zoo zou wezen. Nadat de koningin haar hofmeester had laten komen, wees zij hem nauwkeurig aan, waar hij ’s avonds de tafels moest zetten en wat hij daarna moest doen gedurende den geheelen tijd van haar bewind. Toen dit gedaan was, stond zij met het gansche gezelschap op en gaf aan ieder verlof te doen, wat hem het meest beviel. De dames en heeren begaven zich dientengevolge naar een kleinen tuin, en daar, nadat zij een weinig hadden gewandeld, hielden zij op het aangewezen uur het avondmaal met vreugd en genoegen. Nadat zij hiervan waren opgestaan, leidde, naar het de koningin behaagde, Emilia den dans en werd het volgende lied gezongen, waarop de ander antwoordde:
Welke donna zal zingen, als ik het niet doe,
Die voldaan ben in al mijn begeerten!
Kom dan, Amor, oorzaak van al mijn vreugde
Van al mijn hoop, van al mijn blij geluk;
Laat ons samen wat zingen
Niet van zuchten, noch van bittere pijnen,
Die mij thans Uw vreugde zoeter maken
Maar alleen van het heldere vuur,
Waarvan ik brandend in blijdschap leef en mij verheug
U aanbiddend als mijn god.
Gij hebt mij voor de oogen gesteld, o Amor,
Den eersten dag, dat Uw vuur in mij gloeide
Zulk een jongeling,
Dat er aan schoonheid, aan hartstocht noch moed
Ooit een betere zal zijn te vinden
Noch aan hem gelijk.
Ik ben zoo voor hem ontvlamd, dat ik
Blij met U zing, o mijn heer.
En wat mij hierin het meest verheugt,
Is, dat ik hem evenveel behaag als hij mij,
Dank zij U, Amor.
Ik hoop in deze wereld mijn verlangen
Te bevredigen en in de andere vrede te vinden
Door het volkomen vertrouwen,
Dat ik hem toedroeg. God, die dit ziet,
Zal er zich in zijn hemelrijk nog over erbarmen.
Hierna zong men er nog vele anderen, deed men nog verscheidene dansen en bespeelde men verschillende instrumenten. Maar toen de koningin het tijd achtte om te gaan rusten, ging elk, voorafgegaan door toortsen, naar zijn kamer en de twee volgende dagen vrij van de taak, waarvan de koningin had gesproken, verwachtten zij met verlangen den Zondag.
[
Inhoud
]
