Vijfde Dag.
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
De vierde dag van de Decamerone eindigt: de vijfde vangt aan. Onder het bewind van Fiammetta spreekt men van wat met een of anderen minnaar na eenige wreede en noodlottige voorvallen gelukkig gebeurt.
Reeds was het Oosten geheel wit en hadden de rijzende stralen klaarheid verbreid door ons gansche halfrond, toen Fiammetta ontwaakt door de zoete zangen der vogelen, die van af de eerste stonde van den dag vroolijk op de jonge boomen zongen, opstond en al de andere donna’s en de drie jongelieden deed roepen. Met langzamen tred ging zij naar de velden, door de ruime vlakte met het bedauwde gras, tot de zon hoog was gestegen en wandelde met haar gezelschap in gesprek over verschillende dingen. Maar toen zij voelde, dat de zonnestralen warmer werden, richtte zij hun schreden naar hun verblijfplaats, waar zij gekomen en na zich hersteld te hebben van hun lichte vermoeidheid met beste wijnen en meelspijs, zich in den aangenamen tuin vermeiden tot aan het etensuur. Toen dat oogenblik aangebroken was en alles door den zeer bescheiden hofmeester was in orde gebracht en een lied en een of twee dansliederen waren gezongen, begonnen zij vroolijk gestemd, naar het de koningin behaagde, te eten. En toen dit ordelijk en blijmoedig was geschied en omdat zij den ingestelden regel van te dansen niet vergeten waren, voerden zij met de instrumenten en de zangen eenige dansen uit. Hierna gaf de koningin tot na het uur der siësta vrij; eenigen van hen gingen sluimeren en anderen bleven tot hun genoegen in den tuin. Maar allen verzamelden zich, toen het uur van den noen even voorbij was, daar, waar het de koningin beviel, volgens de gewoonte bij de fontein. Daar zag de koningin gezeten, alsof zij bij een rechtbank voorzitter was, naar Pamfilo en glimlachend beval zij hem de eerste te zijn, die met de verhalen van geluk zou beginnen. Hij deed dit gaarne en sprak aldus:
[
Inhoud
]
Eerste Vertelling.
Lieve donna’s. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn, staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg—daar ik geloof, dat gij verliefd zijt—U zeer aan ’t hart moet gaan.

Cimon.
5e Dag—1e Vertelling.
Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de minste welgemanierdheid hadden geleerd en hij daarentegen sterk en grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag, terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren.
Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken, begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia, maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken, daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus.
Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden, hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders, wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd, gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met de sterkste banden, welke Amor—machtiger dan deze alle—losmaakte en brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt.
Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip tot hen, die op Ephigenia’s vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs, die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden, sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend, sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over.
Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat, die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat mij bewoog is voor mij iets te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten, overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in treurige en bittere klacht.
Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen, zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig, vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast.
Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen, die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben.
Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag, dien Cimon trof, bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem in ’t geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken:
Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij kan het vieren van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten, waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt—ik wil niet zeggen de vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft—dat gij Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming willen helpen, dit in Uw handen gesteld.
Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos, gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem: Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een schip zullen brengen, dat ik in ’t geheim heb laten gereed maken, terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam, was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol van het vroolijke feest.
Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten de tafels omver en nadat elk van hun zijn vrouw genomen had en in handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af, tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen, werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg, zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land.
[
Inhoud
]
Tweede Vertelling.
Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari.
Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was, gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande deed aan den koning.
Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde, wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza, wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw om Gods wil medelijden met haar te hebben en met haar jeugd en haar eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen, aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van, dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen; wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord.
De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven.
De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde.
Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen was gekomen.
Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde, zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en omdat ik het niet aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen.
De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te samen door hun liefde in vreugde en rust.
[
Inhoud
]
Derde Vertelling.
Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar Rome terug.
Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen, begon: Genadige donna’s. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, behaagt het mij U dit te vertellen.
Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan eenig ander man te schreien en links en rechts door het woud gaande haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.
Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.
Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij zouden U niet kunnen helpen. Wij willen U dit zeggen, opdat gij, indien dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden, zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen; als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen, hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.
Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.
De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren, vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag werd, zeide hij: Nu het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan een der Orsini’s, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.
Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen, welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te voren. Hij verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,—en ook mij staat dit aan—doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug, waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan, maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom.
[
Inhoud
]
Vierde Vertelling.
Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met haar vader.
Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij kleine historie een liefde vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd met schaamte.

De nachtegaal.
5e Dag—4e Vertelling.
Waarde donna’s. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg, toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd, een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls, dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken, had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar: Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is, maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht, zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er ’s nachts zijt, komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden dag,—het liep reeds tegen het einde van Mei—begon het meisje zich bij haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina ging voort: Moeder, gij moet zeggen: Naar het mij scheen en dan zult gij misschien de waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage het—zei Catharina—maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind, wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen, wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij, omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch: Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam, kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam ’s ochtends bij messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U, dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil.
Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken, waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte, dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte, dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn, op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene malen den nachtegaal zingen.
De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag al nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond.
Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal, dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak: Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft, zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman; wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen, zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren, riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten, zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo, de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen, dat ik in u had, zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw, opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt doen, beveel uw ziel dan aan God.
Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde, opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan.
Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later, gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht, zooveel hij begeerde.
[
Inhoud
]
Vijfde Vertelling.
De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan met mijn verhaal.
Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia, beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin, liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde; daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede, dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer dan elk ander, dat er toen in de stad woonde en zoo schoon als zij was, was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen.
Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo: Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, wanneer Giacomino om een of andere reden ’s avonds van huis zou gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten, dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,—kwam gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten, hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht, omdat hij reeds heeft geavondmaald? En zoo kon de een den ander niet weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar, liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah “verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor geweld!” Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog niet geëindigd of de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis.
Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, wat ik kan. Toen de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt.
Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide: Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren, die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend, verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was.
Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand.
[
Inhoud
]
Zesde Vertelling.
Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri d’Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man.
Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna’s had behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te maken er een te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke donna’s. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een te vertellen van een verliefden jonkman.
Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en wat dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen.
Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren, had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven en ging heimelijk met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar naakt en in de armen van Gianni slapen.
Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn kamer zeer verstoord terug.

Violante.
5e Dag—7e Vertelling.
Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg: Welke? Hierop zeide Gianni: Ik zie, dat ik—en spoedig—moet sterven. Ik vraag als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje, dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind, dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst.
Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van Marin Bólgaro, wiens macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij had er niet alleen berouw van, dat men met de straf zou voortgaan, maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden.
[
Inhoud
]
Zevende Vertelling.
Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en neemt Violante tot vrouw.
Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn dochter met andere vrouwen en donna’s dikwijls heen placht te gaan om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag, dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven, werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap, opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui, welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden, traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En het jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend hadden en hun maatregelen genomen hadden om in ’t geheim van elkaar te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad, die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met haar terug naar huis.
Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde, zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna, dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam: Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er aan Uw belofte te houden.
Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen, verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg, wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag, stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was gebeurd. Maar hij—minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men hem vertelde dan de donna—zeide, dat het niet waar kon zijn, dat zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest denken zonder genade te sterven.
De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe, welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede, weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen, goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide: Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam, dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben, zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had, ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg.
Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om te kijken. Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag, Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige, die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand, zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand, die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen, dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden, te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem: Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten, dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil, niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde, die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hij werkelijk, die het zeide, Fineo was, liet hij hem snel naar huis terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles.
Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan, met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds uit kon voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter, opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren, Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden, die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo, klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde: Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante, mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde, wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde, dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk geval zou doen, wat haar vader gelasten zou.
Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen, werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen.
[
Inhoud
]
Achtste Vertelling.
Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus: Beminnelijke donna’s. Indien het medelijden een deugd is, die in ons wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder roerend dan aangenaam.
Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal ik haar op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.