← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 26 — Achtste Dag. (continued 2)

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven en ook aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren26, welke de beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan hem vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het tijd scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, gelijk hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover zeer vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den verheven God van Pasignano27, dat weinig mij weerhoudt, je niet zóó op het hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, die gij zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter verteld. Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij het van anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed hij hem toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde maëstro, het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen28, die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een Zondag gedoopt29. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door uw verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, zeide tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou zoo spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde, dat Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, dat ik het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter tot Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student, die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat ik nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik hun en toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen wilden, dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij alleen wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, maar ik wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer groote erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings