Note 2 — Zevende Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
In Parijs leefde een florentijnsch edelman, die uit armoede koopman was geworden en in den handel zóó geslaagd was, dat hij zeer rijk werd. Van zijn donna had hij een eenigen zoon, die Lodovico heette. En omdat hij op den adel van zijn voorouders en niet op den handel gesteld was, zond hij hem gelijk andere edellieden naar den koning van Frankrijk, waar hij fraaie en goede manieren leerde. Terwijl hij daar verblijf hield, mengden zich verscheidene ridders, die van het Heilige Graf kwamen, met jongelieden in een gesprek, waaronder Lodovico zich bevond. Toen een van hen hoorde spreken van de mooie vrouwen van Frankrijk en Engeland en uit andere deelen der wereld, begon die te zeggen, dat hij zeker over het heele wereldrond en onder alle vrouwen er nooit een had gezien zoo schoon als de vrouw van Egano de’ Galluzi2 van Bologna, madonna Beatrice. Hiermede waren al zijn metgezellen, die haar met hen samen in Bologna aanschouwd hadden, het eens. Toen Lodovico dit hoorde, die nog nooit verliefd geweest was, ontbrandde hij in zulk een verlangen haar te zien, dat hij zijn gedachten bij niets anders kon houden en besloot naar Bologna te gaan en er te blijven, indien zij hem zou behagen. Hij deed zijn vader gelooven, alsof hij naar het Heilige Graf ging, wat hij met grooten weerzin gedaan kreeg. Hij nam den naam Anichino aan, kwam te Bologna en daar de fortuin het wilde, zag hij haar den volgenden dag op een feest en ze scheen hem nog schooner dan hij zich had voorgesteld. Daarom zeer vurig op haar verliefd, besloot hij niet uit Bologna te vertrekken, voor hij haar liefde verworven had. Hij overlegde, dat, zoo hij knecht van haar echtgenoot kon worden, die verscheidene bedienden had, hij misschien kon gedaan krijgen, wat hij verlangde. Hij verkocht zijn paarden, regelde alles met zijn onderhoorigen, beval hun te doen of zij hem niet kenden, en na met zijn waard te hebben afgerekend zeide hij, dat hij gaarne in dienst van een welgesteld heer wilde treden. De waard sprak tot hem: Gij zijt de rechte bediende voor een edelman uit dit gebied, die Egano heet en die wil, dat al zijn bedienden er uitzien als gij; ik zal hem er over spreken. Voor de waard Egano verliet, had hij Anichino doen aannemen, die zijn best deed hem aangenaam te zijn.