← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Achtste Dag. (continued 2)

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

[

Inhoud

]

Achtste Vertelling.

Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt.

De lotgevallen van Elena waren treurig en bedroevend geweest voor de donna’s om aan te hooren, maar omdat zij meenden, dat die haar ten deele met recht waren overkomen, hadden zij die met meer getemperd medelijden gevolgd, hoezeer zij den student hard en zelfs wreed vonden. Maar toen Pampinea tot het slot was geraakt, beval de koningin, dat Fiammetta zou voortgaan, die verlangend te gehoorzamen zeide: Bekoorlijke donna’s. Daar het mij schijnt, dat de strengheid van den student u eenigszins heeft ontstemd, vind ik het passend de bedroefde zielen een vroolijke, kleine geschiedenis te verhalen van een jonkman, die met zachtheid een beleediging ontving en zich met een gematigd middel wreekte. Daardoor zal het goed zijn te begrijpen, dat wie een ezel ontvangt een gelijke moet terug geven zonder te willen beleedigen, en waar men zich voor een ontvangen hoon moet wreken, niet boven het passende van de wraak te gaan.

De donna geloofde Zeppa en zeide: Mijn Zeppa, daar de wraak op mij moet vallen, ben ik tevreden, mits gij mij in vrede met Uw vrouw laat blijven, daar ik, ondanks wat zij mij gedaan heeft, met haar wil blijven omgaan. Hierop antwoordde Zeppa: Dat zal ik zeker doen en bovendien zal ik U zulk een mooi en duur juweel geven, als gij er nog geen ander bezit. Bij die woorden omhelsde en kuste hij haar, legde haar op den koffer, waar haar man in zat opgesloten en hierop verheugden zij elkander, zooveel het hun beviel. Spinelloccio, die in den koffer zat en de woorden van Zeppa en het antwoord van zijn vrouw gehoord had en daarna den dans van Treviso had bespeurd, die boven zijn hoofd werd uitgevoerd, gevoelde zulk een smart, dat hij dacht te sterven en als hij niet bang was geweest voor Zeppa, had hij zijn vrouw een groote beleediging toegevoegd. Daarna zich toch herinnerend, dat hij met den smaad begonnen was en dat Zeppa reden had te doen, wat hij deed en zich jegens hem menschlievend en als vriend had gedragen, zeide hij tot zich zelf, dat hij meer dan ooit de vriend van Zeppa wilde blijven. Zeppa, die met de donna zoolang was geweest als hij verkoos, kwam van den koffer af en toen de donna hem het beloofde juweel vroeg, maakte hij de kamer open, liet zijn vrouw komen, die niets anders dan lachend zeide: Madonna, gij hebt mij een brood gegeven voor een aschkoek. Hier voegde Zeppa aan toe: Open dien koffer en zij deed het. Daarin toonde Zeppa aan de donna haar Spinelloccio. En het zou lang duren om te zeggen, welke van de twee zich het meest schaamde. Zeppa sprak tot haar: Ziehier het juweel, dat ik u geef. Spinelloccio, uit den koffer gekomen, zeide zonder veel praatjes te maken: Zeppa, wij zijn quitte en daarom is het goed, gelijk gij zooeven tot mijn vrouw zeide, dat wij vrienden blijven en daar er geen ander verschil tusschen ons is geweest als van vrouwen, moeten wij die ons ook gemeen maken. Zij ontbeten alle vier te samen in vrede en Zeppa was voldaan. En van toen af hadden zij elk twee vrouwen, zonder dat zij er ooit twist of oneenigheid over hadden.

[

Inhoud

]

Negende Vertelling.

Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in een kuil met vuil geworpen en achtergelaten.

Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap, gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero (Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam te vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de houding der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij op allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, waren twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, Bruno en Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder en vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar hun beroep.

Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende hij, dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk konden leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die op onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met beide of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met Bruno. Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon zich te vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had in hem wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming met zijn domheid: Maëstro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet aan anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo goed als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet, dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en zoo krijgen wij alles.

Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich in onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, van welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen hij van hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte leerlingen achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor die ridders bereid te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij zekere liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de stad en de zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en nauwe vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun gewoonte met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen vormden zij een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, die elkaar minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats ontmoetten; dan zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met spoed. Met die twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij zijn in dit gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de tapijten te zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, het aantal edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, de spoelvaten, de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander vaatwerk van goud en zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve dat de vele en verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te sommen hoedanig en hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze instrumenten en zangen vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel was men bij die gastmalen brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten worden en hoe kostbaar de wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet niet gelooven, mijn braaf pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in dit gewaad; er is er daar geen, die er minder uitziet dan een keizer.

Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt misschien bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer ik soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u er over verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee wou gaan—het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de elleboog—gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar met geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en toen kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na het Ave Maria ging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden dag een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt daarom geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u eer aan te doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik tot dokter werd gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij is, wanneer het mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal worden. Gij zult eens kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, want voor de gravin mij gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, dat zij mij tot gedoopt ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap mij slecht staan en ik die niet goed weten door te voeren of toch wel! Laat mij maar gaan. Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, maar pas op, dat gij, den streek uithaalt niet te komen of dat gij er niet wordt gevonden, als wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het koud is en gij heeren medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet aan God, zei de dokter, ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik ’s nachts dikwijls opsta voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets anders over mijn wambuis dan mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen zij dus vertrokken waren, vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een uitvlucht tegenover zijn vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te hebben aangetrokken, ging hij naar een der genoemde graven en op een steen, die zeer koud was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die groot en forsch van gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan men zich pleegde te bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer plaats hebben en deed zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat hij op een beer geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest was en met horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van Santa Maria Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, begon hij hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, te huilen en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter dit gewaar werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en hij begon over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange vrouw leek en hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er eenmaal heen was gegaan, spande hij zich in zich rustig te houden, zoo beheerschte hem het verlangen die wondere dingen te zien. Maar terwijl Buffalmacco zich zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die bij het graf, waarop de maëstro stond. De dokter, die van angst sidderde, aarzelde om op het beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, dat het hem kwaad zou doen, als hij er niet op sprong, verjoeg hij met den tweeden angst den eerste, daalde van den grafsteen af en sprak zachtjes: Dat God mij helpe, sprong er op en na er zich goed op te hebben gezet en altijd nog bevend, kruiste hij de handen om recht op te blijven. Toen begon Buffalmacco zich zachtjes te richten naar Santa Maria della Scala en droeg hem als op vier pooten tot aan het klooster der nonnen van Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, waarin de boeren de gravin Civillari haar cijns lieten storten om hun akkers te bemesten. Toen Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij een der randen, sloeg de hand om een der beenen van den dokter en na hem zoo van zijn rug te hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd voorover er in, begon te knarsetanden, te springen en te duikelen en langs Santa Maria della Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, waar hij Bruno vond, die, omdat hij zich niet kon houden van het lachen, gevlucht was. Toen begonnen zij van verre te beloeren, wat de gemeste dokter zou doen. Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat voor afschuwelijke plaats hij zich bevond, deed zijn best zich op te heffen om er uit te komen, maar dan hier dan daar er in terugvallend, werd hij van het hoofd tot de voeten heelemaal kleverig, bedroefd en kwaadaardig en na er voor een paar drachmen van geslikt te hebben kwam hij er toch uit en liet er zijn kap bij in den steek. Hij veegde zich met de handen zoo goed hij kon en daar hij er niets anders op wist, keerde hij terug naar huis en klopte zoo lang, tot men hem open deed. Pas was hij zoo stinkend binnen getreden en had de deur gesloten, of Bruno en Buffalmacco waren daar om te hooren, hoe de maëstro door zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden, hoe de donna hem op de grofste manier uitschold als ooit met een armen duivel geschied was en zeide: Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt naar een andere vrouw gegaan en wilde er heel voornaam verschijnen in uw scharlaken kleed. Was ik niet genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen voldoen, vriendlief en niet alleen jou. Hadden ze je maar verdronken, waar ze je insmeten. Kijk, dat is me een waardige dokter, die een vrouw heeft en ’s nachts naar anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden waschte de dokter zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot middernacht.

Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen die achterlaten, in het huis van den dokter en vonden hem op, en toen zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, dat gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, die er leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best deden u eer en genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn vermoord. Door uw oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, dat een ezel er voor minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren wij aan het gevaar blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te worden. En als gij ons niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op een donkerder plaats hun kleeren te hebben losgemaakt toonden zij hem hun borsten, geheel beschilderd en bedekten die weer snel. De medicus wilde zich verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar hij in was geworpen. Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat gij van de brug over den Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God en de heiligen aanbevolen? Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter antwoordde: Bij het geloof in God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, riep Buffalmacco: hebt gij er niet aan gedacht? Dan hebt gij u niet veel herinnerd, want onze bode zeide, dat gij beefde als een riet. Gij hebt het ons mooi geleverd, maar niemand zal ons dat weer doen en wij willen u de eer bewijzen, die u toekomt. De dokter vroeg vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets zouden verwijten en met de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen. En uit vrees, dat zij zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun van toen af nog meer eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men gezond verstand aan wie het niet opdeed te Bologna.

[

Inhoud

]

Tiende Vertelling.

Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en henneppluis tot pand.

Hoe het verhaal van de koningin de donna’s had doen lachen, behoeft men niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van het uitgelaten lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het uit was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna’s. Het is duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij door fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij allen zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te verhalen, dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald zijn, omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was in het misleiden van anderen dan de reeds besproken personen.

Het was gewoonte—en het is het misschien nog—in alle handelssteden met een haven, dat alle kooplieden, die met koopwaar aankomen, na ze te laten lossen, ze in een loods laten brengen die in vele plaatsen tolhuis heet, gehouden door de gemeente of door den heer er van. En daar geven zij hen, die er voor aangesteld zijn, een schriftelijke opgaaf van al hun koopwaar en den prijs er van en door dezen wordt aan den koopman een magazijn geschonken, waarin hij zijn goederen plaatst en dit afsluit. De tolbeambten schrijven dan in het tolboek op rekening van den koopman al zijn artikelen en laten hem invoerrecht betalen alnaar het gedeelte, dat hij er uithaalt. Uit dit tolboek vragen de makelaars dikwijls inlichtingen naar de hoedanigheid en de hoeveelheid der aanwezige waren en ook wie de kooplieden zijn, waarmede zij onderhandelen.

Hij bezocht de donna zeer dikwijls zonder dat het hem iets kostte en daar hij telkens meer ontbrandde, kwam hij er toe zijn lakens contant te verkoopen met een goede winst, wat de donna van anderen vernam. Toen Salabaetto op een avond bij haar gekomen was, begon zij met hem te stoeien, te omhelzen en te kussen en deed zich zoo verliefd voor, of zij van liefde zou sterven. Bovendien wilde zij hem twee zeer mooie zilveren bekers geven, welke Salabaetto niet wilde aannemen. Hij had er reeds een gehad, die wel dertig goudguldens waard was, en zij wilde van hem niets aannemen, dat een gros waarde had. Nadat zij hem goed had in vuur gezet, riep zij een van haar slavinnen, ging de kamer uit en bleef een poosje weg; daarna kwam zij schreiend binnen, wierp zich met het gelaat op bed en begon zoo bitter te klagen, als ooit een vrouw het deed. Salabaetto verwonderde zich, hief haar in zijn armen en begon met haar te treuren en zeide: Kom, hartedief, wat hebt gij plotseling? Wat is de reden van die smart? Toen de donna zich genoeg had laten bidden, sprak zij: Wee mij, mijn goede heer! Ik ben ten einde raad; zooeven ontving ik een brief uit Messina, waarin mijn broeder mij schrijft, dat ik, al moest ik alles verkoopen en verpanden, hem zonder uitstel over acht dagen, duizend goudguldens stuur en zoo niet, dat hem dan het hoofd zal afgeslagen worden. Wat moet ik doen om die som op tijd te hebben? Had ik veertien dagen tijd, dan kon ik wel een middel vinden ze mij te verschaffen, en ik zou enkele van mijne bezittingen verkoopen, maar nu zou ik liever dood willen zijn; en zij toonde zich geheel wanhopend. Salabaetto, wien de liefdevlammen een deel van het noodig besef hadden ontroofd, geloofde, dat dit echte tranen en ware woorden waren en zeide: Madonna, ik zou u wel met vijfhonderd goudguldens kunnen helpen, als gij ze mij in veertien dagen kunt teruggeven. Gelukkig voor u, dat ik gisteren mijn lakens verkocht, anders had ik u geen stuiver kunnen leenen. Wee mij, sprak de donna, hebt gij dan nog geldgebrek gehad? O, waarom hebt gij mij dat niet gezegd? Al had ik geen duizend florijnen, dan kon ik er u nog wel honderd en zelfs twee honderd schenken. Gij hebt mij den moed ontnomen om den dienst aan te nemen, dien gij mij aanbiedt. Salabaetto door die woorden nog meer bevangen, zeide: Madonna, daarom wil ik niet, dat gij mij laat varen, want als ik ze noodig had gehad, zou ik ze gevraagd hebben. O mijn Salabaetto, sprak de donna, wel weet ik, dat Uwe liefde waar en volkomen is, nu gij zonder af te wachten, dat ik u iets vraag, edelmoedig aan mij denkt. Zeker, ik had niet noodig om geheel de uwe te zijn, maar ik zal het nog meer wezen en nooit vergeten, dat ik u het hoofd van mijn broeder schuldig ben. Maar God weet, dat ik ongaarne dit geld aanneem, daar gij een koopman zijt en de kooplieden moeten met hun geld zaken doen maar de nood dwingt mij en ik vertrouw er op het u spoedig te kunnen teruggeven, daarom zal ik het geld aannemen en als ik geen sneller middel weet mijn goed verpanden. Schreiend wierp zij zich bij die woorden aan Salabaetto’s borst. Hij troostte haar en na den nacht bij haar te hebben doorgebracht om zich haar dienaar te toonen, bracht hij haar zonder verzoek af te wachten vijfhonderd goudguldens, welke zij met een lachend hart en weenende oogen aannam en Salabaetto was met haar belofte tevreden. De donna liet de datums verspringen. Salabaetto, die vroeger naar de donna ging, wanneer hij wilde, begon nu in het geval te komen, dat hij van de zeven keer een keer binnen kwam en de liefkoozingen niet meer ontving. Toen er twee maanden verstreken waren, waarop hij het geld moest terug krijgen, ontving hij, toen hij er om vroeg, woorden in betaling. Salabaetto, die de list van de slechte vrouw gewaar werd, beklaagde zich over zijn dwaasheid, daar hij voelde, dat hij er niets van kon zeggen, omdat hij er geen geschrift of getuigenis van had. Hij schaamde zich bij iemand te klagen, omdat men hem van te voren had gewaarschuwd en was bevreesd voor den spot, die hij wegens zijn domheid verwachtte. Daar hij van zijn patroons verscheidene brieven had, waarin men hem opdroeg geld te wisselen en het te zenden, en hij het niet doen kon, besloot hij, opdat zijn domheid niet ontdekt zou worden, te vertrekken. Hij ging scheep en kwam niet te Pisa, gelijk hij moest, maar te Napels.

Er bevond zich te Napels in dien tijd onze vriend Pietro dello Canigiano, de schatbewaarder van mevrouw de keizerin van Constantinopel, een man van groot verstand, een vriend van Salabaetto. Salabaetto beklaagde zich op een goeden dag en verhaalde zijn treurig avontuur en vroeg hem hulp en raad om zijn brood te kunnen verdienen, daar hij plan had nooit meer naar Florence terug te keeren. Canigiano, die het zeer treurig vond, zeide: Gij hebt verkeerd en slecht gehandeld, uw meester slecht gehoorzaamd en te veel geld in vermaak verteerd, maar wij moeten alles zien te herstellen. Hij bedacht als vernuftig man, wat er gedaan moest worden en zeide het tot Salabaetto. Deze besloot dien raad te volgen en daar hij wat geld had en Canigiano hem wat leende, kocht hij verscheidene goed dicht gebonden en samengepakte balen en twintig olievaten, liet ze vullen en opladen en keerde terug naar Palermo. Hij gaf de factuur aan de tolbeambten en nadat hij alles op zijn rekening had laten schrijven, deed hij dit in de loods en zeide, dat hij er niet aan wilde raken voor de andere waar, die hij verwachtte, was aangekomen. Jancofiore, die hoorde, dat, wat hij nu had meegebracht, wel tweeduizend goudguldens waard was, en hetgeen hij wachtte, misschien wel drieduizend goudguldens, vond, dat ze hem weinig had ontroofd en nam zich voor hem de vijfhonderd terug te geven om het grootste deel van de vijfduizend te krijgen. Zij liet hem roepen. Salabaetto, nu slim geworden, ging. Zij deed of ze niets wist van wat hij had meegebracht, ontving hem met wonder veel vreugde en zeide: Als gij boos zijt geworden, omdat ik u uw geld niet ter rechtertijd heb teruggegeven … Salabaetto begon te lachen en zeide: Madonna, waarlijk het heeft mij een weinig mishaagd, want ik had mij het hart uit het lijf getrokken om het u te geven; hoor, hoe kwaad ik op u geworden ben. De liefde, die ik u toedraag, is zoodanig, dat ik het grootste deel mijner bezittingen heb verkocht en hier zooveel koopwaar heb aangebracht, dat die meer dan tweeduizend goudguldens waard is en ik verwacht er van den Levant, die wel drieduizend waard zijn. Ik heb plan in deze stad een magazijn op te richten om altijd bij u te kunnen zijn, want ik meen het met uw liefde beter te maken dan eenig ander minnaar. Hierop sprak de donna: Kijk, Salabaetto, wat u behaagt, bevalt mij zeer, daar ik u meer dan mijn leven lief heb; ik ben verheugd, dat gij met dit doel zijt teruggekeerd en ik hoop een gelukkigen tijd met u door te brengen. Ook moet ik mij nog verontschuldigen over de keeren, die gij hier gekomen zijt voor uw vertrek er niet zoo vroolijk zijt ontvangen als gewoonlijk en ook, omdat ik u uw geld niet op tijd terug gaf. Gij moet weten, dat ik toen zeer treurig en in de grootste droefenis was en wie in dien toestand is, hoe hij ook lief heeft, kan geen prettig gezicht trekken, noch de aandacht aan hem schenken, zooals hij zou willen. Ook is het voor een vrouw zeer moeilijk duizend goudguldens te krijgen. Men vertelt ons den ganschen dag leugens en daardoor moeten wij ook anderen voorliegen. Er kome geen ander kwaad van, dat ik u uw geld niet terug gaf. Kort na uw vertrek had ik alles, en zou het u zeker gestuurd hebben, als ik wist, waar het heen moest, maar ik heb het voor u bewaard. En nadat zij een beurs had laten komen, stelde zij hem die ter hand en zeide: Tel of er vijfhonderd zijn. Salabaetto was nog nooit zoo blijde geweest en na bevonden te hebben, dat er vijfhonderd waren, stak hij ze bij zich en zeide: Madonna, ik weet, dat gij de waarheid zegt en gij hebt goed gehandeld. En ik zeg u hierom en om de liefde, die ik u toedraag, dat gij mij nooit een som zoudt kunnen vragen, die ik u niet zou willen geven, als gij dien noodig hadt. En na de liefde in woorden te hebben hernieuwd, begon Salabaetto haar ijverig te bezoeken en haar alle mogelijke genoegens te doen en de grootste eer en de meest mogelijke liefde te bewijzen. Maar Salabaetto, die door bedrog haar bedrog wilde straffen, had haar ten avondmaal gevraagd en ging met haar slapen en deed zoo treurig of hij zou sterven. Jancofiore omhelsde hem en vroeg hem, waarom hij zoo droefgeestig was. Na veel bidden zeide hij: Ik ben verloren, omdat het schip, waarop de koopwaar was, die ik verwachtte, door zeeroovers van Monaco genomen is en gebrandschat voor tienduizend goudguldens, waarvan ik er duizend moet betalen. Ik heb er geen stuiver van, omdat ik de vijfhonderd, die gij mij teruggaaft, dadelijk naar Napels zond om zeilen te koopen. Als ik nu mijn koopwaar verhandel, kan ik ze ternauwernood, omdat het thans geen tijd is, voor de helft van den prijs verkoopen en hier ben ik niet genoeg bekend om iemand te vinden, die mij helpt en daarom weet ik geen raad. Zend ik niet spoedig het geld, dan zal de koopwaar naar Monaco worden gebracht en ik zal die nooit terug krijgen. De donna was hierover heel treurig, want het scheen haar, dat voor haar alles verloren was en denkend aan een middel, waardoor zij hem moest binden, opdat hij niet naar Monaco zou gaan, zeide zij: God weet, hoezeer het mij spijt, maar wat helpt het er zoo over te weeklagen? Als ik het geld had, zou ik het u dadelijk leenen. Eergisteren leende mij iemand vijfhonderd goudguldens, maar hij eischte hooge woekerwinst, niet minder dan tegen dertig procent. Als gij dat wilt, onder goeden borg, ben ik voor u bereid al mijn gewaden en mij zelf, voor zoover hij wil, te verpanden om u te kunnen dienen. Salabaetto begreep de reden van dien dienst en bemerkte, dat zij zelf het geld zou leenen. Hij bedankte en zeide, dat hij het voor de hooge rente niet zou laten, daar de nood hem dwong en dat hij hem als borg zijn waren verzekerde, en dat hij die dan zou laten overschrijven op diens naam, maar dat hij den sleutel der magazijnen wilde bewaren, zoowel om zijn koopwaar te kunnen toonen als opdat niets zou kunnen aangeraakt, bedorven of verruild worden. De donna was het daarmee eens.

Toen de dag gekomen was, ontbood zij een makelaar, waarin zij groot vertrouwen had en zij gaf hem duizend goudguldens, die de makelaar aan Salabaetto leende, bij de douane op zijn naam liet inschrijven, wat Salabaetto daar had liggen en hun contracten in orde maakte. Salabaetto ging, zoo gauw hij kon, scheep met de duizend vijfhonderd goudguldens, keerde naar Pietro Canigiano terug te Napels en vandaar zond hij alles, wat hij schuldig was naar Florence aan zijn patroons, en nadat hij Pietro en alle anderen alles betaald had, vermaakte hij zich vele dagen met Canigiano over het bedrog jegens de Siciliaansche. Daar hij nu niet langer koopman wilde zijn, begaf hij zich naar Ferrara. Jancofiore, die Salabaetto niet in Palermo vond, kreeg argwaan en toen hij na twee maanden wachten niet kwam, liet zij door den makelaar de magazijnen ontgrendelen. En nadat zij eerst de vaten onderzocht, naar zij dacht, vol olie, bevond zij, dat die vol zeewater waren met slechts een buis vol olie rondom de spon. Na hierop de balen te hebben open gemaakt vond zij die, behalve twee met lakens, vol hennep-pluis en dat alles was niet meer dan tweehonderd florijnen waard. Daar Jancofiore zich misleid zag, beweende zij lang de vijfhonderd teruggegeven goudguldens en de meer dan duizend geleende en zei meermalen: Wie te doen heeft met een Toscaan, moet vroeg opstaan. Aldus achtergebleven met de schade en de schande, zag zij, dat die net zoo slim was als alle anderen.

Daar Dioneo zijn vertelling geëindigd had en Lauretta zag, dat haar regeerings-termijn verstreken was en na den raad van Pietro Canigiano geprezen te hebben en de sluwheid van Salabaetto, hief zij den lauwer omhoog, plaatste dien Emilia op het hoofd en zeide met vrouwelijke gratie: Madonna, ik weet niet of wij aan u een lieve koningin zullen hebben, maar zeker een schoone; laten dus uw daden met uw bekoorlijkheden overeen komen. Daarna keerde zij zich om en ging zitten. Emilia bloosde een weinig, niet zoozeer omdat zij zich verheven zag tot koningin als wel, omdat zij zich openlijk geprezen voelde om wat de vrouwen het meest begeeren en haar gelaat werd als de jonge rozen bij zonsopgang. Maar nadat zij de oogen had neergeslagen en haar blos was verdwenen en zij zich met haar hofmeester van de voortdurende plichten van het gezelschap had gekweten, begon zij aldus te spreken:

Beminnelijke donna’s. Wij zien duidelijk genoeg, dat, wanneer de ossen een deel van den dag gezwoegd hebben onder het juk gebonden, zij daarvan ontheven worden en waar het hun behaagt, laat men ze in de bosschen grazen. En wij zien ook, dat de tuinen beplant met verschillende boomen niet minder mooi maar veel schooner zijn dan de wouden, waarin wij alleen eiken vinden. Daarom, nu wij zooveel dagen onder beperkende wetten gesproken hebben, meen ik, dat het nuttig en aangenaam zal zijn, dat wij wat rondzwerven en daardoor krachten herwinnen om weer onder het juk te treden. En opdat elk morgen zal vertellen, wat hem het aangenaamst, is wil ik u niet beperken, daar de afwisseling der dingen, waarover men zal spreken niet minder aangenaam is. Zoo kan, wie na ons aan de regeering komt, ons als sterkeren aan onze wetten binden. Daarna gaf zij elk volledige vrijheid tot aan het uur van het avondmaal. Iedereen prees de koningin als verstandig en na opgestaan te zijn gaf deze aan het eene, gene aan het andere genoegen zich over: de dames met kransen te vlechten en zich te verlustigen, de jongelieden met te spelen en te zingen en zoo brachten zij den tijd tot het etensuur door. Toen aten zij rondom de fontein met genoegen en na het maal vermaakten zij zich op de gewone wijze met zingen en dansen. Ten slotte beval de koningin om het voorbeeld van haar voorgangsters te volgen, hoewel er al vele liederen vrijwillig door velen waren opgezegd, dat Pamfilo er een zou zingen. Deze begon vrijmoedig aldus:

Zoo groot, o Amor, is het goede,

Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde,

Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden.

De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart,

Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt,

Waartoe gij mij hebt gebracht,

En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraan

En op mijn verhelderd gezicht

Toont het mijn gelukkigen toestand;

Want, daar ik verliefd ben,

Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaats

Zoet, dat ik in vuur sta.

Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen,

Noch met de hand schrijven

O Amor, het heil, dat ik gevoel.

En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen:

Want indien het bespeurd werd,

Zou het in een marteling veranderen.

Maar ik ben zoo voldaan,

Dat alle taal weinig en zwak zou zijn,

Voor ik er iets van zou hebben onthuld.

Wie zou kunnen denken, dat mijn armen

Haar ooit zouden bereiken,

Waar ik haar omhelsd heb,

En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen,

Waar ik tot haar kwam,

Door gratie en door geluk?

Men zou nooit geloofd hebben

Aan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur.

Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt.

Het lied van Panfilo was ten einde en hoewel allen er hun meening over hadden gezegd, was er geen, die niet met alle aandacht op de woorden had gelet en zijn best deed te raden, wat hij bij het zingen verborgen hield. En wat men zich ook verbeeldde, toch kwam niemand tot de waarheid. Maar toen de koningin zag, dat het lied van Panfilo geëindigd was en de jonge dames en heeren wilde uitrusten, beval zij, dat ieder zou gaan slapen.

[

Inhoud

]

Negende Dag.
Negende Dag.

