← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Zevende Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

De zesde dag van de Decamerone eindigt, de zevende vangt aan. Onder het bewind van Dioneo wordt gesproken over de streken, welke de vrouwen, gedreven door liefde of tot hun redding tegenover hun echtgenooten hebben uitgehaald, die het al of niet merken.

Alle sterren waren reeds in het Oosten geweken, behalve die wij Lucifer noemen en die nog schitterde in den blankenden dageraad, toen de hofmeester opstond en met veel goed zich naar de Dames-Vallei begaf om er alles te ordenen. Niet lang na zijn vertrek ontwaakte de koning, dien het rumoer van de badende bedienden en der lastdieren had gewekt en hij liet al de donna’s en de jongelieden volgen. Ternauwernood schenen de zonnestralen, toen allen zich op weg begaven en nooit was het hun voorgekomen, dat de nachtegalen en de andere vogels zoo lustig hadden gezongen als dien morgen; door hun liederen begeleid gingen zij tot aan de Vallei der Donna’s, waar, omdat zij door nog meer vogels werden toegekweeld, het hun leek, dat die zich over hun komst verheugden. Zij wandelden er weer in rond en die scheen hun nog zooveel te schooner dan den vorigen dag, naarmate het uur meer met zijn schoonheid overeen kwam. En nadat zij met goeden wijn en meelspijs zich hadden ontnuchterd, begonnen zij, opdat zij niet werden overtroffen door de vogels, te zingen en de vallei met hen zong steeds dezelfde liederen als zij, waarbij de vogels, alsof zij niet overwonnen wilden worden zoete, nieuwe tonen kweelden. Maar toen het dansuur was aangebroken en de tafels gezet waren onder de levendige laurierboomen en de andere schoone stammen dicht bij het meertje, zaten zij aan en onder het eten zagen zij de visschen in zeer talrijke scholen het meer doorzwemmen, wat hun meermalen even goed reden tot kouten als tot kijken gaf. Maar toen het verblijf was geëindigd, begonnen zij nog opgeruimder dan te voren te zingen. Vervolgens, toen er op verschillende plaatsen rustbedden waren opgeslagen, en die allen door den zeer bescheiden hofmeester waren omgeven en gesloten met fransche serge gordijnen, kon elk, met verlof des konings, wien dit beviel, gaan slapen, en wie dit niet verkoos, kon naar welbehagen van hun andere genietingen gebruik maken. Toen het uur gekomen was, dat allen opstonden en het tijd was om te gaan vertellen, werden niet ver van die plaats, tapijten op het gras uitgespreid; en zij zetten zich dicht bij het meer neder en de koning beval, dat Emilia zou aanvangen, die blijde glimlachend aldus met verhalen begon:

[

Inhoud

]

Eerste Vertelling.

Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken houdt op.

Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna’s. Ik zal u iets verhalen, wat u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en het meest voor een spook, waarmee ik—God weet het—niet bekend ben, en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren.

Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdat hij als welgesteld man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde.

Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer mooie plek, die gezegde Gianni in Camerata had, waar zij den ganschen zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en ’s ochtens naar zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus, toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur, welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord, deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni, dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook, waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik, zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er niet onderuit durfde trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni: Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk het Te Lucis en de Intemerata en andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen.

De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten, stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief, voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik, dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat ’s nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak.

Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en dat de donna het gebed aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna’s, staat het aan U van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, gelijk gij—hoop ik—gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen.

[

Inhoud

]

Tweede Vertelling.

Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich thuis brengen.

De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: Zeer geliefde donna’s. De bedriegerijen, die de mannen jegens U uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En aldus wil ik U vertellen wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde.

De ton.
De ton.

De ton.

7e Dag—2e Vertelling.

Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn, namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt, zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar, die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik goed ben, lijd en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten, maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide: Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor.

Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht, terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot onderrichtte, besloot Giannello, die dien morgen zijn verlangen nog niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast, manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen.

[

Inhoud

]

Derde Vertelling.

Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, dat hij de wormen van het zoontje bezwoer.

Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden te spreken, of de ondeugende donna’s lachten er om en deden of het om iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: Bekoorlijke donna’s. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt.

Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde.

Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, die hij zijn petemoei toedroeg. Doch na verloop van tijd zonder het kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is—laat staan, dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk—zij schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken, het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben—en ik zal dit vlug doen,—zal ik U een man schijnen als de rest en geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die hem voortbracht? De donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben, bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde, dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen.

O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien. Wij hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder van het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak: Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan.

[

Inhoud

]

Vierde Vertelling.

Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem met luid geschreeuw.

Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde, hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen, dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de Uwe. Verliefde donna’s, ik zal U een list vertellen aangewend door een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren.

In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven, waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen, terwijl hij sliep. Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich, zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen.

De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den nacht. Tofano stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten, totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw, gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga, keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen, omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had, dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna, die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken, zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar, wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan, ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U, gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw van God vergeve het mij er in vallen. De steen op het water ploffend maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in huis, sloot het van binnen, ging naar de vensters en zeide: Men moet bijtijds water in zijn wijn doen.

Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden, het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je bent en op welk uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden, opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was.

De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die me ’s avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren: Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken, dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof, dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel.

[

Inhoud

]

Vijfde Vertelling.

Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over het dak binnen komen en blijft met hem.

Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele donna’s. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen; integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen maar prijzen.

Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld, die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen schoon moest voorkomen en ook, dat zij moeite deed aan anderen te behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld, naarmate zij zich minder schuldig voelde.

Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar man, dat, als het hem beviel, zij ’s ochtends naar de kerk wilde gaan biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden, die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en zou heengegaan zijn. Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar, zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden, omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om, want ik kwam niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven zou het te kunnen, zou ik het U zeggen.

De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U, want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij, want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch, dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten, tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had, ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide: Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap, opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard, treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders kwam, klom de trap op en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna, die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde: Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat, sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester, die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn.

De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest, gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart; en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik U horens wilde doen dragen en gij honderd oogen hadt gelijk thans twee, ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden.

De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven.

[

Inhoud

]

Zesde Vertelling.

Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto.

De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde, dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories en ik heb plan het nog meer te bewijzen.

In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar, daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna Isabella, was ’s zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna, die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden; na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond, ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen.

De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof, dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond, nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen, woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder, deed hij, gelijk de donna hem bevolen had.

Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio toornig de trap afkomen en verwonderde zich en zeide: Wat is dat, messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging, vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar: Wat is dat? Waarom is messer Lambertuccio zoo vertoornd? De donna, die de kamer naderde, opdat Leonetto het zou hooren, antwoordde: Messire, ik heb nog nooit zoo’n angst gehad. Zoo pas kwam hier een jonkman binnen, dien ik niet ken en dien messer Lambertuccio met het mes in de hand volgde en die toevallig deze kamer open vond en sidderend sprak: Madonna, help mij bij God, opdat ik niet dood in Uw armen blijf. Ik stond rechtop en toen ik hem wilde vragen, wie hij was en wat er aan de hand was, komt mij daar messer Lambertuccio naar boven met de woorden: Waar ben je, verrader? Ik ging naar de kamerdeur en daar hij binnen wilde treden, hield ik dien vast; hij was hoffelijk genoeg, daar hij zag, dat het mij niet aanstond hem te laten binnentreden, na veel woorden naar beneden te gaan. Toen sprak de echtgenoot: Vrouw, gij hebt wel gedaan. Het zou een al te groote blaam zijn geweest, als hier iemand gevonden was en messer Lambertuccio deed een zeer onpassende daad door iemand te volgen, die daar binnen zou gevlucht zijn. Daarna vroeg hij, waar die jonkman was. De donna antwoordde: Messer, ik weet niet, waar hij zich verborgen heeft. De ridder hernam: Waar zijt gij? Kom zonder vrees voor den dag. Leonetto, die alles had gehoord, kwam heel angstig, alsof hij bevreesd was, uit den hoek. De ridder sprak toen: Wat hebt gij met messer Lambertuccio te maken? De jonkman antwoordde: Messer, niets ter wereld en daarom geloof ik bepaald, dat hij niet goed wijs is of mij voor den verkeerden houdt, omdat hij, zoodra hij mij dicht bij dit huis op straat zag, de hand aan het mes sloeg en zeide: Verrader, gij zijt des doods. Ik vluchtte en kwam hier, dank zij God en deze edelvrouw. Toen sprak de ridder: Nu, heb maar geen vrees meer; ik zal U thuis brengen en gij zult nagaan, wat gij met hem hebt uit te staan. En toen zij geavondmaald hadden, liet hij hem te paard stijgen en leidde hem naar Florence. Naar de voorlichting der donna sprak Leonetto dien avond met messer Lambertuccio en regelde alles zóó met hem, dat, hoeveel er ook later over gesproken zou worden, de edelman daardoor nooit te weten zou komen, welke poets men hem met zijn vrouw had gebakken.

[

Inhoud

]

Zevende Vertelling.

Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen en ranselt Egano in den tuin af.

De schranderheid van madonna Isabella werd door ieder voor wonderbaar gehouden. Doch Filomena, aan wie de koning bevolen had te volgen, sprak: Verliefde donna’s. Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik U een niet minder mooi verhaal te kunnen doen.

De misleide echtgenoot.
De misleide echtgenoot.

De misleide echtgenoot.

7e Dag—7e Vertelling.

Zoo had hij dikwijls gelegenheid zijn donna te zien en hij diende zijn heer zoo goed en naar wensch, dat deze zoo aan hem hechtte, dat hij niet meer buiten hem kon en over al zijn goederen gaf hij hem de leiding. Eens gebeurde het, dat Egano op de vogelvangst was en Anichino was thuis gebleven. Madonna Beatrice, die zijn liefde nog niet had opgemerkt, maar op zijn manieren meermalen lette, had hem zeer geprezen en het behaagde haar met hem schaak te spelen. Anichino, die haar verlangde te behagen, nam dit gaarne aan, waarmee de donna zeer blijde was. Toen al de vrouwen na het toezien waren heengegaan en hen alleen lieten spelen, slaakte Anichino een diepen zucht. De donna keek hem aan en zeide: Wat hebt gij, Anichino? Bedroeft het U zoo, dat ik U overwin? Mevrouw, antwoordde Anichino, iets veel belangrijkers was de oorzaak van mijn zucht. Toen sprak de donna: Zeg het mij bij de genegenheid, die gij voor mij gevoelt. Anichino voelde zich betooverd bij dit: door de genegenheid, die gij voor mij gevoelt door haar, die hij boven alles lief had, zoodat hij een nog grooter zucht uitstiet dan de eerste, waardoor de donna hem opnieuw vroeg of hij haar wilde zeggen, wat de oorzaak van zijn zucht was. Hierop sprak Anichino: Madonna, ik vrees zeer, dat het U boos zou maken, indien ik U dat vertel, en dan ben ik ook bang, dat gij het zoudt over vertellen. De donna hernam: Het zal voor mij zeker niet onaangenaam zijn en reken er op, dat ik er nooit aan anderen over zal spreken. Met tranen in zijn oogen zeide Anichino haar, wie hij was, wat hij van haar gehoord had, hoe hij op haar verliefd werd en waarom hij knecht was geworden en daarna smeekte hij haar nederig medelijden met hem te hebben en hem in dit zoo brandend verlangen ter wille te zijn en ook dat hij in de gedaante, waarin hij was, tevreden zou zijn haar te beminnen. O, zonderlinge zachtheid van het bologneesche bloed! Wat zijt gij altijd te prijzen geweest in zulke gevallen! Gij waart nooit verlangend naar tranen of zuchten en waart steeds welwillend voor nederige smeekbeden en verliefde verlangens; als ik waardige loftuitingen had om U te prijzen, zou men zien, dat mijn stem er nooit genoeg van had!

De edelvrouw, die Anichino aanzag en alle vertrouwen aan zijn woorden schonk en zijn liefde, maakte zooveel indruk op haar, dat zij begon te zuchten en daarna antwoordde: Mijn lieve Anichino, houdt moed; noch geschenken, noch beloften, noch begeerten van edelman of heer, noch van wie ook (want, ik werd nog door velen begeerd) konden ooit mijn ziel bewegen, maar gij hebt mij in even korten tijd, als Uwe woorden geduurd hebben, de Uwe doen worden. Gij hebt U mijn liefde verworven en daarom geef ik U die en ik beloof U, dat ik er U mee zal gelukkig maken, en nog dezen nacht. Te middernacht zult gij op mijn kamer komen. Ik zal de deur open laten. Gij weet aan welken kant van het bed ik slaap; gij zult mij wakker maken en ik zal U troosten over uwe langdurige begeerte en opdat gij dit gelooft, zal ik U een kus als pand geven. Zij wierp hem den arm om den hals, kuste hem hartstochtelijk en Anichino haar en met de grootste zaligheid ter wereld wachtte hij de komst van den nacht af. Egano kwam van de vogelvangst terug en toen hij het avondmaal had gebruikt, ging hij vermoeid slapen en daarna de donna. Zij liet de kamerdeur open en op het afgesproken uur kwam Anichino binnen, sloot de deur achter zich en begaf zich naar den kant, waar de donna lag, legde de hand op haar borst en vond haar wakker. Toen zij bemerkte, dat Anichino gekomen was, nam hij haar hand tusschen de zijne en hield die stevig vast en woelde zoo, dat Egano wakker werd. Zij sprak tot hem: Ik heb U gisteravond niets willen zeggen, daar gij mij vermoeid scheen, maar zeg mij, Egano, wien gij voor den besten en eerlijksten bediende houdt en wien gij het meest genegen zijt van degenen, die gij in huis hebt. Egano antwoordde: Waarom vraagt gij mij dit? Kent gij hem niet? Nog nooit had ik er een, dien ik zoo vertrouwde of genegen was als Anichino; Anichino, die merkte, dat Egano wakker was en die over zich zelf hoorde spreken, had verscheidene malen zijn hand weggetrokken, daar hij vreesde, dat de donna hem wilde bedriegen, maar zij hield zoo stevig vast, dat hij niet loskomen kon. De donna zeide tot Egano: Ik dacht ook, dat hij U trouwer was dan ieder ander, maar toen gij heden op de vogelvangst zijt gegaan, bleef hij hier en toen hij de kans schoon zag, schaamde hij zich niet mij te vragen of ik tot zijn genoegen wilde toestemmen en om het U gemakkelijk te bewijzen, antwoordde ik, dat ik er vrede mee had en dat ik na middernacht in onzen tuin zou gaan en aan den voet van den pijnboom zou wachten. Nu heb ik voor mij geen zin er heen te gaan, maar als gij de trouw van Uw knecht wilt kennen, doe dan een vrouwenkleed van mij aan, een sluier om Uw hoofd en ga daar wachten, of hij zal komen, waarvan ik zeker ben. Toen Egano dit hoorde, zeide hij: Zeker, wil ik hem gaan zien en hij trok, zoo goed het in den donker ging, een gewaad van zijn vrouw aan, deed een sluier om het hoofd, ging in den tuin en begon op Anichino aan den voet van den pijnboom te wachten. Zoodra hij was opgestaan en de kamer uit, sloot de donna de deur van binnen. Anichino, die den grootsten angst van zijn leven had doorstaan en die getrokken had wat hij kon om zich los te rukken en honderdduizend maal haar en zijn liefde, die hij haar had toevertrouwd, had vervloekt, merkte, met welk doel zij dit had gedaan en was nu de gelukkigste man van de wereld.

Hij kleedde zich, gelijk zij wilde, uit en te samen hadden zij genoegen en vreugde gedurende langen tijd. Toen het de donna scheen, dat Anichino niet langer moest blijven, deed zij hem opstaan en zich weer aankleeden en zeide: Mijn lieve vriend, gij moet een flinken stok nemen en naar den tuin gaan en net doen, of gij mij hebt geroepen om mij op de proef te stellen en zoo zult gij Egano uitschelden en goed met den stok ranselen en hieruit zal wonderbaar genoegen en vermaak volgen. Anichino stond op en ging in den tuin met een grooten wilgenstok en dicht bij den pijnboom zag Egano hem aankomen, die hem met gemaakte vreugde wilde ontvangen. Anichino voegde hem toe: Ah, eerlooze vrouw, ben je dus gekomen en gij hebt geloofd, dat ik mijn heer deze schande wilde aandoen? Gij zijt hier ééns voor duizend keer gekomen; en den stok opheffend, begon hij Egano te slaan, die dit bemerkend, vluchtte zonder een woord te spreken en Anichino zeide daarop: Dat God U een kwaad jaar geve, slecht wijf, want ik zal het morgen aan Egano zeggen. Egano, die verscheidene goede klappen beet had, ging, zoo gauw hij kon, naar zijn kamer terug. De donna vroeg hem of Anichino gekomen was. Egano zeide: Was hij het maar niet geweest, want in de meening, dat gij het waart, heeft hij mij met een stok lam geslagen en zoo beleedigd, als men het een slechte vrouw ooit deed. Zeker verwondert het mij sterk, dat hij dit zou hebben afgesproken met de bedoeling mij te schandvlekken, maar omdat hij U zoo verheugd en voorkomend meende te zien, wilde hij U op de proef stellen. Toen sprak de donna: Geloofd zij God, dat hij mij alleen met woorden en U met feiten op de proef gesteld heeft en ik geloof, dat hij zeggen kan, dat ik met meer geduld de woorden heb verdragen dan gij de slagen en omdat hij U zoo trouw is, moet gij hem op prijs stellen en eer aandoen. Egano sprak: Zoo is het en hij was van meening, dat hij de braafste vrouw en de trouwste dienaar bezat. Nadat over dit feit door hen gelachen was, hadden Anichino en de donna voldoende gelegenheid, meer dan zij zonder dit avontuur zouden hebben, te doen, wat hun vermaak en genoegen was en daarom behaagde het Anichino bij Egano in Bologna te blijven.

[

Inhoud

]

Achtste Vertelling.

Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.

Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon: Schoone donna’s. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik mij er wel door te slaan.

In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door een huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze, daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus te handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan het andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend onder de dekens zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van haar voet zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, als hij kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, als haar man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, zou ze den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet behoefde te wachten.

Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij soms met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat op een nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed stekend, dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, dat die aan de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich zelf: Dat moet bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het venster liep, hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, bond hem aan den zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet lang of Ruberto kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio werd dit gewaar en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto sterk trok, meende hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, nam zijn wapens mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu was Arriguccio, hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur opende en Ruberto hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio moest zijn. Daarom vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen ten slotte Ruberto een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds naijlde en daar ook Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde zich om en zij begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend had, werd de donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, dat haar bedrog ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto was nageloopen, stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles wist en smeekte haar zoo, dat die er in toestemde in haar plaats op het bed te gaan liggen, en bad, dat zij, zonder zich te doen kennen, die behandeling zou ondergaan, welke Arriguccio haar zou aandoen. Zij zou er haar zóó voor beloonen, dat zij zich niet zou hebben te beklagen. Nadat zij het licht had uitgedaan, dat in de kamer brandde, ging zij in een hoek van het huis verborgen afwachten, wat er zou gebeuren. De buren, die het gerucht hoorden van het gevecht tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden op en begonnen hen te schelden, waarop Arriguccio, bevreesd herkend te worden, den jonkman liet gaan zonder te weten wie hij was en zonder hem te kwetsen en in toorn thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te roepen: Waar ben je, boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik je niet zal vinden, maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en geloovend er de vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij haar aan handen en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel stompen en trappen, dat hij haar het geheele gezicht verminkte en ten slotte trok hij haar de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de grootste scheldwoorden toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij werkelijk schuld had en te meer, omdat zij soms riep: Wee mij, genade om Gods wil; o houd op! En haar stem was zoo door haar geschrei veranderd en Arriguccio zoo verblind van woede, dat hij niet had kunnen zien, dat het een andere vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer dan zij verdiend had, sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je verder te straffen, maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede werken vertellen en laten die dan maar hier komen en doen wat zij denken, dat jou eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer in dit huis blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die van buiten en ging weg.

Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij een licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon zij te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, naar het huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, dat men hem open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, zagen, dat het Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten hadden aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij op dit uur en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat hij had ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, stelde hij de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter hand en vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij haar niet verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren zeer vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken en om haar een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio op weg. De moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet dadelijk moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden boos op haar kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook zich te verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar had opgevoed en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen waren gegaan, klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie is daar? Waarop een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, slechte meid. Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God helpe mij. En opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; wat zoekt gij alle drie op dit uur?

Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht, terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren bij de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had en haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man, wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw, zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na Uw minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U op het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van haar hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken waren. De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu, Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken, dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken en boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft, gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader uur tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben en hij, die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan een meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in de kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls tot middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, dat hij, als hij goed dronken is, met zoo’n treurig schepsel gaat slapen en bij haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al die geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de haren heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen geloofde dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is hij nog half dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, ik wil, dat gij er niet meer rekening mee houdt dan met de woorden van een dronken man en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen.

Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis van God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, want hij is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, het zou wat anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij mag voortaan een slecht leven hebben, indien gij gekweld moet worden door een koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van het land komen en van lage familie, gekleed in laken van Romagna, met de kousen op de hakken, met de veer op hun achterwerk, en die, als ze drie stuivers rijk zijn, de dochters van edellieden willen hebben en voorname vrouwen, zich wapens laten schilderen en zeggen: Ik ben van die en die familie en die van mijn huis hebben dit of dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad maar gevolgd, dan hadden zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis der graven van Guidi met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die schoone vreugde van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste dochter van Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te zeggen, dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar bij het geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men hem zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En zich naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij gehoord, hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een koopmannetje van vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet tevreden zijn, voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een man was, zou ik mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien treurigen dronkelap, die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de jongelieden Arriguccio de grootste beleediging toe, die ooit aan een slecht man gezegd was en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken waart, maar pas er je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te laten hooren, want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen wij het U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als een dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en zonder er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze ontkwam niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande zich den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te verschaffen zonder eenige vrees voor haar echtgenoot.

[

Inhoud

]

Negende Vertelling.

Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, wat hij gezien heeft.

De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna’s zich niet konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige donna’s, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is, dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in tal van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer te toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik U de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, omdat de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op de wereld even dwaas zijn.

In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus aan wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw schonk, edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, honden en vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder de bedienden had hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en buitengewoon bijdehand, Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven anderen lijden en vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op hem zeer verliefd, zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in gedachten was. Pyrrhus echter, die van haar liefde niets merkte of niets wilde bemerken, bekommerde er zich ook niet om, wat de donna ondragelijk hinderde. En besloten hem dit goed te doen bespeuren, riep zij een harer kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen stelde en sprak aldus: Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, moeten U gehoorzaam en trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand ooit weet, wat ik U zeg, behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben een jonge en frissche vrouw en rijk voorzien van alles, wat een vrouw kan verlangen en op ééne zaak na, kan ik mij niet beklagen en deze is, dat mijn echtgenoot te bejaard is. Vergelijk ik mijn leeftijd bij den zijne, dan kan ik niet tevreden zijn met datgene, waarin de jonge donna’s het meest behagen scheppen en toch verlang ik dit als de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar de fortuin zoo slecht gezind was mij een ouden echtgenoot te geven, niet de vijandin van mij zelf te zijn door geen middel te vinden mijn lusten te bevredigen en mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen te hebben wensch ik, dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem met zijn omhelzingen vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik mij nooit goed gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik niet spoedig een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven. Indien mijn leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde mededeelen en hem vragen bij mij te komen.

De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd, daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op de proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze woorden van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder trouw doet zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester mij meer eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging aandoen en daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: Van alle dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo dikwijls als zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of verdriet zal zijn. Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de woorden van Pyrrhus keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend verlangde te sterven. Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier er op nieuw over en zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder den eersten slag; daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in mijn nadeel trouw wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al mijn vuur. Doe in alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als het zoo zou blijven, zou ik sterven en hij zou gelooven voor den mal te zijn gehouden en waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat volgen. De kamervrouw bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te hebben zeide zij, toen zij hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, ik zeide u, hoeveel liefde mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit thans opnieuw; gaat gij door met de hardheid, die gij gisteren toonde, wees er dan zeker van, dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, dat het u behage haar in haar begeerte te vertroosten en zoo gij in uw koppigheid wreed blijft, zal ik, die u voor zeer verstandig hield, u voor een dwaas houden. Een zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk een mooie, lieve donna u boven alles lief heeft! Bovendien: hoe moet gij u jegens de fortuin verplicht gevoelen, als gij er aan denkt, dat zij u dit bereid heeft overeenkomstig de verlangens uwer jeugd en met voldoening van uw begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, die voor zijn genot beter af is dan gij? Wie zult gij beter voorzien vinden van wagens, paarden, kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan haar wilt schenken? Open dus uw hart voor mijn woorden: herinner u, dat het maar eens gebeurt, dat de fortuin zulk een vriendelijk gezicht toont en u met open armen ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen en later arm is en aan den bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar niet over haar. En er moet niet dezelfde trouw zijn tusschen dienaars en heeren als tusschen vrienden en bloedverwanten; integendeel moeten de dienaars zooveel mogelijk hen behandelen, gelijk zij door dezen behandeld worden. Denkt gij, dat als gij een mooie vrouw of moeder of dochter had, die aan Nicostratus zou bevallen, dat hij jegens u de trouw zou in acht nemen, die gij jegens zijn donna wilt bewaren? Je bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker van, dat, als beloften en smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u dit niet zoo schijnt, geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen. Maak van de gunst der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang haar, want indien gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw donna er zeker op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van hebben, als gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had nagedacht, over hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds voorgenomen een ander antwoord te geven en toe te stemmen de donna te behagen, mits hij er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld en antwoordde daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn waar, maar ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij mij al zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil dit doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen, die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij niet zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat zij in tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, ten tweede, dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, en ten slotte een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen schenen moeilijk aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar Amor, die grooten moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, hielp haar. Ze liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig ten volle zou verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat hij Nicostratus voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij zich in tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen en aan Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was.

Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid uit haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op den stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus op zoo hoogen prijs stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in de hand wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij hem tegen den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee mij, vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend tot de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt, de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden, Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter.

Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid van mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat gij zijn zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor Nicostratus zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden zij zich tot Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft wel gedaan door zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij bespotten, toen de vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap van Nicostratus. Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin gemaakt voor onze gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een paar dagen later bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en terwijl zij hem liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar hij voor de grap een paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid te slagen voor het tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig trok zij hem lachend bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit geheel van de kin rukte. Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide zij: Nu, wat hebt gij! Waarom trekt gij zoo’n gezicht! Omdat ik u misschien zes haren uit den baard heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, wat ik gewaar werd, toen gij mij zooeven de haren uitrukte. En zoo voortgaande bij hun scherts bewaarde de donna voorzichtig de lok van den baard en zond die denzelfden dag aan haar minnaar. Over de derde zaak dacht de donna weer na, maar daar zij zeer schrander was en Amor het haar nog meer maakte, had zij gepeinsd, dat er een middel moest zijn. Nicostratus had twee kinderen, door hun vaders hem toevertrouwd, opdat zij als edellieden manieren leerden. De een sneed voor, als Nicostratus at en de andere schonk hem in. De donna liet beide roepen en overtuigde hen, dat zij uit hun mond roken en raadde hun, wanneer zij Nicostratus bedienden, het hoofd zooveel mogelijk achterwaarts te houden en dit nooit aan iemand te zeggen.

De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd had. Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de jongens doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus zeide: Wel zeker, ik heb ze zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde de donna: Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik gezwegen om u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het bemerken, kan ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; ik weet niet, wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was en daar gij met edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen antwoordde Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken tand hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een venster, liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, riep zij: O Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt er daar een, die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar geheel stuk en u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom zou ik u raden hem te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo voorkomt, stuur dan zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging verder: Dat het God niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; zonder dokter kan ik hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn zoo wreed, dat mijn hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand te zien. Daarom wil ik het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, zal ik u dadelijk loslaten, maar zoo’n tandarts niet. Zij liet daarom de tang komen en nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield zij alleen Lusca bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich uitstrekken op een zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, trok zij dien, hoewel hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat die terzijde was gelegd en Lydia een andere in de hand had genomen, die door en door verrot was, toonden zij hem, die half dood was van pijn, dezen en zeiden: Kijk, dien gij in den mond hadt, zag er al zóó uit. Hij geloofde het en hoewel hij hevige pijn had doorstaan en er zeer over klaagde, scheen hij toch, nu die er uit was, genezen en getroost ging hij de kamer uit.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings