Note 8 — Tweede Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde haar hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken in zijn herberg en zonder veel woorden meer te verspillen vertrok zij. Andreuccio keerde zich om tot onderhandelen maar kocht dien morgen niets. Het meisje, dat eerst zijn beurs en daarna de familiariteit van haar oude met hem had gezien, begon om te beproeven of er een middel kon gevonden worden dit geld geheel of ten deele te bemachtigen, voorzichtig te vragen wie hij was en vanwaar, wat hij daar deed en hoe hij haar kende. Hierop vertelde zij haar al de bijzonderheden omtrent Andreuccio, gelijk hij zelf haar die met weinige woorden verhaald had, want zij had lang met zijn vader op Sicilië en daarna in Perugia geleefd en zij meldde haar ook, waar hij logeerde en met welk doel hij gekomen was. Het meisje, geheel op de hoogte zoowel van zijn familie als van hun namen, maakte hierop het plan door een sluw bedrog aan haar begeerte te voldoen. Tehuis gekomen, gaf zij de oude den geheelen dag werk, zoodat zij Andreuccio niet zou kunnen ontmoeten en koos een meisje uit, dat tot het verrichten van zulke diensten goed was uitgestudeerd om dien avond naar de herberg te gaan, waar Andreuccio verblijf hield. Zij kwam daar en ontmoette bij toeval hem aan de deur en vroeg hem naar zijn naam, waarop die antwoordde, dat hij zelf de bedoelde persoon was. Zij sprak, na hem ter zijde te hebben gevoerd: Signor, een voorname donna van deze stad wil u, wanneer u dit behaagt, gaarne spreken. Toen hij dit hoorde, was hij daar geheel van vervuld en daar hij zichzelf een knap man toescheen, meende hij, dat die dame op hem verliefd moest wezen, omdat hij dacht, dat er geen ander schoon jonkman dan hij toen in Napels was, en antwoordde haastig, dat hij zou komen. Hij vroeg, waar en wanneer die dame hem wilde spreken. Het dienstmeisje antwoordde: Heer, wanneer het u bevalt; zij wacht u tehuis. Andreuccio hernam zonder zich in de herberg bekend te maken: Ga dan nu vooruit, ik zal na je komen. Toen leidde het meisje hem tot haar woning, die in een straat stond Malpertugio (kwaad hol) genaamd, waar al blijkt uit den naam zelf, hoe netjes het er was. Maar hij, die niets wist noch vermoedde, verbeeldde zich, dat hij naar een fatsoenlijke buurt ging en naar een lieve dame en trad onbezorgd met het meisje voorop, het huis binnen. Hij vloog de trappen op, terwijl het meisje reeds haar meesteres geroepen had en die zeide: Hier is Andreuccio! Hij zag haar op den hoek boven aan de trap staan, waar ze hem afwachtte. Zij was nog zeer jong, groot van persoon en met een zeer schoon gelaat, voornaam gekleed en getooid. Toen Andreuccio haar naderde, ging zij hem met geopende armen drie treden tegemoet, omhelsde hem, en stond zoo eenigen tijd zonder een woord te spreken als door overvloedige teederheid belemmerd. Daarop kustte zij hem weenend het voorhoofd en zeide met haast gebroken stem: O, mijn Andreuccio, gij zijt welkom. Hij, verwonderd over die zoo teere liefkozingen, antwoordde verbaasd: Mevrouw, het doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Daarna leidde zij hem bij de hand naar boven naar de zaal en trad van deze zonder een woord te spreken in haar kamer, welke geheel doorgeurd was van rozen, oranjebloesems en andere bloemen. Daar zag hij een prachtig bed met gordijnen en vele gewaden op rekken naar de gewoonte aldaar en andere fraaie en rijke sieraden. Als jonge man geloofde hij hierdoor, dat zij zeker een groote dame moest zijn. Zij zetten zich te samen op een kist aan den voet van haar bed en zij begon aldus tot hem te spreken: Andreuccio, ik ben er zeker van, dat gij u verwondert zoowel over de liefkozingen, die ik u schenk als over mijn tranen, daar gij mij niet kent en bij toeval nooit over mij hebt hooren spreken; maar gij zult spoedig iets vernemen, wat u misschien nog meer zal verbazen, namelijk, dat ik uw zuster ben. En ik zeg u, dat nu God mij zooveel genade heeft geschonken, dat ik voor mijn dood één van mijn broeders heb aanschouwd (hoewel ik verlangde ze allen te zien), ik op dit uur tevreden zal sterven. Indien gij dit wellicht nooit hebt gehoord, zal ik het u verklaren. Pietro, mijn vader en de uwe, naar ik geloof, dat gij hebt kunnen weten, woonde lang in Palermo en door zijn goedheid en vriendelijkheid was hij er en is er nog door hen, die hem kenden, zeer bemind. Maar onder de anderen, die veel van hem hielden, was mijn moeder, die edelvrouw was en destijds weduwe, degene, die het meest van hem hield, zoodat zij ter zijde gesteld hebbend de vrees voor haar vader en broeder en haar eer, zoo met hem samen leefde, dat ik er uit geboren werd en daardoor ben ik, die gij hier ziet. Sinds er een reden kwam voor Pietro om uit Palermo te vertrekken en naar Perugia terug te keeren, liet hij mij als klein kind met mijn moeder achter, en nooit, voor zoover ik gewaar werd, dacht hij meer aan mij of haar. Hierover zou ik, als het mijn vader niet was geweest, hem groote verwijten doen, wanneer ik let op zijn ondankbaarheid jegens mijn moeder (ik laat daar de liefde, die hij mij als zijn dochter, niet afkomstig van een dienstmaagd of een vrouw uit het volk, had moeten toedragen) welke gelijkelijk het hare en zich zelf, zonder overigens te weten wie hij was, door de trouwste liefde bewogen, in zijn handen stelde. Maar wat! De slechte dingen, die lang geleden zijn, zijn gemakkelijker af te keuren dan te herstellen. Maar zoo stond het dan toch er mee. Hij liet mij als klein kind in Palermo achter, waar, toen ik opgroeide tot wat ik nu ben, mijn moeder als rijke donna, mij ten huwelijk gaf aan een der Gergenti’s, een goed edelman, die uit liefde voor mijn moeder en mij in Palermo bleef wonen. Daar hij zeer guelfisch8 gezind was, liet hij zich in tot onderhandelen met onzen koning Karel, die, toen koning Frederik dat bespeurde, voordat het gevolg kon hebben, daarom de vlucht nam naar Sicilië, waar ik verwachtte de eerste edelvrouw te worden, die er ooit op dat eiland was. Vandaar vluchtten zij naar dit land, de weinige zaken medenemend, die wij medenemen konden (ik zeg weinigen met betrekking tot de velen, die wij hadden) en lieten de landgoederen en de paleizen achter. Daar vonden wij koning Karel, die zoo goed voor ons was, dat hij ten deele onze schade, voor hem geleden, herstelde en er ons bezittingen en huizen gaf. En nog geeft hij altijd aan mijn man, die uw zwager is, een goed inkomen, gelijk gij nog kunt zien. En zoo ben ik hier als gij mij vindt, dank zij God en niet u, lieve broeder. Hierna omhelsde zij hem opnieuw en kuste hem nog teeder weenend op het voorhoofd.