Notes in this chapter

Note 1 · Heilige oorlog: Kruistocht. ↑Note 2 · Avignon was toen de zetel van den Paus. ↑Note 3 · Behoedt mij. ↑Note 4 · Zonder wacht. ↑Note 5 · Dit drietal waren schilders, die ten tijde van Boccaccio leefden. ↑Note 6 · De Mugnone is een stroom, die zich bij Florence in den Arno stort. ↑Note 7 · De Heliotroop is een kostbare steen evenals de smaragd rood gevlekt, waaraan de Ouden de eigenschap toeschreven onzichtbaar te maken wie hemNote 8 · Settignano en Montisci of Montici, twee streken van den Valdarno, de eene op drie, de ander op twee en een halve mijl van Florence. ↑Note 9 · Fiesole ligt op een heuvel in gezonde lucht, Sinigaglia in een ongezond moeras vooral gedurende den zomer. ↑Note 10 · De uitgang “azza” heeft door den klank in het Italiaansch iets verachtelijks. ↑Note 11 · Te Florence evenals in alle andere, middeneeuwsche republieken noopte de staatkundige naijver der stads-partijen altijd vreemde magistraten Note 12 · Vele commentators beweren, dat dit geval voor de helft werkelijk is gebeurd en dat Boccaccio in den leerling zich zelf schildert, aan wien dNote 13 · Middeneeuwsche uitdrukking voor: naar den grond, daar de hel onder de aarde was. ↑Note 14 · Camollia, een straat in Siena. ↑Note 15 · Daar de doktoren over de toga van scharlaken een mantel droegen van bont en op het hoofd een bonten baret. ↑Note 16 · Lucifer van San Gallo, een dwaasheid in scherts gezegd, evenals mellonaggine da Legnaja. Maar hier is het noodig er bij te voegen, dat werkeNote 17 · Priester Johannes was een legendaire figuur uit de Middeneeuwen, die een zeer machtig christelijk rijk beheerschte van het Oosten in AethiopNote 18 · Dit bewijst, dat de doktoren toen ook nog drogisten waren en geneesmiddelen bereidden en verkochten. ↑Note 19 · Het schijnt dat men hier het tegenovergestelde moet lezen, maar niet voor niets steekt Bruno den draak met de onnoozelheid van den dokter. ↑Note 20 · Vet varken. ↑Note 21 · Peretola ligt misschien vier mijlen van Florence, maar aan dien dokter schijnt dit een heel ding. ↑Note 22 · Een slechte buurt in Florence. ↑Note 23 · Gewoonlijk spreekt hij van groote dwaasheden om dien zot te verbluffen. De guitaren van turksch koren, zouden volgens Martinelli, guitaren uNote 24 · Bagattini, kleine venetiaansche munt. ↑Note 25 · Maëstro Scipa, een spotnaam. Scipa is ongetwijfeld afgeleid van scipito, leeghoofd, dwaas. ↑Note 26 · Hoewel de commentatoren hier: “comeque’ signori” niet begrijpen, komt mij voor, dat hiermee slechts ironisch geen andere heeren bedoeld zijnNote 27 · In den gevel van de kerk van Pasignano, een dorp van het florentijnsche graafschap, was God de Vader geschilderd. Maar de goede dokter verbeNote 28 · Woordspeling van meloen met mellonaggine, de onnoozelheid van den dokter. Sommige, vroegere navorschers hebben echter beweerd, dat imparar sNote 29 · Namelijk wanneer de winkels gesloten zijn en er geen zout te koop is, wat gelijk staat met hem voor dwaas uit te schelden. ↑Note 30 · Civillari was in Florence een plaats, waar zekere kuilen waren om de uitwerpselen te bewaren en er de omliggende tuinen van te voorzien. DieNote 31 · Werktuigen van het edele gilde der putscheppers. ↑Note 32 · Hier spreekt Boccaccio zich tegen, want in den aanvang der historie heeft hij gezegd, dat de dokter in Florence was geboren. ↑Note 33 · Er bestond werkelijk destijds een orde van gedoopte (eigenlijk gebaadde) ridders, die zeer gezien en beroemd was en die de gewoonte had de nNote 34 · Jancofiore, Biancofiore, Witte Bloem. ↑Note 35 · In geheel Italië gedurende de Middeneeuwen en ook twee eeuwen nog daarna waren er blanke en oostersche slaven, wat wet en kerk toestonden. ↑Note 36 · De kamers in de badhuizen waren zonder eenig raam om er de warmte in te bewaren en daardoor geheel donker. ↑Note 37 · Het was toen gewoonte aan de zuilen van het bed eenige kleine instrumenten toe te voegen in den vorm van vogels, die door middel van zekere Note 38 · Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena en de anNote 39 · Toen de donna’s wat hadden geschertst over de gemeenschap van de vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, die alleNote 40 · De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was Note 41 · Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresseNote 42 · De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht geNote 43 · Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het niet geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen dokter,Note 44 · Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten haddenNote 45 · Dit gebruik bestond ook in Palermo, waar vele schoone vrouwen zijn maar vijandinnen van eerlijkheid; dezen worden gehouden voor voorname en Note 46 · Salabaetto waande zich in het paradijs en had haar duizend keer aanschouwd, die zeer schoon leek en ieder uur, dat die slaven bleven, voor h
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings