Vierde Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
De derde Dag van de Decamerone eindigt; de vierde vangt aan, waarop onder het bewind van Filostrato gesproken wordt van hen, wier liefde een ongelukkig einde had.
De eerwaarde man, die bedacht, dat zijn zoon al groot was en zoo gewoon was aan den dienst van God, dat de dingen der wereld hem moeilijk voortaan daaraan konden onttrekken, zeide tot zich zelf: Hij redeneert goed. Daarom, toen hij er heen moest gaan, nam hij hem mee. Toen de jonkman daar de paleizen zag, de huizen, de kerken en al de andere zaken, waarvan de heele stad vol was, begon hij, omdat hem nooit uit zijn herinnering zoo iets voorstond, zich zeer te verbazen en vroeg van velen aan zijn vader, wat dat waren en hoe zij heetten. De vader vertelde hem dit. En hij, die dit vernam, bleef voldaan en vroeg nu iets anders. Terwijl de zoon zoo vroeg en de vader zoo antwoordde, ontmoetten zij toevallig een gezelschap schoone en getooide jonge meisjes, die van een bruiloft kwamen. Toen de jongeling die zag, vroeg hij ook wat dat voor een ding was. De vader sprak dan: Mijn zoon, sla de oogen ter aarde neder; kijk er niet naar, dat is een kwaad ding. De zoon ging voort: O hoe heeten die? De vader, om niet in den zinnelijken geest des jongelings een schadelijke, zondige begeerte op te wekken, wilde ze niet bij hun eigen naam noemen, maar zeide: Het zijn ganzen.
Het is wonderbaar om te hooren! Hij, die er nooit een gezien had, bekommerde zich niet meer om de paleizen, om os, paard noch ezel, noch om geld, noch om wat hij ook had aanschouwd, maar zei onmiddellijk: Vader, ik bid u, dat gij zorgt, dat ik zulk een gans krijg. Wee mij, mijn zoon, sprak de vader, zwijg, zij zijn een boos ding. De zoon vroeg hem toen: Ik weet niet, wat gij zegt, noch waarom die wezens slecht zijn; wat mij betreft, mij heeft nog nooit iets zoo schoon of bekoorlijk geschenen als dezen zijn. Zij zijn schooner dan de geschilderde engelen, die gij mij meermalen hebt doen aanschouwen. Kijk, als gij om mij geeft, zorg dan dat wij een van die ganzen naar boven medenemen en ik zal die voeren. De vader sprak: Ik wil het niet; gij weet niet, waarmee zij zich voeden. En hij bemerkte dadelijk, dat de natuurdrift machtiger was dan zijn geest en had er berouw van zijn zoon naar Florence te hebben gevoerd.
Maar dit is tot hiertoe van deze geschiedenis voldoende verteld en ik wil mij weer wenden tot hen, die ik deze verhaald heb. Eenige van mijn verbeteraars zeggen, dat ik kwaad doe, o jonge dames, doordat ik mij er te veel op toeleg u te behagen en dat ge mij te veel bekoort. Dit beken ik openlijk, namelijk, dat gij mij bekoort en dat ik mijn best doe u te bevallen. En ik vraag hen, waarom zij er zich over verwonderen als zij niet eens in aanmerking nemen, dat ik de verliefde kussen gekend heb en de heerlijke omhelzingen en de zalige samenkomsten, welke men van u, allerzoetste donna’s, dikwijls geniet. Zij schijnen er alleen op te letten, dat ik gezien heb en voortdurend zie uw sierlijke manieren en uw begeerenswaardige schoonheid en uw schoonen tooi en behalve dat uw aristocratische eerbaarheid. Zou dan iemand die gevoed, opgegroeid en volwassen is op een wilden en eenzamen berg binnen de muren van een enge hut zonder ander gezelschap, dan zijn vader, zoodra hij u ziet, niet u alleen begeeren, niet u alleen verlangen, niet u alleen met hartstocht volgen? Laten zij, die mij misprijzen, mij maar bijten, mij verscheuren, als ik, wiens lichaam de hemel geheel heeft geschapen om u te beminnen en die van af mijn kindsheid u mijn ziel heb gegeven, de kracht maar heb van het licht uwer oogen, de zachtheid van uwe honingzoete woorden te gevoelen en ik ontbrand door uw medelijdende zuchten, terwijl gij mij bekoort of als ik mijn best doe u te behagen en zeker indien ik er op let, dat gij ook aan een kleinen kluizenaar, aan een jonkman zonder gevoel, haast aan een wild beest hebt bekoord? Voorzeker wie u niet bemint, en niet verlangt door u bemind te worden als iemand, die noch de genoegens noch de kracht der natuurlijke aandrift voelt noch kent, laat die mij maar hekelen; daar geef ik weinig om. En zij, die tegen mijn leeftijd gaan spreken, toonen, dat zij slecht weten, dat de prei, die een witten kop heeft, een groenen staart bezit. Aan hen, scherts ter zijde latend, antwoord ik, dat ik tot de uiterste grens van mijn leven mij niet zal schamen daarin genoegen te vinden, waarin Guido Cavalcanti en Dante Alighieri al bejaard en messire Cino van Pistoja al zeer oud een eer stelden, en het hoog schatten hierin behagen te scheppen. En als het niet gaan was buiten de gewone manier van vertellen, zou ik geschiedenissen ter verdediging aanvoeren en ik zou toonen, dat die allen vol zijn met voorbeelden van antieke en waardige mannen, die in hun rijpste jaren hun best hebben gedaan aan de donna’s te behagen. En als die het niet weten, laten zij dan maar gaan en het leeren.
Dat ik mij met de Muzen op den Parnassus moet bezighouden, ik beken, dat dit een goede raad is, maar ik kan niet mijn heele leven bij de Muzen blijven, noch zij bij mij, en wanneer de man van hen scheidt en zich vermeit hen te aanschouwen, die op dezen gelijken, valt dat niet te laken. De Muzen zijn donna’s en hoewel de donna’s niet verlangen, wat de Muzen begeeren, hebben zij er op het eerste gezicht overeenkomst mee, zoodat, als die mij om niets anders bekoorden, zij het daarom moesten doen zonder te rekenen, dat vroeger voor mij de dames de oorzaak waren, dat ik duizend verzen dichtte, wat de Muzen nooit van mij verkregen. Wel hielpen zij mij en wezen mij, hoe die duizend te maken en misschien, dat zij, bij het schrijven van deze geschiedenissen, hoewel die zeer onbeduidend zijn, verscheidene malen tot mij gekomen zijn om bij mij te blijven misschien ten dienste en ter eere van de gelijkenis, die de donna’s met hen hebben. En daarom als ik ze samen stel, verwijder ik mij noch van den berg Parnassus, noch van de Muzen, wat ongelukkig velen meenen.
Maar wat zullen wij zeggen tot hen, die zooveel bezorgdheid over mijn honger hebben, dat zij mij raden mij brood te verschaffen? Zeker, ik weet het niet, wanneer ik er over denk, wat hun antwoord zou zijn; als ik uit nood het hun zou vragen, dan meen ik, dat zij zouden zeggen: Ja, zoek het met verdere vertelsels te verdienen. En vroeger hebben de dichters er meer met hun fantasiën bij gevonden dan vele rijken onder hun schatten. Velen zelfs door hun verhalen te verbeelden, deden hun leven bloeien, terwijl integendeel velen bij het zoeken naar meer brood dan ze noodig hadden, jong te gronde gingen. Wat meer? Dat zij mij wegjagen, wanneer ik er hun om vraag? Neen, Goddank, heb ik het nog niet noodig en mocht de nood toch nog komen, dan weet ik volgens den Apostel, den overvloed te verdragen en de armoede en daarom dat niemand zich meer met mij bemoeit dan ik het doe met een ander.
Voor hen, die zeggen, dat ik de dingen niet vertel zooals ze gebeurd zijn, zou ik zeer op prijs stellen, dat zij de bronnen voor den dag haalden, en dan, als ze met wat ik schrijf in strijd waren, zou ik zeggen, dat hun aanmerkingen juist waren en ik zou mijn best doen ze zelf te verbeteren. Maar zoolang mij niets anders voor de oogen komt dan praatjes, zal ik ze in hun meening laten, de mijne volgen en van de hunne zeggen, wat zij van de mijne beweren. En denkend, dat ik er voor ditmaal genoeg op heb geantwoord, zeg ik, dat ik met Gods hulp en de uwe, liefste donna’s, waarop ik hoop, gewapend en met veel geduld hiermee zal voortgaan en het hoofd keer tegen dien wind in, welke ik laat blazen. Omdat ik niet zie, dat er voor mij iets anders uit kan voortvloeien dan wat er met het stof gebeurt, dat, wanneer een wind blaast, of niet van de aarde opstuift of als het wordt opgeheven, omhoog wordt gedragen en dikwijls op de hoofden der menschen, op de kronen der koningen en keizers en dikwijls op de trotsche paleizen en de verheven torens neerkomt, waarvan het, als het weer neerslaat, niet lager kan dalen dan het reeds opgejaagd is. En als ik mij er ooit op toelegde met al mijn kracht u te behagen, zou ik mij er nu meer dan ooit aan wijden, want ik weet, dat men met recht niets anders zal kunnen zeggen dan dat de anderen en ik, die u liefhebben, zeer natuurlijk handelen. Tegen die wetten in te gaan, namelijk tegen de natuurwetten, gebeurt niet alleen dikwijls tevergeefs, maar tot groote schade van de daders. Ik beken, dat ik die krachten niet heb en dat ik ze hiervoor niet begeer; en als ik ze had, zou ik ze liever anderen leeren dan ze zelf te gebruiken. Laten daarom mijn vijanden zwijgen en als zij niet kunnen in vuur raken, doordat zij zoo verstompt leven in hun genoegens, of liever in hun verdorven begeerten, laten zij mij in het korte leven mij gesteld, de mijnen gunnen. Maar om terug te keeren tot hetgeen, waarvan wij zeer zijn afgeweken, o schoone donna’s, laten wij daarvan weer uitgaan en de ingestelde orde volgen.
De zon had van den hemel elke ster en van de aarde den vochtigen nevel van den nacht verdreven, toen Filostrato opstond, zijn geheele gezelschap deed herrijzen en nadat zij zich in den schoonen tuin hadden begeven, gingen zij daarin wandelen. Toen het etensuur gekomen was, ontbeten zij daar, waar zij den vorigen avond gegeten hadden. En na geslapen te hebben, toen de zon op zijn hoogste punt stond, verhieven zij zich en volgens gewoonte zetten zij zich neer bij de schoone fontein. Daar beval Filostrato aan Fiammetta, dat die met de vertellingen zou beginnen, welke zonder verder te wachten, wat er gelast werd, vol gratie aldus begon:
[
Inhoud
]
Eerste Vertelling.
Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje neemt vergift in en sterft.
Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard.
Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige omstandigheden van een donna geëischt wordt. Zij leefde met haar vader teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd zij in stilte, hem vaak ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw te gaan door het middel, hem door haar aangewezen.
Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien, waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich samen zeer verheugden. Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven, keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd, keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin, afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht.
Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was, maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen, maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon, om voorzichtiger te doen—en met minder schande voor hem zelf—wat hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen en in ’t geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan, gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo niet anders dan dit: Amor vermag dikwijls meer dan wij. Tancredi beval toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven, als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind.
Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi, ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware redenen mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen, maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd, te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij, behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid verwijt,—daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid—dat ik (alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont daardoor van adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt, welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb, dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken, maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel, maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden, waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel, dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen, verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat, wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben.
De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen, maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van Guiscardo doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had.
Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou, wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik hem ooit vergelden kan.
Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze, waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart.
Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet, wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord, maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken, lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren, daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna: Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch, indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde, dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen, openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen, drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God, want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid, liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide eervol in een zelfde tombe begraven.
[
Inhoud
]
Tweede Vertelling.
Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend door haar zwagers en naar den kerker gevoerd.
De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was, begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus:
Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde, geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar, een groot prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben verbeterd, die hij als hij kon, in ’t geheim bot vierde. Bovendien, daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist hij op zoo’n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat er opgesteld werd en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman, die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij hem als Venetiaansche—en die zijn allen dwaas—een deel van haar zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij, die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken, liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen.
Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van donna’s, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna’s en dezen aan weer anderen en aldus was in minder dan twee dagen Venetië er vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid.
De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan, zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet, hoe gij hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen.
[
Inhoud
]
Derde Vertelling.
Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had, bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was wel wat goeds—en dat beviel mij—in het slot van uw verhaal, maar er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij:
Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en dikwijls ook voor anderen. En onder de gebreken, die ons met losse teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan harde en zwaardere. Toch—en de mannen nemen het niet als een kwaad op—zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden en even zooveel donna’s gelijk ik hierboven zeide, door den toorn van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden.
Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen gedood had. Toen Fouques en Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf, waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord—en hun donna’s weer van hen—waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep met toestemming van Madeleine in ’t geheim met haar. Nadat hij eerst deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, dat zij ’s morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een lang verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt.

De minnenijd.
4e Dag—3e Vertelling.
Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen zij een bark en vluchtten ’s nachts naar Rhodes, waar zij in armoede en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde.
[
Inhoud
]
Vierde Vertelling.
Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen.
Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna’s. Er zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen dood heeft gevoerd.
Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb.
[
Inhoud
]
Vijfde Vertelling.
Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht: Gracieuse donna’s, mijn novelle zal niet handelen over menschen van zoo hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat Messina mij voor kort in ’t geheugen riep, waar het voorval plaats had.
De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid, overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in ’t geheel niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren hem dikwijls naar buiten te zenden. Toen Lorenzo niet terug keerde en Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand, wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en bad zij ’s nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom, bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren, omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven, zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien, of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen, ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.
Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam de aarde te hebben geworpen, stopte zij ’t in het schort van de dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed dit er in, gewikkeld in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden, zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet.
De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot in ’t geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men nog zingt:
Wie was de slechte Christen,
Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,
Waarin mijn basiliek was van Salerno!
Hij was met kracht gegroeid.
Ik plantte hem met eigen hand
Den dag zelf van mijn geboorte,
Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.
Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid
En de zonde is zeer groot.
O ongelukkige, die mij
Een pot met bloemen had gezaaid.
Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,
Benijd door de menschen.
Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.
Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.
Ik was daarover zeer bedroefd.
Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,
Ik, die er zoozeer aan was gehecht!
Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakte
Voor den heer, die ik zoo beminde.
Ik had hem gansch omringd van majoleine.
Ik had hem gansch omringd van majoleine
Gedurende de schoone maand van Mei;
Ik besproeide hem elke week drie malen;
Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.
Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.
Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.
Ik kan hem niet meer verbergen,
Maar als ik van te voren had geweten,
Dat dit mij zou gebeuren,
Zou ik voor de deur hebben geslapen
Om mijn bloempot te bewaren:
De groote God moge mij helpen.
De groote God moge mij helpen,
Indien het Hem behaagt
Tegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,
Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,
Die mijn basiliek heeft gestolen,
Welke vol was van zooveel geur,
Zijn balsem streelde mij zoo zeer.
Zijn balsem streelde mij zoo zeer,
Zoo frisch geurde hij
En ’s ochtends, als ik hem besproeide
Bij het rijzen van de zon,
Was iedereen verwonderd:
Waar komt zooveel geur vandaan?
En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.
En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.
uit liefde voor mijn pot met bloemen.
Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,
Zou ik die graag terugkoopen;
Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goud
Die ik hem gaarne zal geven,
En een kus, als hij het zou verlangen.
[
Inhoud
]
Zesde Vertelling.
Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene, wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide kwam. En toch, verliefde donna’s, moet gij weten, dat het een algemeene neiging is van elk levend wezen verschillende dingen in een droom te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik, gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen; wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken.
In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst, maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in ’t geheim man en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet kwam. Maar daar zij toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde, hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en roode rozen geplukt te hebben, omdat ’t het seizoen er voor was, met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo eigen met mij werd, dat zij mij in ’t geheel niet meer verliet. Van mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool—ik weet niet van waar—voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend, staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde, slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee, mijn ziel, help mij, ik sterf!—en bij die woorden viel hij op het gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt.
Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand zal weten, omdat niemand bekend is, dat hij er ooit kwam en als gij dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen.
Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: Van hier tot aan de deur van zijn huis is de afstand klein, daarom zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend: Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft, ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op, waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden.
Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug.
Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven. De schout, die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar, zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en, wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen, die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten.
Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de mannelijke en vrouwelijke familieleden van het meisje toegeloopen, die het nieuws hadden vernomen en alle donna’s en mannen, die er in de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had, wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden.
[
Inhoud
]
Zevende Vertelling.
Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters.
En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven, maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd.
Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was door zijn meester, een wolhandelaar, haar de wol te brengen, een grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba (de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander deel hun gang gaan.
Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig aanloopen en daar zij Pasquino niet alleen dood zagen, maar geheel gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden, werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij, door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l’Atticciato (de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel, door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren, waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd, vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen werd dit door Stramba en l’Atticciato en door de andere vrienden en metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den verloren minnaar en door vrees voor de straf, geëischt door Stramba, ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote verbazing van de aanwezigen, neer.
O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar gelukkig boven allen de ziel van Simona—naar ons oordeel,—waarvan de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van Stramba en l’Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij te onttrekken en de ziel van haar Pasquino door haar zoo bemind, te volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en l’Atticciato en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven, waarvan zij parochianen waren.
[
Inhoud
]
Achtste Vertelling.
Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn zijde sterft.
Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings, Neifile aldus begon: Waardige donna’s. Naar mijn meening zijn er lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde te wezen en was en die de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven.
De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon, beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn; als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele ridders en baronnen en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder.
Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof, dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in ’t geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken, die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde, waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn; ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren, kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt, er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in rust met hem leef. De jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde, bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven, bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was.
Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van diens huis, legde het neer en liet het daar achter.