← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 2 — Vijfde Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Teedere donna’s. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito, zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden, werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren, verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In ’t geheim verliet zij ’s nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel en legde zich klagend op den bodem van de bark. Maar het gebeurde heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde, tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa.2

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings