← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Tweede Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

De eerste dag van de Decamerone eindigt; de tweede vangt aan, waarop onder het bewind van Filomena besproken wordt, wie door verschillende oorzaken gekweld is en boven alle verwachting met een heugelijk einde slaagt.

Reeds had de zon met zijn licht overal den nieuwen dag aangekondigd en zongen de vogels op de groene takken lieve liederen en gaven er aan de ooren getuigenis van, toen de donna’s en de drie jongelieden tegelijk opstonden, in de tuinen traden, waar zij de van dauw volle grassprieten met de voeten doorwoelden, voor elkaar schoone kransen vlochten en gedurende een lange wandeling zich vermaakten. Gelijk zij den vorigen dag hadden gedaan, deden zij ook dezen; gedurende den tocht aten zij en gingen zij na een kort bal rusten. Toen zij na den noen opgestaan waren, kwamen zij aan een groene weide en zetten zich, gelijk het de koningin behaagde, rondom haar in een kring neer. De koningin was schoon en van zeer aangenaam uiterlijk. Zij bleef met haar krans gekroond een oogenblik staan, zag het gansche gezelschap aan, en beval aan Neifile, dat die een begin maken zou met de volgende vertellingen en deze, zonder eenigen omhaal begon opgeruimd aldus te spreken:

[

Inhoud

]

Eerste Vertelling.

Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die zaken te bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is, u die verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam.

Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd, die arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij een zeer heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet, toen hij stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van zijn dood van de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid, de klokken te bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen daarom Erich voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep naar het huis, waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het als het lijk van een heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen, lammen en blinden en anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook getroffen mede, alsof die alle door het aanraken van zijn lichaam gezond konden worden. Gedurende dit tumult en dien toeloop, kwamen er in Treviso drie van onze medeburgers, van welke de een Stecchi, de ander Martellino en de derde Marchese heetten, mannen, die de hoven der groote heeren bezochten en die met het nadoen van alle andere menschen met gelijksoortige gebaren de toeschouwers vermaakten en daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit geweest en toen zij alle menschen zagen toeloopen, verwonderden zij zich er over en de reden vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij dit ook te zien. Nadat zij hun bagage in een herberg hadden neergezet, zei Marchese: Wij zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog niet, hoe wij er komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol Duitschers en andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er opstelde, opdat er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk, waarvan hier sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand er binnen kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te zien: Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot het heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een lamme en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je me daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan niemand, die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel aan Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan en op een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen, de vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het vreeselijk was om te zien en ieder, die het zou aanschouwd hebben, zou gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond, dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen: maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf.

Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen of hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den arm en eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen dit zagen, ontstond er zoo’n tumult ter eere van den heiligen Erich, dat men er den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een Florentijner in de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die hem, daar hij zoo veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij hem weer normaal zag en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide: Heere, wat een treurig geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem zag komen, dat hij werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige Trevisanen, die terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop de Florentijn antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht van lijf en leden geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie ook, zooals jullie hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om zich in iedere gedaante voor te doen waarin hij dit wil.

Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is, maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons den draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van de plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit, zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht, beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij met de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in ieder geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker zou hebben gedood, indien er geen middel was geweest, dat Marchese dadelijk aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied buiten stond, ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het bevel voerde, en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel, die mijn beurs heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat u hem gevangen neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk liepen, toen zij dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den armen Martellino zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de grootste moeite de menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam gebeukt en heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar het stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den mal gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden, dat hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel hadden hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen te vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter hoorde dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen, wat die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij weer opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen, wat ik gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat hij er enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen geleden was, dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander vier en enkelen zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde, hernam hij: Neen, zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid spreek, daarvan kan ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst hier ben gekomen. Toen ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk dit heilige lichaam bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben gekomen, als gij nu ziet. En dat—wat ik zeg—waar is, kan bewezen worden door den beambte, die de paspoorten nakijkt, door zijn boek en door mijn waard. Daarom, indien gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is, zult gij mij niet dadelijk door die schelmen laten martelen en dooden.

Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar, die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden zij hem het gebeurde. Hij lachte over die geschiedenis en bracht hen bij een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer in den gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren verteld was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval van Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging naar den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden; dit gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in zijn hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets tot zijn verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat tegen de Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen en wilde hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe gedwongen werd.

Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen over het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven, keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt, gezond en wel terug naar huis.

[

Inhoud

]

Tweede Vertelling.

Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een koopman, Rinaldo d’Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna was gegaan. Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te paard naar Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden schenen, maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht leven leidden, met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen dat hij koopman was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken onder elkaar af, dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden berooven. Opdat hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden en welopgevoede menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale zaken en gedroegen zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en welwillend jegens hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk ze te hebben getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden te paard zat. Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat bij het spreken gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden, die de menschen tot God richten en een van de drie bandieten zei tot Rinaldo: En gij, edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis?

Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een practisch gewoon mensch, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen, maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en ’s ochtends, wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven.

Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle ontkomen ben en toch ’s nachts op een goede plaats en goed beherbergd geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor, dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden nacht goed aankomen, als ik ’s ochtends het paternoster niet had opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna zeide de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou: Het komt je te pas, want indien er niets in den weg komt, zal je naar mijn plan toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb insgelijks veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik het van velen al meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij nog nooit gebeurd, dat ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult gij toevallig kunnen zien, wie een betere herberg zal hebben, gij, die het hebt opgezegd, of ik, die het niet deed. Het is echter goed, dat ik in plaats daarvan het “Dirupisti” of de “intemerata” of het “Deprofundis” toepas, welke, naar een mijner grootmoeders placht te zeggen, van zeer groote kracht zijn.

En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande, wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame en afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden hem. Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats weg den stroom over.

Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen dag was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te brengen en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een heerlijk avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders wachtte dan de komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een knecht aan de deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk dwongen te paard te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna, dat zij niet zou wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna een weinig mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor in het bad te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en naar bed te gaan. Ze ging dan ook in het bad.

Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den rand van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij er doet. De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar te hulp kwam, zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten, gelijk verteld is, en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie hij was. Rinaldo was zoo koud, dat hij ternauwernood kon spreken, zeide haar hoe en waarom hij daar kwam, zoo kort hij kon en begon haar nederig te smeeken, om indien het kon, hem daar niet van koude te laten sterven. De meid, die medelijden met hem had, ging naar de donna en vertelde haar alles. Ook die was barmhartig en na zich te hebben herinnerd, waar de sleutel was van de deur, die telkens dienst deed bij de geheime binnenkomst van den markies, zeide zij: Ga en doe hem zachtjes open; hier is het avondmaal. Er is niemand om het op te eten en er is plaats genoeg om hem te logeeren. De meid prees de dame zeer om haar menschlievendheid, ging heen en opende de deur en nadat zij hem binnen had gelaten, zei de donna hem haast bevroren ziende: Ga bijtijds, goede man, in het bad, dat nog warm is. Hij, zonder verdere uitnoodiging af te wachten, deed het van zelf. Toen hij door die warmte hersteld was, scheen het hem, dat hij van den dood tot het leven was teruggekeerd. De donna leende hem daarna kleeren van haar echtgenoot, die kort te voren was overleden en die, toen hij ze had aangetrokken, hem naar het lijf gemaakt schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der dame afwachtte, begon hij God en San Giuliano te danken, die uit zulk een boozen nacht, gelijk hij verwachtte, hem hadden verlost en naar het hem voorkwam, naar die goede herberg geleid. Toen de donna na haar bad een weinig gerust had en een groot vuur had laten aanleggen in de kamer, waarin zij kwam, vroeg zij hoe het met den goeden man was.

Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna, roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo kwam binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen, groette hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij hem bewees, zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken en aangehoord, scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze ontving hem vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur zitten en vroeg hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo vertelde alles geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van Rinaldo’s knecht in het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij, wat hij vertelde, volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van zijn knecht al wist en hoe hij dien allicht den volgenden morgen kon aantreffen. Toen de tafel gedekt was begon, gelijk de donna het wilde, Rinaldo na met haar te samen de handen te hebben gewasschen, te eten. Hij was groot van figuur, schoon en aangenaam van gelaat, van zeer lofwaardige en sierlijke manieren en een jonge man van middelbaren leeftijd. De dame had er meermalen op gelet en hem zeer geprezen en reeds, omdat de markies die daar moest komen om te slapen, de begeerte tot bijslaap in haar had opgewekt, had zij daar zin in. Nadat zij van tafel was opgestaan, vroeg ze haar meid, of het die goed scheen nu de markies haar voor den mal had gehouden, dat zij gebruik zou maken van de goede gelegenheid, haar door de fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte van haar donna kende, raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen. Hierop keerde zij naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had achtergelaten, begon hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo, waarom zit je zoo in gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos stellen voor een paard en een paar kleeren, die je hebt verloren? Troost je en wees op je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al eerder willen zeggen, dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en kussen, toen ik je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij scheen, of hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat het je onaangenaam zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze woorden hoorde en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet gek was, zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik er aan denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven dank, als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van mij een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen, wat u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen en te kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden waren hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde, wierp zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij op, gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten volle en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten.

Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet zij hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed, toen het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de poorten geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen hij zijn eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard van zijn knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de drie bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een ander misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel gebracht en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het geld terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden, waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard, dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en den volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg.

[

Inhoud

]

Derde Vertelling.

De lotgevallen van Rinaldo d’Asti werden met bewondering door de dames aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd niet dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken, welke God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den goeden nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast Filostrato zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen, wat zij zou vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet minder flink dan blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken:

Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti’s stamde. Anderen houden vol, dat hij aan de Agolanti’s ontsproot, daar zij misschien hun meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen later uitoefenden en dat de Agolanti’s steeds hadden uitgeoefend en nog uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u, dat hij destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had, van welke de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante heette, alle drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was nog geen achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven en hun, zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet.

Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel, vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten, gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit, den volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede zij door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den raad, voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen het weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en zoo deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren, trokken zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in Engeland waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer weinig vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de fortuin hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som gelds overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence terug, ze kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer te koopen en kozen zich vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland op woeker leenden, zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een jonkman, een neef van hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden alle drie te Florence vergeten in welk een toestand de dwaasheid der verkwisting hen had gebracht en begonnen, hoewel zij een familie hadden gevormd, meer dan ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden het grootste crediet bij ieder koopman en van elk een groote som gelds in handen. Het geld door Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang om hun verkwistingen vol te houden. Alexander leende aan baronnen op hun kasteel en op andere inkomsten, die er met groote winst hem goed borg voor stonden. Terwijl de drie gebroeders rijkelijk verteerden en het geld hun ontbrak en zij leenden, daar zij altijd vaste hoop op Engeland hadden, brak er daar toevallig tegen de verwachting van iedereen een oorlog uit tusschen den koning en een van zijn zoons. Het geheele eiland raakte verdeeld, zoodat deze met den een en eene het met den ander streed. Hierdoor waren al de kasteelen der baronnen van Alexander verpand en alle andere inkomsten geheel onzeker. Daar men van dag tot dag nog hoopte op vrede tusschen vader en zoon en dat bijgevolg alles aan Alexander zou worden teruggegeven zoowel de rente als het kapitaal en Alexander niet van het eiland vertrok, beperkten de drie broeders, die te Florence waren hun zeer groote verteringen in niets en borgden elken dag meer. Maar toen men na enkele jaren niets van de gekoesterde hoop zag komen, verloren de drie gebroeders niet alleen hun crediet, maar hun schuldeischers drongen op betaling aan en zij werden gevangen genomen. Daar hun bezittingen niet toereikend waren om te betalen, bleven zij voor goed in de gevangenis en hun vrouwen en kleine kinderen zwierven van dorp tot dorp rond in schamele kleeren en zij wisten niet beter dan dat zij eeuwige armoede te wachten hadden.

Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam zich voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op weg. Toen hij Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een witte benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld en met veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een paar oude ridders, verwant met den koning, met welke Alexander als met bekenden een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij goed ontvangen. Terwijl hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun stilletjes wie de monniken waren, die met zooveel bedienden te paard reisden en waar zij heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die daar vooruit rijdt, is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is gekozen van een der rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens de wetten te jong is om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met hem naar Rome om van den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem wegens den jeugdigen leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die waardigheid bevestigt. Maar u moet daarover niet met anderen spreken.

Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam hij op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van figuur en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed en aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd hij met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden, daar de ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor dien troost en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem.

Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een dorp, dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt er wilde logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die hem nogal toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken in het geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de hofmeester van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had hij het personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak gebracht. Toen de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed deel van den nacht voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg Alexander, waar hij kon ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard: ik weet het werkelijk niet; gij ziet, dat alles vol is en gij kunt mij en mijn huishouden zien slapen op banken; evenwel zijn er in de kamer van den abt een soort graankisten, waar ik u heen kan brengen en u wat beddegoed kan geven en waarop gij op de beste manier als het u belieft, dezen nacht kunt liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe zal ik in de kamer van den abt kunnen komen; gij weet, dat die zoo klein is, dat er door haar nauwheid zelfs niet een van zijn monniken kon liggen? Had ik dat geweten, toen de gordijnen er opgehangen werden, dan had ik op de graankisten zijn monniken laten slapen en mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De waard hernam: Het is nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het best logeeren. De abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er zacht een matras toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander, die zag, dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in toe en zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep, maar daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht, hoorde, dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar Alexander zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer welgemoed: God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen gezonden; indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen tijd niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen, die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die hem de hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren dan de mooie meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich zeer verwonderde en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen werd door ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die twijfel òf door argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte en glimlachte en nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat hij aanhad, had neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij op zijn borst legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte en eer zoekend kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de hand op het lichaam van den abt had gelegd, vond hij twee gladde, stevige en zachte borsten als van ivoor. Toen hij die gevonden had en begrepen, dat dit een vrouw moest wezen, wilde hij zonder een verdere uitnoodiging af te wachten en haar snel te hebben omarmd, haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat gij mij nadert, wat ik je zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een vrouw en geen man. Ik heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar den Paus, opdat die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn ongeluk, dat, toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als nooit een man een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot echtgenoot te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan dadelijk hier uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die haar nog niet kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende, dat zij edel en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was; daarom zonder al te lang na te denken antwoordde hij, dat, als het haar beviel, het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed rechtop zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een ring in de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot genoegen van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde. Nadat zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden gesteld, stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging vervolgens de kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand wist, waar hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den abt en diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome. Daarna, sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de twee ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den verschuldigden eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken:

Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder, die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden, wat hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk wil blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin gij mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten van den koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man, den koning van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een jong meisje ben gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid mij zou uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer de leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door de zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de eer van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit geloof hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder behoeft,—ik geloof door zijn barmhartigheid—mij dezen toegevoerd, die het Hem behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge man, die Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden en moed een of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de adel van zijn bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van mij. Hem heb ik genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik een ander bezitten, wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu is de voornaamste reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar het behaagt mij mijn tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en eerbiedwaardige plaatsen op te zoeken, van welken deze stad vol is als om Uwe Heiligheid in persoon te aanschouwen en ook opdat het huwelijk door Alexander en mij alleen gesloten voor God, openlijk zal worden voltrokken in Uw tegenwoordigheid en zoodoende van alle andere menschen. Daarom bid ik U nederig, dat, wat aan God en mij behaagde, ook U welgevallig zal zijn en gij Uw zegen geeft, opdat wij hiermee als met meer zekerheid omtrent de goedkeuring van hem, wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en van u kunnen leven en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er over, dat zijn vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was vervuld van wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders verbaasden zich nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders dan bij den Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een leelijke poets hadden gebakken.

Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men er niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht hij de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer met de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen de dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid van alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen, die waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn bij het prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna komen koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij naar waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling, die op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken bloede en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft, liet hij ze gaan met zijn zegen.

Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met een zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met de grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen, dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor het eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst van alle bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben, wat men hem schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence, nadat graaf Alexander hem eerst tot ridder had verheven.

De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en volgens het zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en met de hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot koning gekroond.

[

Inhoud

]

Vierde Vertelling.

Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug.

Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus te spreken: Zeer genadige donna’s. Geen daad kan naar mijn oordeel u meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven.

Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich ’s avonds een storm, die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut, zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij was hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden, die van Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te ontvluchten en met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die het scheepje zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken, hoorden, wie hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer rijk was, besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig naar geld en roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun volk met den voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten zij een gedeelte er van naderen, zoodat niemand van het scheepje, als hij niet wilde doorboord worden, er uit kon komen. De anderen, die booten hadden laten zakken, naderden, begunstigd door de zee, het vaartuig van Landolfo en met weinig moeite hadden ze in korten tijd het heele scheepsvolk zonder een man te verliezen in handen. Zij brachten Landolfo op een van hun galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg, deden dat zinken en lieten hem slechts een armzalig wambuis.

Toen den volgenden dag de wind gekeerd was, zeilden de galjoenen naar het westen en dien geheelen dag was hun reis gunstig, maar tegen den avond stak er een storm op, die hooge zeeën voortjoeg en de twee schepen van elkaar scheidde. Door de kracht van den wind stootte het schip, waarop de ellendige en arme Landolfo zich bevond, met een vreeselijken schok op de hoogte van het eiland Cefalonia op een zandbank en op dezelfde wijze als een glas tegen een muur geslagen, barstte het geheel uiteen. De arme schipbreukelingen, die er zich op bevonden, begonnen, terwijl de zee vol drijvende koopwaren was en vol kisten en planken, gelijk dat gewoonlijk geschiedt en terwijl de nacht zeer donker was en de zee dreigend en hol, te zwemmen, voor zoover dat mogelijk was en zich vast te klampen aan de voorwerpen, die bij toeval vóór hen dreven. Onder hen was ook de ellendige Landolfo, die nog den vorigen dag herhaaldelijk den dood had aangeroepen, dien hij verkozen had, liever dan dat men hem arm naar huis zag terugkeeren. Maar hij was toch bevreesd, nu hij dien onder de oogen zag. Toen hem ook een plank in handen kwam, ging hij daaraan hangen, opdat misschien God hem het verdrinken zou besparen en hem hulp zou zenden tot zijn redding. Schrijlings hield hij zich, zoo goed hij kon, hieraan vast door de zee en de wind dan hier en dan daarheen geslingerd, tot het dag werd. Toen rondziende, ontwaarde hij niets dan lucht en water en een kist, die op de golven dreef, welke hem telkens tot zijn grooten schrik naderde, daar hij vreesde, dat die hem zou stooten, zoodat hij zou verdrinken. Iederen keer als die hem nabij kwam, verwijderde hij die, zooveel hij kon, hoewel hij weinig kracht over had, met de hand. Maar terwijl dat gebeurde, kwam er uit de lucht opeens een windstoot los en gaf de zee aan de kist zoo’n schok en aan de plank, waarop Landolfo zat, dat hij omgesmeten onder water raakte en zwemmend boven kwam meer door vrees dan door kracht en zich ver van de plank verwijderd zag. In angst die niet te kunnen bereiken, naderde hij de kist, die vrij dichtbij was en met de borst aan het deksel geleund, stuurde hij haar zoo goed hij kon met de armen vooruit. Op die manier door de zee dan hier, dan daarheen geslingerd, zonder te eten, omdat hij niets had, en meer drinkend dan hem lief was, en zonder iets anders dan water te zien, bleef hij den geheelen dag en bij den invallenden nacht in dien toestand. Den volgenden dag, òf naar Gods wil, òf doordat de kracht van den wind het deed, en terwijl hij haast een spons was geworden, en de zijden van de kist met de beide handen stevig vasthield (gelijk we het drenkelingen zien doen, als ze iets beet pakken), kwam hij aan de kust van het eiland Corfoe, waar een arm vrouwtje toevallig haar potten met zand en zeewater waschte en schoon maakte. Toen zij hem zag naderen en niet wist, wat het was, twijfelde zij en liep schreeuwend weg. Hij kon niet spreken en niets zien, maar daar de zee hem toch naar den vasten wal voerde, werd de vorm van de kist voor de vrouw duidelijk en daarna scherper oplettend en kijkend, ontwaarde zij eerst de armen om de kist uitgestrekt. Vervolgens ontdekte zij het menschengezicht en begreep wel, wat dat had te beduiden. Daarom bewogen door medelijden, ging zij een eind het water in, dat al stil was, trok hem bij de haren met de heele kist aan land en maakte met moeite zijn handen daarvan los. Terwijl zij de kist op het hoofd van een harer dochters laadde, die bij haar was, droeg zij hem als een klein kind op het land, bracht hem in een badkamer en wreef en waschte hem zoo met warm water, dat de verloren warmte in hem terugkeerde en een deel der verdwenen krachten.

Toen het tijd scheen, liet zij hem uit de badkamer gaan en versterkte hem met goeden wijn en beschuit en op een goeden dag had hij welhaast zijn krachten herwonnen en wist, waar hij zich bevond. Derhalve achtte de goede vrouw zich verplicht hem de kist terug te geven, die zij had gered en hem te zeggen, dat hij voortaan zijn geluk verder te zoeken had en zoo deed zij. Hij herinnerde zich niets van een kist, maar nam die toch aan gelijk de brave vrouw hem die gaf, denkend, dat die zoo weinig waard was, dat hij er geen dag vertering van zou kunnen betalen. Daar hij die zeer licht vond, ontbrak hem haast alle hoop. Niettemin, toen zij niet thuis was, brak hij die open om te zien, wat zich daarin bevond en werd daarin vele gezette en losse, kostbare steenen gewaar. Hij zag, dat ze van groote waarde waren en dankte God, dat die hem niet geheel had verlaten en kwam geheel op streek. Maar daar hij in korten tijd tweemaal wreed door de fortuin was bedrogen en hij voor den derden keer bang was, dacht hij er over na zeer voorzichtig te werk te gaan om die zaken naar huis te krijgen. Na ze daarom zoo goed hij kon in oude lompen te hebben gewikkeld, zeide hij tot de brave vrouw, dat hij de kist niet meer noodig had, maar dat zij hem daarvoor een zak zou geven, en dat zij die mocht behouden. De goede vrouw deed dit volgaarne en nadat hij haar zooveel mogelijk bedankt had voor de hem bewezen weldaad, deed hij zijn zak om den hals, vertrok vandaar en besteeg een bark, ging naar Brindisi en vervolgens langs de kust tot Trani, waar hij eenige lakenhandelaars vond, die zijn medeburgers waren en bij wien hij uit barmhartigheid ontvangen werd, daar zij al zijn ongelukken al hadden hooren verhalen behalve van de kist. Bovendien leenden zij hem een paard en gaven hem geleide om hem naar Ravello te vergezellen, waarheen hij wilde terugkeeren. Toen hij daarna in veiligheid scheen, dankte hij God, dat die hem hierheen had gevoerd, opende zijn bundeltje en onderzocht nauwkeuriger alles, wat hij eerst niet had gedaan. Hij bevond, dat hij zoovele en dure steenen bezat, dat, als hij ze tegen schappelijken prijs verkocht en nog minder, hij dubbel zoo rijk zou wezen als toen hij vertrok. Nadat hij den weg gevonden had om zijn steenen te verkoopen, zond hij naar Corfoe een flinke hoeveelheid geld als loon voor de bewezen dienst aan de brave vrouw, die hem uit de zee had gesleept en zoo ook behandelde hij te Trani hen, die hem hadden geholpen. Het overige behield hij zonder opnieuw handel te drijven en leefde er braaf van tot aan zijn stervensuur.

[

Inhoud

]

Vijfde Vertelling.

Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te koopen. In een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij echter weer ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis.

De steenen gevonden door Landolfo, begon Fiametta, aan welke de beurt van verhalen kwam, hebben mij een vertelling in de gedachte geroepen, niet minder vol gevaren dan die door Lauretta medegedeeld, maar in zoover daarvan verschillend, dat gene in meerdere jaren, maar deze, gelijk gij hier hooren zult, in één nacht plaats vond.

Er was—naar hetgeen ik vroeger gehoord heb—in Perugia een jongeling, die Andreuccio di Pietro heette, een paardenkoopman, die, nadat hij gehoord had, dat er te Napels goedkoope beesten te krijgen waren, honderdvijftig goudguldens in zijn beurs stak. Hij was vroeger nog nooit van huis geweest en ging daar nu met andere kooplieden heen. Toen hij er op een Zondagavond bij den vesper was binnen gekomen en bij den waard inlichtingen had gewonnen, was hij den volgenden morgen op de markt, zag er zeer vele paarden die hem bevielen en hij onderhandelde wel daarover maar kon over geen enkel tot een accoord komen. Als blijk, dat hij er kwam om te koopen, was hij zoo onnoozel en onvoorzichtig, dat hij meermalen ten aanschouwe van ieder, die er kwam en ging, zijn beurs met florijnen te voorschijn haalde. Terwijl hij zoo onderhandelde en zijn beurs had vertoond, ging een zeer schoon Siciliaansch meisje voorbij, maar gereed voor een geringen prijs aan elk man ter wille te zijn, zonder dat hij haar opmerkte. Zij zag zijn beurs en zei dadelijk in zich zelf: Wat zou mij beter te pas komen dan dat dit geld aan mij kwam? en ging verder. Bij het meisje bevond zich een oude vrouw, ook een Siciliaansche, die, toen zij Andreuccio zag, het meisje vooruit liet gaan en hartelijk toeliep om hem te omhelzen. Het meisje zag dit en zonder iets te laten blijken, bleef zij op een hoek op haar wachten.

Toen Andreuccio haar dat fabeltje, zoo netjes en goed in elkaar gezet, hoorde vertellen, die nooit bleef haperen, nooit stotterde en toen hij zich herinnerde, dat zijn vader werkelijk in Palermo geweest was en daar hij zelf als jongeling de neigingen kende der jongelieden, die de jeugd lief hebben en toen hij de teedere tranen zag en de omhelzingen en de eerzame kussen, geloofde hij, dat dit meer dan waar was. Nadat zij zweeg, antwoordde hij haar: Mevrouw, het zal u niet verrassen, dat ik mij verwonder, omdat òf mijn vader, die wel wist waarom hij het deed, nooit van uw moeder en van u sprak, òf indien hij er wel van sprak, dit niet ter mijner kennis is gekomen en ik niets van u wist, alsof gij niet op de wereld bestond. Het is mij echter des te aangenamer hier een zuster te hebben gevonden, omdat ik hier alleen ben en dit niet had gehoopt en inderdaad ken ik geen man van hoe hoogen rang ook, aan wien gij niet dierbaar zoudt zijn zoo goed als aan mij, die maar een klein koopman ben. Maar met een zaak, bid ik u, doet gij mij een groot genoegen: Hoe wist gij, dat ik hier was? Hierop antwoordde zij: Een arme vrouw liet het mij van ochtend weten, die dikwijls hier komt, omdat zij met onzen vader (naar wat zij mij vertelt) lang zoowel in Palermo als in Perugia leefde en wanneer het mij niet fatsoenlijker had geschenen, dat gij in mijn huis kwaamt dan ik bij u in dat van anderen, was ik al lang bij u gekomen.

Daarna begon zij hem nauwkeurig en met name naar al zijn verwanten te vragen, waarop Andreuccio antwoord gaf en geloofde daardoor nog meer, wat hij moest wantrouwen. Daar het praten lang had geduurd en de hitte groot was, liet zij grieksche wijn komen en confituren en gaf aan Andreuccio te drinken, die hierop wilde vertrekken, omdat het het uur was voor het avondmaal. Zij liet dit niet toe, maar deed of ze heel kwaad werd en zeide hem omhelzend: O wee mij! Ik zie al te wel, hoe weinig ik je waard ben! Wat moet men er van denken, dat je met één zuster bent, die je nog nooit zaagt en in haar huis, waar je, als je daar komt, wilt weggaan en naar de herberg vertrekken om daar te avondmalen! Werkelijk, ge moet bij mij blijven soupeeren en hoewel mijn man er niet is, wat mij zeer spijt, zal ik u toch als vrouw wel goed weten te ontvangen. Andreuccio, niet wetend wat er op te antwoorden, zeide: Ik houd van u als zuster zooveel als het moet, maar als ik niet ga, zal ik den geheelen avond ten eten worden verwacht en ik zal onbeleefd zijn. Daarop zeide zij: God zij geloofd, dat ik nog hier wel iemand heb om te berichten, dat men u niet moet afwachten. Het zou nog hoffelijker van u zijn en uw plicht, om aan uw metgezellen te laten weten, dat zij hier zouden komen om te avondmalen, en dan, als gij toch wilt weggaan, zoudt gij allen met elkaar kunnen vertrekken.

Wat mijn metgezellen betreft, sprak Andreuccio, die verlang ik vanavond niet hier, maar als je bepaald wilt, dat ik hier blijf eten, dan zal ik dit gaarne doen. Zij deed, alsof ze in zijn herberg liet berichten, dat men op hem met het eten niet zou wachten. Toen zij na nog veel gebabbel aan tafel waren gezeten en zij met een overvloed van gerechten bediend werden, rekte zij slim het maal zoolang, dat het al duister werd en nadat zij opgestaan waren van de tafel en Andreuccio van haar vandaan wilde gaan, sprak de juffrouw, dat zij dit volstrekt niet veroorloofde, omdat Napels geen stad was, waar men bij nacht kan loopen en vooral geen vreemdeling. Zij gaf voor evenzoo in de herberg te doen weten, dat hij bleef slapen. Andreuccio, die dit al geloofde en zich daarmee verblijdde, hoewel hij door lichtvaardig vertrouwen bedrogen was, dat hij bij zijn zuster vertoefde, bleef daar ook. Hun gesprek, hun gekeuvel duurde zeer lang na den eten en niet zonder reden en toen de nacht al voor een groot deel verstreken was, liet zij Andreuccio in zijn kamer om te gaan slapen met een klein jongske om hem naar believen te helpen, als hij iets begeerde: aldus begaf zij zich ook met de andere vrouwen, die zij bij haar had, naar een ander vertrek. Nu was het in dien tijd van het jaar zeer heet, zoodat Andreuccio ziende, dat hij daar alleen gebleven was, zich haastig van zijn wambuis ontdeed en ook zijn broek uittrok, die hij aan het hoofdeinde van zijn bed lei. Daar gevoelde hij den nooddrang der natuur om het overvloedig gewicht van zijn buik te verminderen en vroeg daarom den jongen naar het geheime gemak, die hem een deur wees in een van de hoeken der kamer, zeggende, dat hij daar binnen zou treden. Zonder argwaan ging Andreuccio daar binnen, waar hij per ongeluk zijn voet op een plank zette, die los op een balk lag aan het eene einde, zoodat de plank met het andere einde omhoog wipte en hij daarmee van boven neerviel. Maar God bewaarde hem, dat hij zich bij het vallen niet meteen kwetste, hoewel hij van een tamelijke hoogte neerkwam. Toch werd hij overal vuil van de uitwerpselen, waar die plek vol van was. Hoe die plaats was, zal ik beschrijven, opdat gij hetgeen ik verteld heb en wat er nog te zeggen valt, goed zult begrijpen. Daar waren in een smalle en kleine ruimte, zooals men dikwijls tusschen de huizen ziet, enkele planken geplaatst op twee balken, die van het eene huis naar het andere gelegd waren en die tot zitplaats boven die geul als privaat dienden. Andreuccio was met een dier planken neergetuimeld. Hij bevond zich plotseling in de straatgeul en was verstoord door dit onvoorziene ongeval en riep den jongen toe. Zoodra de knaap hem had hooren vallen, ging die het zeggen aan zijn meesteres. Zij liep naar zijn kamer, zocht of zijn kleeren er waren, vond die daar en ook het geld, dat hij wantrouwend, altijd dwaas bij zich droeg. Daartoe had zij haar netten uitgezet. Daartoe had zij—van Palermo afkomstig—geveinsd een der dochteren van Perugia te zijn. Derhalve bekommerde zij zich verder niet over Andreuccio, maar sloot vlug de deur, waar hij uit was gegaan, toen hij van boven neerviel. Andreuccio merkend, dat de jongen hem geen antwoord gaf, ging door met nog veel harder te roepen, maar het was voor een doovemansdeur. Toen begon hij kwaad te vermoeden en al te laat het bedrog te bemerken en klom op een kleinen muur, die het uitzicht op de straat in de geul belette.

Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend zijn ongeluk gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster kwam en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och, sprak Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga hier dus in ’s hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes slapen. Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker weet je dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die in zoo korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug, die ik hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij lachend: Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij naar binnen en sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn schade werd tegelijk door verdriet en toorn haast razend en nam zich voor met geweld te bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden wist te verkrijgen. Daarom nam hij een steen en begon met veel luider slagen dan te voren weer aan de deur te kloppen. De buren, die van te voren ontwaakt en van hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en dachten, dat hij een of andere rustverstoorder was, die zoo sprak om deze goede dame te kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij maakte, staken zij daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle tegelijk te schreeuwen net als de honden op straat blaffen achter den staart van een vreemde hond, die daar loopt: het is een schandaal op dit uur zoo aan de deur te komen van fatsoenlijke vrouwen en die dwaasheden toe te roepen, ga dus in ’s hemelsnaam hier vandaan, goeie man en laat ons slapen asjeblieft. Als u met haar iets hebt uit te staan, kom dan morgen terug en hinder ons zoo niet den heelen nacht. Door die woorden vatte wellicht een knecht van de juffrouw moed, dien Andreuccio daar binnenshuis noch gezien noch gehoord had en die uit het venster kwam en met een ruwe, vreeselijke en barsche stem zeide: Wie is daar beneden? Door die klank hief Andreuccio het hoofd op en zag daar een man, welke, naar Andreuccio kon merken, een groote vechtersbaas scheen te zijn, met een ruigen, zwaren baard om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn oogen wreef of hij van bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem antwoordde Andreuccio niet zonder angst: Ik ben de broeder van de juffrouw van dit huis. Maar die hoorde zijn woorden niet tot het einde aan en sprak hem nog veel barscher toe dan hij de eerste maal had gedaan, zeggende: Ik weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te komen en je met een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet meer kunt verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme ezel en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien man wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In ’s hemels naam, vriend, maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken, ga veilig weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio, ontsteld van de stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door den raad der buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken, ging als de treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig weg. Hij begaf zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje gevolgd was en zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug te keeren. Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook, en begeerde hij aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij verdwaalde aan den linkerkant en liep door de Catalonische straat opwaarts. Zoo het hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij toevallig twee mannen, die hem tegen kwamen met een lantaarn in de hand. Daar hij vreesde, dat het de wacht of anders kwaad volk mocht zijn, verborg hij zich om ze te ontwijken in een oud vervallen huis, dat hij daar in de nabijheid vond. Maar daar gingen ook deze lieden op af als met opzet, waar de een, die ijzeren gereedschappen op den schouder droeg, met den ander begon rond te kijken en over allerlei dingen daartusschen door spraken zij. Hierbij zeide een van hen: Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste lucht, die ik ooit van mijn leven bespeurd heb. Bij die woorden hief hij den lantaarn omhoog en zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij verwonderd vroegen: Wie is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij naderden hem met het licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar deed. Toen vertelde Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem gebeurd was. Zij vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd kon wezen, en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest zijn, dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld hebt verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven neer te zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen, want je kunt er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je in slaap zoudt zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn kwijt geraakt. Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder de sterren van den hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit hun handen. Ja, je zoudt nog doodgestoken worden, zoodra die kerel hoorde, dat je er nog altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een poosje te samen en spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben medelijden met je en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te doen, wat wij ons hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van te zijn, dat jou veel meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat je verloren hebt. Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij daartoe bereid was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels begraven, Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een robijn aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was, welken die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven dit aan Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam, begaf zich met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en Andreuccio vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel kunnen vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet zoo gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een put. Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden zij wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om hem in den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen en als hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem dan terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten zakken. Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was, eenige mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel omdat het zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en dorstig werden. Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op de vlucht. De mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio, die beneden in de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven om den put stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun mantels afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een emmer vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening van de put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op den kant; de anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van, dat zij uit angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden, weg liepen. Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien hij zich niet stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem van den put was gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den dood. Maar toen hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens vond liggen, die hij wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden heengebracht, begon hij zich nog meer te verwonderen. In dien angst niet wetend wat dat beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk en besloot daar vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan te roeren. Zoo liep hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn twee kameraden tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te trekken. Toen zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen hem wie of hem daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er eigenlijk niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe het in zijn werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De anderen hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan gevlucht waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij gingen, toen het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de groote kerk. Zij kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar het graf, een marmeren, buitengewoon groote tombe. Ondanks haar geweldige zwaarte werd zij door hen met hun ijzers en gereedschappen zoo hoog geheven, dat een man er in kon komen en stutten zij den steen op die wijze van onderen. Toen dit gebeurd was, sprak een van hen: Wie zal er nu in gaan? De ander zei daarop: Ik niet. En ik evenmin, hernam de eerste, maar laat Andreuccio er in afdalen. Ik zal het ook niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden zij zich beide tot deze en zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je er niet in af, bij God, dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten zooveel slagen op je kop geven, dat we je er in laten doodvallen. Andreuccio was bang, dat zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht onder het afdalen bij zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij te bedriegen. Want als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er mee gaan strijken en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te komen. Zoo zou ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij zich voor, eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen zou zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei, dat er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring er bepaald moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken, maar hij antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof hij zocht en liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant net zoo sluw waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou kijken en namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk over de tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den armen Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen, hoe het Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde herhaaldelijk met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren, maar zijn moeite was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door de grootste droefheid overmand en viel op het doode lichaam van den Aartsbisschop in zwijm, zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide had gezien, deze zeer moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het meest dood was, de Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich zelf was gekomen, begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag, dat hij zeker moest sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht gebeuren: omkomen van honger en van den stank onder de wormen van het lijk, zoo niemand hem daaruit verloste, of ongetwijfeld als een kerkroover opgehangen worden, indien er al enkele menschen zouden komen, die hem daar vonden. Met zulke gedachten en zeer treurig, hoorde hij lieden langs de kerk gaan en spreken, die daar, gelijk hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te doen, wat hij nu al met zijn metgezellen had verricht, waardoor zijn angst nog vermeerderde. Die kwamen naar de tombe, openden deze en zetten die op stutten, maar zij begonnen het er over oneens te worden wie van hen naar beneden zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte, na een langen twist, zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie bang? Vrees je, dat hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen, daarom zal ik er nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn borst tegen den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet de beenen er in zakken om er in af te dalen.

Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief bij een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen wou trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten, alsof hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen Andreuccio dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij sprong op den rand van het graf en liep de kerk uit den weg langs, dien hij gekomen was. Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende met den ring aan de hand toevallig aan de haven gekomen en daarna aan zijn herberg. Daar ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein, die allen dien nacht zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij verteld had, wat hem overkomen was, scheen het hem op raad van den herbergier het best meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig deed. Hij kwam weer te Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring had verwisseld, waar hij was heengegaan om paarden te koopen.

[

Inhoud

]

Zesde Vertelling.

Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden, komen zij alle drie weer tot groot aanzien.

De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat de geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon: Ernstig en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar welke, omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken, die lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren nooit nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen voor zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En daarom, hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik u een niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze een blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid, dat ik nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de vreugde, die volgde.

Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht op het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met eenig ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen, zoodat haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam terug keerden, begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende, dat alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en niet wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom het strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was te weenen en te treuren.

Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde zij haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei gedachten hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen, die daar in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit kwam en het bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar zij het beest uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes, die misschien dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief en aardig in haar oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij die zachtjes opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden die weldaad niet en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was, zoodat zij van af dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen haar geitenmoeder en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele vrouw, dat zij een soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden, en zij leefde op kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij aan haar man, haar kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij bereid aldaar te moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd zij gemeenzaam met de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand werd de edele vrouw geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam daar toevallig een ander scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar enkele dagen bleef liggen. Daarop bevond zich ook een edelman Currado (Coenraad) genaamd, Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij zich had, een deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een bedevaart uit de provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen bezocht hadden, eer zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden dag om zich te ontspannen met zijn huisvrouw, een deel van zijn bedienden en met zijn honden langs dit eiland wandelen en kwam nabij de plaats, waar Madame Beritola zich bevond. De honden begonnen de twee geiten te volgen, die nu al wat grooter geworden, daar gingen grazen. Deze opgejaagd door die dieren vluchtten maar naar het hol, waar Madame Beritola was. Zij zag dat en sprong dadelijk op, greep een stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen daar ook Messire Currado met zijn huisvrouw, die hun honden volgden. Zij verwonderden zich zeer, toen zij die dame zagen, die nu al bruin en mager was geworden met verwilderde haren en zij was niet minder verbaasd over deze lieden.

De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen van Madame Beritola met de twee zoontjes van deze ten deel gevallen aan een zekeren Messire Guasparrino d’Oria.

Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme, maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,—omdat zij onderzocht, wat er van de kinderen geworden was—dat het licht schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij waren. En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans kon keeren en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer tot hun vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand te vertellen wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid voordeed. Zij gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor haar eigen kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi, maar Gianotto di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den kleinste te veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi (Godfried) begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam had gegeven en hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij herkend zou worden; zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar zeer dikwijls. De knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte zich ook ijverig naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide broeders leefden diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig in het huis van Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter geschoeid en voor allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter Giannotto zestien was geworden en daar hij meer trots bezat dan met zijn dienstbaren staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige knechtschap, ontvluchtte den dienst van Messire Guasparrino, ging op een galei, die naar Alexandrië zeilde en reisde door vele landen zonder echter ergens vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar, nadat hij van Messire Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe, groote jongeling was, hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien hij steeds dood had gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in slavernij hield. Daar hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een vagebond had rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde, dat hij bij Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw was en wiens sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn moeder, die zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg, kende hij haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide, sedert zij elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd.

Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was, kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden de anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op een aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen verborgen en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij zich echter langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen) te samen ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge vrouw en dadelijk daarop door Currado zelf verrast.

Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen beide (zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn bedienden binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen, want tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf een zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden, die haar gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de beide schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom den vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel het besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter te worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht, daar hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren, wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht de brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in plaats ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende plaatsen in te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun spaarzaam voedsel te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders over hen zou vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen, hoe het hun in de gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen hun lot was en zij meer vasten moesten dan hun lief was.

Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen?

Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk, wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner, dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was, ofschoon ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten.

Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester.

Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het gevaar nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer ik dien had bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog, zoo hij nog leeft) Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto, maar mijn naam is Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer ik van hier ontvluchten en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar tot groot aanzien zou komen. De goede man zonder verder te vragen, ging, zoodra hij gelegenheid had, dit vertellen aan Currado. Toen die dit hoorde, deed hij wel tegen den kerkermeester of hij er zich niet aan stoorde, maar hij ging naar mevrouw Beritola en vroeg haar vriendelijk of zij een zoon had gehad bij Arrighetto, die Giusfredi heette. Weenend gaf de donna hem ten antwoord, dat, als de oudste van de twee nog in leven was, die zoo heette en twee-en-twintig jaar oud moest zijn. Na dit te hebben vernomen, meende Currado, dat die het moest wezen en het viel hem in, zoo het aldus er mee gesteld was, dat hij tegelijk een daad van groote barmhartigheid kon doen en diens schande en die van zijn dochter uitwisschen door hem die tot vrouw te geven. Hij liet daarom Giannotto in het geheim bij zich komen en vroeg in bijzonderheden naar zijn vroeger leven. Hij vond hier genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de zoon van Arrighetto Capece was en zeide: Giannotto gij weet, welk een beleediging gij mij in de persoon van mijn eigen dochter hebt aangedaan, terwijl ik u goed en vriendschappelijk behandeld heb, waarom gij, gelijk het een goed dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel altijd had moeten zoeken en bevorderen. Velen, die in mijn plaats geweest waren, hadden om hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken dood laten sterven, maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter de zaken staan gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en edelvrouw, wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en de gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet, is donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en haar onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed; gij weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder; van uw tegenwoordigen toestand spreek ik niet.

Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo, dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft.

De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die niet in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor zijn donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood en hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins wat de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde: Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon mij bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik niet eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone menschen een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en men zou bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen de jeugd zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren wilden jong te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen wilden vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen als u en anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als vijand gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik had geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik het al lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat de hoop zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt, die uit uw woorden doorstraalt, voedt mij dan niet met ijdele hoop, laat mij naar de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt, daar treuren, hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader zal liefhebben en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult.

Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er des te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder de zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in ’t geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek, mager en zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto als man. Zij bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte, de huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat iemand wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat voor hen noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook hun moeder te verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola roepen en zeide tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw, indien ik u uw zoon weer bracht en hem u beide als de man van mijn dochter zou voorstellen? Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde la Cavriuola, dan dat, indien ik u nog meer verplicht kon worden, dan ik het u reeds ben, mijn verplichting jegens u des te grooter zou wezen als gij mij datgene zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder is dan mezelve. Wanneer gij mij die zoudt terugschenken, zooals gij mij zegt, zoudt gij in mij de verloren hoop weer doen herleven. En weenend zweeg zij. Toen zei Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het jou schijnen, als ik je zoo’n schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die: Zelfs als het geen edelman was van hun slag maar een mindere man, zou het mij ook aanstaan, wanneer het u behaagde. Currado hernam: Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen gelukkig te maken. Hij vroeg aan de twee jongelieden, die al hun vroeger uiterlijk hadden teruggekregen en naar hun stand gekleed waren: Hoe zou het u niet aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet, bovendien hier uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik geloof niet, dat de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft gelaten, maar, als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap schenken als ook, dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van mijn goederen in Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar beide dames binnen komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk en vroegen zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon zijn, die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat Giannotto daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de woorden van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een geheime aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de kinderlijke trekken van het gelaat van haar zoon en zonder eenig verder bewijs af te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De overvloeiende teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te spreken; zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de armen van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij zich herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel zag en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het uiterlijk van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn vroeger onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn armen hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door donna Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere middelen, in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde zij haar zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol moederlijke liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij zag haar vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe.

Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen en zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat nu in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik u, dat gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult door de tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van een dienaar in het huis van Guasparrin d’Oria verblijf houdt, welke mij en hem, gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan: dat ge iemand naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de gesteldheid en den toestand van het land en er zich voor beijvert te weten te komen, wat er van mijn vader d’Arrighetto geworden is, of die dood is of levend en indien hij leeft in welk een toestand en dat die bode van alles goed op de hoogte tot ons terug keert. Het verzoek van Giusfredi stond Currado aan en zonder verwijl zond hij zeer vertrouwde personen zoowel naar Genua als naar Sicilië. Degeen, die naar Genua ging en messire Guasparrino vond, verzocht hem dringend namens Currado, dat hij dien Scacciato en zijn voedster moest zenden, en vertelde hem geregeld wat door Currado voor Giusfredi en voor zijn moeder gedaan was. Toen de heer Guasparrino dit hoorde, was hij zeer verwonderd en zeide: Zeker zou ik voor Currado alles doen wat ik kon om hem genoegen te verschaffen, ik heb werkelijk al veertien jaar den jongen man naar wien gij vraagt in huis en zijn moeder, die ik hem gaarne wil sturen; maar zeg hem namens mij, dat hij niet te veel aan de verzinsels hecht van dien Giannotto, die zich nu Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is dan deze wel denkt. Na die woorden liet hij den braven man onthalen, liet in ’t geheim de voedster roepen en onderzocht met haar dit feit. Toen zij van de opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto leefde, verjoeg zij de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles achtereenvolgens en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die wijze van doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden van de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en kreeg er vertrouwen in.

Notes in this chapter

Note 1 · Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt hij geslagen en gevNote 2 · Rinaldo d’Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos te zijn gesteld, gezondNote 3 · Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de donna’s uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien, oNote 4 · De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een lafbek niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende, waarop hij zNote 5 · Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist, geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar huis terugkeert, ontmNote 6 · Waardige donna’s. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen, over Note 7 · Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust, diNote 8 · Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde haar hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken in zijn herbNote 9 · Liefste donna’s, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik den Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi heette. Bij dNote 10 · Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en wat zij Note 11 · Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat Currado aan hen
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings